Het onrustige jaar 1956

PDC, oktober 2006

1956 was een verkiezingsjaar. Er was in 1956 sprake van een ongekend felle verkiezingsstrijd tussen de KVP van Romme en de PvdA van Drees. De PvdA werd de grootste partij, waarna een zeer moeizame formatie volgde. In het nieuwgevormde vierde kabinet-Drees was het conflict eigenlijk al ingebakken. 1956 is dan ook als de voorbode van het einde van de Rooms-Rode coalitie te beschouwen.

Naast binnenlands tumult was er ook wereldwijd sprake van onrust en dat had indirect ook gevolgen voor Nederland. De Koude Oorlog, waarin na de dood van Stalin in 1953 enige dooi leek te komen, werd weer heviger door de Russische inval in Hongarije. Hongaarse vluchtelingen kwam naar ons land. Door de Suez-crisis werd Nederland voor het eerst direct geconfronteerd met het conflict in het Midden-Oosten.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

De politieke toestand in 1956

Sinds de verkiezingen van 1952 regeerde het derde kabinet-Drees. Daaraan namen deel PvdA, KVP, ARP en CHU. Bijzonder was dat het kabinet twee ministers van Buitenlandse Zaken had, de partijloze Beyen en de katholiek Joseph Luns.

Hoewel zich in 1955 een kabinetscrisis had voorgedaan, was er sprake geweest van een kalme kabinetsperiode die tamelijk vruchtbaar was. Zo waren de Zondagswet, de Vestigingswet Bedrijven, een nieuwe Beroepswet en een nieuwe regeling voor adoptie tot stand gekomen. In 1954 kwam er een Statuut voor het Koninkrijk, waarin de nieuwe verhoudingen met Suriname en de Antillen werd geregeld. Economisch gezien ging het weer veel beter met Nederland; het land leek aan de vooravond te staan van een periode van welvaart.

Tot commotie had wel een bisschoppelijk schrijven ('het Mandement') aan de katholieken in Nederland uit mei 1954 geleid. Daarin werd in het lidmaatschap van NVV en geregeld luisteren naar de VARA verboden en het lidmaatschap van de PvdA aan katholieken ontraden. De katholieken die lid waren van de PvdA, onder wie vooraanstaande Kamerleden zoals Willems, Ruygers, Tans en Van Lier, besloten uiteindelijk geen gehoor te geven aan de oproep. Wel keerde de in 1948 door Welter gestichte Katholiek Nationale Partij in 1956 terug in de KVP.

In het laatste jaar van zijn bestaan, kreeg het kabinet-Drees III met twee sterfgevallen te maken. In februari 1956 overleed de energieke minister van Justitie, Donker. Hij werd opgevolgd door de Leidse oud-hoogleraar Van Oven. In juli 956 overleed de architect van het Statuut van het Koninkrijk, minister Kernkamp.

2.

Verkiezingen

De Tweede Kamerverkiezingen van 1956 waren ongemeend fel. In 1952 was de PvdA voor het eerst na de oorlog de grootste partij geworden (net iets groter dan de KVP). De KVP probeerde in 1956 de PvdA weer voorbij te streven. Een felle verkiezingsstrijd was het gevolg. Er kwamen zelfs verstoringen van verkiezingsbijeenkomsten voor en wederzijdse waarschuwden partijen de kiezers voor de gevolgen van winst van de ander. De KVP bracht een poster uit, waarop in brand gestoken scholen stonden.

Dankzij de populariteit van de (bijna) 70-jarige premier Drees kwam de PvdA wederom als grootste partij uit de bus. De partij kreeg 34 zetels, terwijl de KVP er 33 haalde.

3.

Kabinetsformatie

De formatie van 1956 zou de tot dan toe langste uit de parlementaire geschiedenis blijken te zijn. Pas na 102 dagen was er een nieuw kabinet.

Direct na de verkiezingen werd Drees formateur, maar zijn poging mislukte. Daarna trachtte KVP-voorman Romme een kabinet te vormen. Vooral over de wijze waarop bezitsvorming door werknemers moest worden bevorderd, konden de partijen het niet eens worden.

Oud-PvdA-minister Lieftinck onderzocht hierna of er een kabinet kon worden gevormd dat een lossere band met de Tweede Kamerfracties had. Premier Drees zou daarbij vervangen worden door zijn partijgenoot Van Tilburg, Gouverneur van Suriname. Ook dat leidde echter tot niets.

