Dr. L.J.M. (Louis) Beel

foto Dr. L.J.M. (Louis) Beelvergrootglas

Katholieke staatsman. Eén van de belangrijkste politici van na 1945. Begon zijn loopbaan als gemeenteambtenaar. In 1945 werd hij minister van Binnenlandse Zaken en als zodanig speelde hij een voorname rol bij de naoorlogse zuiveringen. Was als premier en Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon een vooraanstaande figuur in het moeizame proces van dekolonisatie. Voorstander van militair optreden (politionele acties) tegen de Republiek Indonesia. Na terugkeer uit Indië hoogleraar en in 1951 weer minister van Binnenlandse Zaken en in het kabinet-Drees III tevens vicepremier. Had een goede band met Drees. In de jaren vijftig en zestig als (in)formateur betrokken bij de vorming van diverse kabinetten, vooral van centrumrechtse signatuur. Belangrijk adviseur en vertrouweling van koningin Juliana. Gezagvol, inventief en doortastend politicus, die vaak als regelaar en 'bruggenbouwer' fungeerde. Ook een wat dorre jurist. Had als bijnaam 'de Sfinx'.

KVP , RKSP
in de periode 1945-1972: lid Tweede Kamer, minister, minister-president, lid Raad van State, vicepresident Raad van State, Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon, minister van staat

Voornamen (roepnaam)

Louis Joseph Maria (Louis)

Personalia

geboorteplaats en -datum
Roermond, 12 april 1902

overlijdensplaats en -datum
Utrecht, 11 februari 1977

levensbeschouwing
Rooms-Katholiek

Partij/stroming

partij(en)
  • RKSP (Roomsch-Katholieke Staatspartij), omstreeks 1933 tot 22 december 1945
  • KVP (Katholieke Volkspartij), vanaf 22 december 1945

Hoofdfuncties/beroepen

  • volontair ter secretarie, gemeente Roermond, van 1 augustus 1920 tot 1 april 1921
  • tijdelijk ambtenaar ter secretarie, gemeente Roermond, van 1 april 1921 tot 1 april 1924 (bij ontslag gratificatie van f 500,-)
  • secretaris Mgr. P.J.M. van Gils, Bisschoppelijke inspectie lager onderwijs, van 1 april 1924 tot 15 oktober 1925
  • ambtenaar afdeling toezicht gemeenten, Armenwet, Warenwet, Krankzinnigenwet (rang: adjunct-commies eerste klasse), Provinciale Griffie te Zwolle, van 15 oktober 1925 tot 15 juni 1929
  • commies ter secretarie, gemeente Eindhoven, van 15 juni 1929 tot 1 januari 1930
  • chef afdeling personeelszaken, maatschappelijke steun en voorzorg (rang: hoofdcommies; sinds 1 jan 1931 referendaris), secretarie gemeente Eindhoven, van 1 januari 1930 tot 1 maart 1942
  • plaatsvervangend gemeentesecretaris van Eindhoven, van maart 1933 tot 1 maart 1942 (nam ontslag in verband met benoeming NSB-burgemeester)
  • waarnemend directeur gemeentelijke dienst Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling, gemeente Eindhoven (vier maanden in 1935)
  • directeur adviesbureau voor bestuursrechtelijke zaken, van 1 maart 1942 tot 31 december 1944 (tussentijds ondergedoken)
  • adviseur sociale zaken en voorlichting, Militair Gezag in Oost-Brabant, van november 1944 tot februari 1945 (tevens adviseur voor binnenlands bestuur van De van der Schueren)
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 23 februari 1945 tot 15 september 1947
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 4 juni 1946 tot 3 juli 1946
  • minister-president, van 3 juli 1946 tot 7 augustus 1948
  • minister van Overzeese Gebiedsdelen ad interim, van 30 augustus 1947 tot 3 november 1947 (in verband met ziekte van minister Jonkman)
  • minister van Algemene Zaken, van 13 oktober 1947 tot 7 augustus 1948 (departement ingesteld bij K.B. van 11 oktober 1947)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 27 juli 1948 tot 7 september 1948
  • gedelegeerde van het Opperbestuur in Nederlands-Indië, van 16 september 1948 tot 3 november 1948 (samen met L. Neher; benoemd bij K.B. van 28 augustus 1948)
  • Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon te Batavia, van 3 november 1948 tot 2 juni 1949 (benoemd en beëdigd 29 oktober 1948)
  • buitengewoon hoogleraar bestuursrecht en bestuursrecht, Katholieke Universiteit Nijmegen, van 1 september 1949 tot 6 december 1951
  • hoogleraar bestuursrecht en bestuurskunde, Katholieke Economische Hogeschool te Tilburg, van 1 september 1950 tot 6 december 1951
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 6 december 1951 tot 7 juli 1956 (trad af wegens benoeming in een onderzoekscommissie;2211909)
  • viceminister-president, van 2 september 1952 tot 7 juli 1956
  • minister van Maatschappelijk Werk, van 2 september 1952 tot 9 september 1952
  • minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ad interim, van 20 oktober 1954 tot 30 januari 1955 (vanwege ziekte van minister Cals)
  • minister van Justitie ad interim, van 4 februari 1956 tot 15 februari 1956 (na overlijden minister Donker)
  • minister van Overzeese Rijksdelen ad interim, van mei 1956 tot 7 juli 1956 (in verband met ziekte van minister Kernkamp)
  • lid commissie van onderzoek buitenlandse perspublicaties over het Hof, van 28 juni 1956 tot 24 augustus 1956 (samen met Gerbrandy en Tjarda van Starkenborgh Stachouwer)
  • lid Raad van State, van 1 april 1958 tot 22 december 1958 (benoemd bij K.B. van 15 maart 1958)
  • minister-president en minister van Algemene Zaken, van 22 december 1958 tot 19 mei 1959
  • minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid ad interim, van 22 december 1958 tot 19 mei 1959
  • lid Raad van State, van 1 juni 1959 tot 1 augustus 1959 (benoemd bij K.B. van 27 mei 1959)
  • vicepresident Raad van State, van 1 augustus 1959 tot 1 juli 1972 (benoemd bij K.B. van 1 juli 1959)

ambtstitel
  • minister van staat, van 21 november 1956 tot 11 februari 1977

(in)formateurschap(pen)
  • kabinetsformateur, van 27 mei 1946 tot 1 juli 1946
  • kabinetsformateur, van 14 juli 1948 tot 30 juli 1948 (poging mislukt)
  • kabinetsformateur, van 23 juli 1952 tot 4 augustus 1952 (poging mislukt)
  • informateur, van 15 december 1958 tot 19 december 1958
  • kabinetsformateur, van 20 december 1958 tot 22 december 1958
  • informateur, van 14 maart 1959 tot 26 maart 1959
  • informateur, van 1 mei 1959 tot 13 mei 1959
  • informateur, van 28 mei 1963 tot 4 juli 1963
  • informateur, van 4 november 1966 tot 16 november 1966
  • informateur, van 6 maart 1967 tot 9 maart 1967 (formeel adviseur van de koningin)

Activiteiten

als minister-president
  • Had als minister-president een belangrijk aandeel in de Indië-politiek. Maakte van 3 tot en met 24 mei 1947 met minister Jonkman een reis naar Nederlands-Indië
  • Tijdens zijn eerste kabinet vonden de ondertekening van het Akkoord van Linggadjati (25 maart 1947) en de eerste politionele actie (20/21 juli - 4 augustus 1947) plaats