Eveneens zonder succes bleef de poging van informateur De Gaay Fortman. Hij onderzocht of er een kabinet zonder de PvdA kon worden gevormd, maar daar werd uiteindelijk door met name de CHU niet voor gevoeld.

Pas na bemiddeling door CHU-minister Staf en PvdA-fractievoorzitter Burger kon een oplossing worden gevonden. De VVD, die lange tijd ook bij de formatie betrokken was, viel uiteindelijk af. Daardoor kon ook eenvoudiger tot overeenstemming worden gekomen met de ARP over de ministersposten en kon eindelijk een nieuw kabinet worden gevormd.

De KVP had de primeur van de eerste vrouwelijke minister. KVP-Tweede Kamerlid Marga Klompé werd minister van Maatschappelijk Werk. Er waren verder slechts drie nieuwe ministers, de PvdA'ers Hofstra en Samkalden en de KVP'er Struycken. Niet zonder reden werd de vraag gesteld waarom het eigenlijk zo lang had moeten duren.

4.

Uitbreiding van de Kamers

Al sinds 1950 was gewerkt aan herziening van de Grondwet. Het kabinet-Drees/Van Schaik stelde in dat jaar de Staatscommissie-Van Maarseveen in. Na een interim-rapport waren in 1951 al enkele voorstellen ingediend en door het parlement behandeld. Vrijwel geen enkele daarvan bereikte het Staatsblad.

Wetsvoorstellen tot uitbreiding van het aantal leden van Eerste en Tweede Kamer sneuvelden in de Eerste Kamer. De uitbreiding van de Eerste Kamer werd al in eerste lezing verworpen, die van de Tweede Kamer in de tweede lezing. Bezwaar daartegen was de opgenomen mogelijkheid tot stemoverdracht. Kamerleden die vanwege lidmaatschap van het Europees Parlement afwezig waren, zouden hun stem aan een ander mogen 'overdragen'. Zeventien Eerste Kamerleden stemden daar tegen, waardoor er geen tweederde meerderheid was.

In 1956 werd een nieuwe poging ondernomen, ditmaal zonder stemoverdracht. Deze wijziging ging er wel vlot door. Vanaf 6 november 1956 telde de Eerste Kamer 75 en de Tweede Kamer 150 leden.

Onder de nieuwe leden die op die dag werden toegelaten, waren de latere premiers Biesheuvel en Den Uyl, latere ministers als Toxopeus (VVD), Vredeling en Vrolijk (beiden PvdA) en prominente Kamerleden als Berkhouwer (VVD) en Kleisterlee (KVP).

Een dag later werd ook de communist Marcus Bakker als nieuw lid toegelaten. In een ijzige sfeer vanwege de Hongaarse opstand (waarover hieronder meer) was alleen de antirevolutionair Biesheuvel bereid hem geluk te wensen met zijn benoeming.

5.

De Greet Hofmans- of Soestdijkaffaire

Op de achtergrond van de kabinetsformatie speelde wat veelal de Greet Hofmansaffaire wordt genoemd. Dit betrof problemen in het koninklijk huis door het optreden van Greet Hofmans. Deze Amsterdamse gebedsgenezeres was begin jaren vijftig in contact gekomen met koningin Juliana en prins Bernhard. Zij schakelden haar in bij pogingen om prinses Marijke (Christina) te genezen van haar oogkwaal.

Vooral Juliana was onder de indruk van Greet Hofmans en de contacten werden inniger toen Hofmans van Hattem naar Baarn verhuisde. Ook in Hofkringen waren er diverse medestanders van Greet Hofmans. Al snel werd een verband gelegd tussen de pacifistische sympathieën van de koningin en de invloed van Greet Hofmans. Prins Bernhard keerde zich tegen deze opvattingen en tegen de invloed van Hofmans. Dit leidde tot grote spanningen in het huwelijk van koningin en prins, waarbij zelfs werd gesproken over een scheiding.

De spanningen kwamen naar buiten toen prins Bernhard het conflict naar de internationale pers lekte. Het Duitse weekblad Der Spiegel publiceerde op 13 juni 1956 een artikel onder de kop 'Staatskrise'. De Nederlandse pers deed er het zwijgen toe en de bevolking was grotendeels onkundig van de problemen.