als bewindspersoon (beleidsmatig)
  • Stelde in april 1945 het COZO (Centraal Orgaan voor de Zuivering van Overheidspersoneel) in, onder voorzitterschap van oud-minister Van Boeijen
  • Legde op 10 juli 1947 een regeringsverklaring af over de toestand in Nederlands-Indië. Dreigde daarin met een militaire actie van politionele aard om de regering van de Republiek Indonesia te dwingen uitvoering te geven aan het Akkoord van Linggadjati en om een einde te maken aan vernielingen, vijandelijke propaganda en militaire infiltraties.
  • Belangrijke benoemingen tijdens zijn ministerschap 1945-1947: Linthorst Homan (Commissaris van de Koningin in Friesland), Quarles van Ufford (CHU, Gelderland), De Quay (KVP, Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant), Houben (KVP, Commissaris van de Koningin in Limburg), De van der Schueren (KVP, Commissaris van de Koningin in Overijssel), d'Ailly (PvdA, burgemeester van Amsterdam), Kolfschoten (KVP, burgemeester van Eindhoven), Cremers (KVP, burgemeester van Haarlem), Matser (KVP, burgemeester van Arnhem)
  • Bracht in 1948 in eerste lezing een partiële Grondwetsherziening tot stand, waardoor voorbereiding en vestiging van een nieuwe rechtsorde in Nederlands-Indië mogelijk werd.
  • Trok in 1952 het door zijn voorganger Van Maarseveen ingediende voorstel tot instelling van een Grondwetskamer in, vanwege bezwaren uit de Tweede Kamer
  • Stelde in 1952 de Staatscommissie-De Quay in, die advies moest geven over de gewenste bestuursvorm voor grote gemeenten
  • Stelde in 1953 de Staatscommissie-Teulings in, die over eventuele herziening van het kiesstelsel moest adviseren
  • Van de zeven door hem in 1952 verdedigde voorstellen tot grondwetsherziening bereikte er slechts één (over de buitenlandse betrekkingen) het Staatsblad
  • Speelde een belangrijke rol bij de coördinatie van de hulpverlening na de watersnoodramp van 1953
  • Diende in 1954 samen met minister Donker een ontwerp-Politiewet in. De wet werd in 1957 door de ministers Struycken en Samkalden in het Staatsblad gebracht. (3.525)
  • Bewerkstelligde in 1955 dat geen rechtsvervolging tegen Commissaris der Koningin Kesper werd ingesteld toen die betrokken was geraakt bij een zaak van frauduleuze bankbreuk. Beel vreesde voor aantasting van het overheidsgezag.
  • Bracht in 1956 de Grondwetsherziening in eerste lezing tot stand, waarbij onder meer verklaringswetten over uitbreiding van het aantal leden van Eerste en Tweede Kamer werden aanvaard
  • Belangrijke benoemingen tijdens zijn ministerschap 1951-1956: Rutgers (1956, vicepresident Raad van State), Offerhaus (VVD, Commissaris van de Koningin in Groningen), Van Lynden van Sandenburg (partijloos (a.r.), Commissaris van de Koningin in Utrecht), Prinsen (PvdA, Commissaris van de Koningin in Noord-Holland), Klaasesz (PvdA, Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland); Van Walsum (PvdA, burgemeester van Rotterdam)

als bewindspersoon (wetgeving)
  • Trok in april 1945 bij KB (Stb. F 44) het Tijdelijk Besluit Voorzieningen Provinciale Staten en Gemeenteraden in
  • Verving in april 1945 het Besluit Tijdelijke Voorzieningen Gemeenteraden door een nieuw Besluit (Stb. F 45). Hierdoor konden tijdelijke gemeenteraden worden ingesteld door een gemeentelijk, door de burgemeester benoemd kiescollege. In september 1945 bepaalde hij op grond van dit Besluit dat vóór 22 oktober 1945 nieuwe raadsleden moesten zijn gekozen.
  • Vaardigde in 1945 enkele KB's (Stb. F 69, F 70 en F 221) uit, waarbij bepalingen werden toegevoegd aan het Zuiveringsbesluit. Het betrof onder meer de maatregelen 'ongevraagd eervol ontslag' en 'ontslag zonder meer'. Vulde in augustus 1945 het Zuiveringsbesluit aan (Stb. F 132) met de rechtsgronden 'uitingen van nationaal-socialistische gezindheid' en 'te kort schieten bij het betrachten van de juiste houding'.
  • Vaardigde in 1945 samen met minister-president Schermerhorn het Besluit Tijdelijke Staten-Generaal (Stb. 131) uit
  • Vaardigde in 1945 het Tijdelijk Persbesluit 1945 (Stb. F 177) uit. Dit besluit verving het Tijdelijk Persbesluit uit 1944 en regelde de perszuivering. Er kwam een Commissie voor de Perszuivering die personen het recht kon ontnemen om als journalist of als leidinggevende bij de pers actief te zijn. Tijdelijke ontzetting was eveneens mogelijk. De ministers van Binnenlandse Zaken en O.K. en W. kregen de bevoegdheid de vergunning voor het verschijnen van dagbladen in te trekken of te weigeren. Er werd ter advisering een Persraad ingesteld.
  • Bracht in 1945 samen met minister-president Schermerhorn de Wet regelen omtrent de voorlopige Staten-Generaal (Stb. F 241) tot stand (kamerstuk nr. 1)
  • Vaardigde in 1945 met minister Kolfschoten het Politiebesluit 1945 (Stb. F 250) uit. Hierdoor verdween het stelsel dat iedere gemeente een eigen politie had (eventueel op eigen verzoek bijstaan door rijkspolitie). (08-11-1945)
  • Bracht in 1946 een wijziging van de Kieswet tot stand, waardoor onder meer de kiesrechtleeftijd werd verlaagd van 25 naar 23 jaar. De voorgestelde opheffing van de stemplicht werd via een amendement-Ruijs de Beerenbrouck geschrapt. (125)
  • Bracht in 1946 een noodwetje tot stand waarbij het bestuur van de gemeente Opsterland tijdelijk in handen te stellen van een regeringscommissaris. De gemeenteraad weigerde samen te werken met de burgemeester, die aanvankelijk 'gestaakt' was en in 1946 'gezuiverd'.
  • Bracht in 1946 een wetje tot stand, waarbij de tijdens de Eerste Wereldoorlog ingestelde zomertijd werd afgeschaft
  • Bracht in 1946 een wijziging (Stb. G 355) van de Gemeentewet tot stand, waardoor wijziging van gemeentegrenzen eenvoudiger werd. De verplichte instelling van een commissie van ingezetenen in de betrokken gemeenten werd vervangen door een bezwaarregeling bij G.S. (197)
  • Bracht in 1946 een wet tot opheffing van de particuliere banken van lening tot stand. Hiermee werd een Bezettingsmaatregel uit 1942 omgezet in een formele wet. Uit sociaal oogpunt werden deze banken als onwenselijk beschouwd. (304)
  • Bracht in 1947 samen met minister Neher de Woonruimtewet 1947 (Stb. H 291) tot stand, die gemeenten in verband met de woningnood betere mogelijkheden gaf om de woongelegenheid te verdelen; een woonvergunning werd verplicht gesteld (424)
  • Bracht in 1947 de Wet buitengewoon pensioen verzetsslachtoffers (Stb. H 313) tot stand, die aan verzetsdeelnemers en -slachtoffers die invalide waren geworden, zomede aan hun nabestaanden een uitkering verstrekte. Bij de bepaling wie voor de uitkering in aanmerking komt, wordt een belangrijke rol weggelegd voor de Stichting 40-45. (449)
  • Bracht in 1951 samen met Teulings de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Stb. 361) tot stand, die uitwerking geeft aan de in 1948 in de Grondwet opgenomen bepalingen over de nood- en uitzonderingstoestand (1.539)
  • Bracht in 1952 de Brandweerwet (Stb. 362) tot stand, die de goedkeuring van plaatselijke brandweerverordeningen in handen legt van Gedeputeerde Staten en de brandweerzorg opdraagt aan burgemeester en wethouders. Er komt een brandweerinspectie en een Brandweerraad. Het wetsvoorstel was in 1950 ingediend door minister Teulings. (1.735)
  • Bracht in 1953 een gemeentelijke herindeling tot stand rond de gemeente Utrecht (onder andere uitbreiding van Utrecht met de gemeente Zuilen en delen van Maartensdijk en De Bilt en vorming van Vleuten-De Meern),
  • Bracht in 1953 een wetje tot stand waardoor het dorp Sint Willibrord geheel tot de gemeente Rucphen ging behoren. Tot dan was het dorp tevens deels gelegen in Hoeven en Etten-Leur.
  • Bracht in 1953 de Zondagswet (Stb. 490) tot stand, die de ongestoorde kerkdiensten en openbare rust op zondag(ochtend) en op Christelijke feestdagen moet zekerstellen. De burgemeester krijgt hiertoe een aantal bevoegdheden. Plaatselijke verordeningen mogen echter geen verbodsbepalingen bevatten over sportbeoefening en andere vormen van ontspanning op zondag. Het wetsvoorstel was in 1951 ingediend door minister Van Maarseveen. (2.176)
  • Bracht in 1955 samen met minister Algera een wet tot stand tot instelling van een openbaar lichaam voor de Zuidelijke IJsselmeerpolders. Hierdoor kwam er een tijdelijk bestuur voor dit sinds 1950 ingepolderde gebied (toen alleen Oostelijk Flevoland). (3.369)
  • Bracht in 1955 de Wet op de Lijkbezorging (crematiewet) (Stb. 390) tot stand, waardoor crematie wettelijk werd toegestaan indien er een testamentaire wens daartoe was geuit. De vestiging van crematoria wordt aan vergunningen gebonden. (2.410)
  • Bracht in 1955 een wet tot stand waarbij het gebied rond het dorp Elden van de gemeente Elst overging naar Arnhem, en een wet waardoor de gemeente Tiel werd uitgebreid met het dorp Drumpt en de gemeente Wadenoijen werd opgeheven.
  • Bracht in 1955 een wet tot gemeentelijke herindeling van de Bommelerwaard tot stand, waardoor het aantal gemeenten daar werd teruggebracht van twaalf naar zeven (3.462)
  • Bracht in 1959 de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) (Stb. 139) tot stand. Deze wet geeft alle weduwen die achterblijven met één of meer kinderen onder de 18 jaar een pensioen. Dit pensioen blijft behouden als de kinderen tussen haar 45ste en 50ste levensjaar 18 jaar worden. Weduwen zonder kinderen van 50 jaar en ouder krijgen eveneens pensioen. De wet trad 1 oktober 1959 in werking. Het wetsvoorstel was in 1958 ingediend door minister Suurhoff. (5.390)
  • Bracht in 1959 een wet in het Staatsblad tot aanvulling van de Veiligheidswet 1934 en de Stuwadoorswet met bepalingen over bedrijfsgezondheidsdiensten. Het wetsvoorstel was door staatssecretaris Van Rhijn in 1955 ingediend en in 1958 in de Tweede Kamer verdedigd. (3.848)