Het kabinet stelde op 28 juni een commissie van wijzen mannen in, bestaande uit vicepremier Beel (die vanwege de benoeming aftrad als minister), oud-premier Gerbrandy en de oud-Gouverneur-Generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer.

Uiteindelijk bewerkstelligde de commissie dat een echtscheiding werd voorkomen, dat Greet Hofmans van het hof verdween en dat ook haar sympathisanten het veld moesten ruimen. Juliana accepteerde niet zonder moeite deze uitkomst en de verhoudingen met sommige bewindslieden (met name met Beyen) hadden zeer te lijden gehad door de perikelen.

In de regeringsverklaring op 31 oktober 1956 kon minister-president niettemin in vage bewoordingen meedelen dat de moeilijkheden aan het Hof uit de wereld waren.

6.

Internationale conflicten

Indonesië

In februari 1956 mislukte een conferentie tussen Nederland en Indonesië. Geschilpunt was de status van Nieuw-Guinea. Indonesië wilde de soevereiniteit over dat eiland en Nederland bepleitte internationale arbitrage. Vanwege het mislukken van de besprekingen zegde Indonesië de sinds 1949 bestaande Unie met Nederland op. De spanningen tussen beide landen liepen hierna op, onder andere door enkele schijnprocessen tegen Nederlanders in Indonesië.

Dit was het begin van een periode die bijna tien jaar zou duren van een gespannen verhouding tussen Nederland en Indonesië.

Hongarije

In oktober 1956 kwam er in Hongarije een sterke beweging op die streefde naar hervorming van het communistische bewind. Deze beweging richtte zich ook op nationale onafhankelijkheid en terugtrekking van de Sovjet-Russische troepen uit Hongarije. Premier Nagy koos na enige tijd de zijde van de opstandelingen.

In Boedapest ontstonden gevechten tussen opstandelingen en communisten die aanvankelijk succes opleverden voor de hervormingsgezinden. De regering-Nagy zegde het lidmaatschap van het Pact van Warschau op. Dit was voor de Sovjet-Unie reden om op 1 november haar troepen Hongarije binnen te laten vallen. Op 4 november kwam het tot hevige gevechten, die leidden tot de val van de regering-Nagy. Vele duizenden Hongaren vluchtten.

In Nederland leidde het neerslaan van de Hongaarse opstand tot hevige reacties. Vooral in Amsterdam kwam het tot gevechten en aanvallen op gebouwen van de communistische partij en van dagblad 'De Waarheid'.

In de Tweede Kamer hielden premier Drees en Tweede Kamervoorzitter Kortenhorst felle en bewogen redes waarin zij de Sovjet-inval krachtig veroordeelden en waarin zij steun uitspraken voor de Hongaren. Nederland ving vele honderden vluchtelingen op.

Suezcrisis

De VS besloot in juli 1956 de financiële steun aan Egypte voor de bouw van Assoeandam te staken vanwege de rol van dat land bij de oplopende spanning in het Midden-Oosten. Egypte, waar president Nasser de sterke man was, nationaliseerde daarop het Suezkanaal om zo haar financiële positie te versterken.

De Fransen en Engelsen accepteerden deze nationalisatie niet. Er werden bemiddelingspogingen ondernomen, die na aanvankelijk succes echter mislukten. Bij die mislukking speelde ook mee dat de spanningen aan de grens tussen Egypte en Israël waren opgelopen. Op 29 oktober viel Israël de Sinaï-woestijn binnen.

Een ultimatum van Engeland en Frankrijk aan Egypte en Israël om de strijd te staken en om het Suezkanaal vrij te geven, werd door Egypte verworpen. Franse en Engelse vliegtuigen bombardeerden hierop eind oktober Egyptische vliegvelden en op 4 november landden troepen in Egypte. Israël bezette inmiddels de Gazastrook en de gehele Sinaï.

Uiteindelijk kon in de VN een oplossing gevonden door de komst van een vredesmacht bij het Suezkanaal. Engeland, Frankrijk en ook Israël trokken zich eind december terug uit Egypte.

Vanwege de strijd, de blokkade van het Suezkanaal en de vernietiging van pijpleidingen, kwam de olievoorziening in Europa, en ook in Nederland, ernstig in problemen. Minister Zijlstra van Economische Zaken besloot tot oliedistributie en per 25 november werd een autovrije zondag ingevoerd.

Voor het eerst was Nederland direct geconfronteerd met het conflict in het Midden-Oosten.


Meer over