als (in)formateur
  • Kreeg op 27 mei 1946 de opdracht tot het vormen van een kabinet. Wist op 17 juni programmatische overeenstemming te bereiken tussen KVP en PvdA Bij de portefeuilleverdeling gingen Onderwijs en Economische Zaken over van de PvdA naar de KVP Logemann werd op Overzeese Gebiedsdelen vervangen door Jonkman. Op 1 juli 1946 aanvaardde Beel de formatieopdracht.
  • Kreeg op 13 juli 1948 van de prinses-regentes de opdracht tot het vormen van een parlementair kabinet dat een zo groot mogelijk vertrouwen van de Tweede Kamer geniet. De wens van de PvdA tot vorming van een parlementair tweepartijenkabinet was voor de KVP niet aanvaardbaar. Vorming van een tijdelijk kabinet met het oog op de Indonesische kwestie werd door de PvdA afgewezen. Hierop vroeg Beel op 22 juli ontheffing van zijn opdracht.
  • Op 22 juli 1948 kreeg hij de opdracht tot het vormen van een kabinet. Met name de bezetting van de posten leverde problemen op. Zo ging de PvdA niet akkoord met Stikker op Buitenlandse Zaken. Op 29 juli vroeg Beel ontheffing van zijn opdracht.
  • Kreeg op 23 juli 1952 de opdracht tot het vormen van een kabinet. Op basis van een eerder door formateur Drees bereikt programmatisch akkoord werd gestreefd naar vorming van een vijfpartijenkabinet. Omdat geen overeenstemming kon worden bereikt over de portefeuilleverdeling vroeg hij op 4 augustus van zijn opdracht ontheven te worden.
  • Werd op 12 december 1958 verzocht een onderzoek in te stellen naar mogelijkheden tot samenstelling van een kabinet. Bracht op 18 december rapport uit. Aanblijven van het demissionaire kabinet-Drees en vorming van een centrumrechts kabinet werden afgewezen, zodat vorming van een interim-kabinet dat verkiezingen zou uitschrijven als enige optie werd beschouwd.
  • Kreeg op 19 december 1958 de opdracht tot vorming van een kabinet dat tot taak zou hebben: ontbinding van de Kamer en voorts datgene te doen wat in 's lands belang noodzakelijk was. Voltooide deze formatie op 20 december.
  • Werd op 14 maart 1959 verzocht de mogelijkheden te onderzoeken om te komen tot de formatie van een kabinet dat zou mogen rekenen op een vruchtbare samenwerking met de volksvertegenwoordiging. Concludeerde op 26 maart in zijn eindverslag dat gestreefd moest worden een kabinet van KVP, VVD, ARP en CHU te vormen. Dit omdat de PvdA parlementaire binding eiste, hetgeen de andere partijen afwezen.
  • Kreeg op 1 mei 1959 het verzoek de mogelijkheden te onderzoeken om tot een spoedige oplossing van de huidige crisis te geraken. Op 8 mei concludeerde hij dat een vijfpartijenkabinet geen mogelijkheid was. Daarop werd de eerder in gang gezette formatie van een kabinet-De Quay voortgezet. Doordat Van Rooy bereid was Sociale Zaken te bezetten kon de impasse over de zetelverdeling worden doorbroken. Op 13 mei bracht Beel rapport uit.
  • Werd op 28 juni 1963 verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om te komen tot een spoedige vorming van een kabinet dat zich verzekerd kon achten van een vruchtbare samenwerking met de volksvertegenwoordiging. Wist na de mislukte formatie-De Kort op 4 juli in Wassenaar een programmatisch akkoord tot stand te brengen tussen de fractievoorzitters van KVP, VVD, ARP en CHU. Adviseerde hierna op 5 juli in zijn eindrapport om De Quay te belasten met de formatie.
  • Kreeg op 4 november 1966 het verzoek de mogelijkheden te onderzoeken om zo spoedig mogelijk tot de oplossing van de kabinetscrisis te geraken. Een compromisvoorstel over het financiële beleid, zodat het kabinet-Cals tot vervroegde verkiezingen kon aanblijven, werd door de PvdA afgewezen. Hierna werd aangestuurd op een interim-kabinet van KVP en ARP onder leiding van Zijlstra en De Quay. Op 15 november bracht Beel zijn eindverslag uit.
  • Werd op 6 maart 1967 door de koningin gevraagd advies uit te brengen, op grond van door fractievoorzitters uitgebrachte adviezen, over de benoeming van een formateur. Adviseerde op 9 maart Biesheuvel met de formatie te belasten.

Wetenswaardigheden

uit de privésfeer
  • Zat in augustus-september 1944 ondergedoken om zich te onttrekken aan graafwerkzaamheden nabij Eindhoven
  • Rond 1944 actief in de Gemeenschap van Oud-Illegale Werkers van Nederland en het Comité Eenheid bij Verscheidenheid
  • Was naar buiten toe tamelijk afstandelijk en gesloten. Toonde echter wel altijd een grote betrokkenheid bij het wel en wee van zijn medewerkers.
  • Zijn vader was veearts en directeur van de keuringsdienst van vee en vlees te Roermond

pseudoniemen, bij-, koos- en schuilnamen
  • "De Onderkoning van Nederland" (zo genoemd vanwege zijn invloed als vicevoorzitter van de Raad van State)
  • "De Sfinx van Wassenaar" (bijnaam)

Publicaties/bronnen

publicaties
"Zelfbestuur of afhankelijke decentralisatie" (dissertatie, 1935)

literatuur/documentatie
  • J. Rogier, "Beel. Bij de dood van een Hoge Vertegenwoordiger", in Vrij Nederland van 5 maart 1977
  • G. Puchinger, "Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw" (1984)
  • J. Bosmans, "Beel, Louis Joseph Maria (1902-1977)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel I (1979), 30
  • P.F. Maas (red.), "De formatiedagboeken van L.J.M. Beel" (1994)
  • L.J. Giebels, "Beel, van vazal tot onderkoning. Biografie 1902-1977" (1995)
  • D. Hillenius, "1945", in: VNG-Magazine, 31 maart 2000
  • M.D. Bogaarts, "De periode van het kabinet-Beel 1946-1948. Parlementaire Geschiedenis van Nederland na 1945", Band C (Nijmegen, 1989), p. 1789 e.v.

Uitgebreide versie

uitgebreide versie

In het digitale biografisch archief van PDC, partner van het Montesquieu Instituut, is een uitgebreide versie van deze pagina aanwezig met bijvoorbeeld partijpolitieke functies, maatschappelijke nevenfuncties, opleiding en wetenswaardigheden. Laat het ons weten als u daar belangstelling voor heeft.

Op bovenstaande tekst en gegevens zijn auteursrechten van PDC van toepassing; overname, in welke vorm dan ook, is zonder expliciete goedkeuring niet toegestaan. Ook de afbeeldingen zijn niet rechtenvrij.

De biografieën betreffen vooral de periode waarin iemand politiek en bestuurlijk actief is of was. PDC ontvangt graag gemotiveerde aanvullingen of correcties.