VI Het liberale hoogtij: van Thorbecke tot Heemskerk (1850-1888)

Achtergrondinformatie bij het zesde hoofdstuk van "De eerste honderdvijftig jaar, parlementaire geschiedenis van Nederland, 1796-1946" van J.TH.J. van den Berg en J.J. Vis, 2013 Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Kabinetten

Periode 1848-1872: het tijdperk van Thorbecke

In 1848 komt een belangrijke grondwetsherziening tot stand, waardoor het regeringsstelsel drastisch verandert. Voortaan is niet langer de koning, maar zijn de ministers verantwoordelijk voor het beleid. De jaren na 1848 zijn er afwisselend gematigd liberale kabinetten (1848-1849, 1858-1862), conservatieve kabinetten (1853-1858 en 1866-1868) en liberale kabinetten (1849-1853, 1862-1866 en 1868-1872). Zowel in de liberale kabinetten als in de Tweede Kamer is Thorbecke de grote man.

Periode 1872-1888: kiesrecht- en schoolstrijd

Twee onderwerpen staan in deze periode centraal. Het eerste betreft de vraag welke burgers, naast de belastingbetalers, het kiesrecht moeten krijgen. Het tweede is de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Katholieken en Antirevolutionairen willen dat de overheid ook bijzondere scholen gaan subsidiëren; de Liberalen zijn daar tegen.

Koning Willem III

Op 23 november 1890 overleed koning Willem III. Hij was na een regeerperiode van ruim 40 jaar de laatste opvolger in mannelijke lijn van Willem I. Na hem regeerde bijna 123 jaar een vorstin. Koning Willem III was zonder twijfel de meest omstreden Oranjevorst. Hij moest als koning erg wennen aan zijn ondergeschikte rol na de Grondwetsherziening van 1848 en had bovendien een moeilijk karakter, zowel voor zichzelf als voor anderen.

2.

Personen

(koning Willem III) Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk

Vorst in de tweede helft van de negentiende eeuw. Volgde in 1849 zijn vader pas na enige aarzeling op, omdat hij weinig ingenomen was met de nieuwe liberale Grondwet. Trachtte nog enige jaren zijn macht enigszins te herwinnen en behield nog enige jaren invloed op ministersbenoemingten. Ging soms in tegen zijn ministers, bijvoorbeeld in 1853 (Aprilbeweging). Had lange tijd ook een afkeer van Thorbecke. Verloor later steeds meer interesse in de politiek. Kreeg bovendien te maken met privé-affaires, met conflicten met zijn zoons en met gezondheidsproblemen. Berucht vanwege zijn wispelturigheid en barse uitvallen tegen onder anderen ministers. Trouwde op hoge leeftijd met de veel jongere Duitse prinses Emma, die hem een opvolgster, Wilhelmina, schonk.

J.R. Thorbecke

Liberale staatsman. Als voorzitter van de Grondwetscommissie in 1848 grondlegger van onze parlementaire democratie. Kwam al in 1844 met acht medeleden met een voorstel tot herziening van de Grondwet in democratische zin. Werd in 1848 door de koning gevraagd een liberale Grondwet te ontwerpen. Hierdoor kwamen er rechtstreekse verkiezingen en ministeriële verantwoordelijkheid, werden parlementaire rechten uitgebreid en werd de mogelijkheid van Kamerontbinding ingevoerd. Leidde daarna drie keer een kabinet, waarbij hij onder meer de Kieswet, Gemeentewet en Provincie Wet tot stand bracht. Legde daarmee ook de basis voor de bestuurlijke organisatie met drie bestuurslagen. Had niet de sympathie van koning Willem III. Hoewel hij veel medestanders later van zich vervreemdde en soms weerstanden opriep, was hij ongetwijfeld de grootste staatsman van de negentiende eeuw.

F.A. baron van Hall

Belangrijk staatsman uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Als moderaat vertegenwoordiger van de Amsterdamse handels- en bankierswereld, die als behendig politicus zowel vóór als na 1848 een voorname rol speelde. Volgde in 1842 Van Maanen op als minister van Justitie en saneerde in 1844 als minister van Financiën de staatsfinanciën met een gedwongen ('vrijwillige') geldlening. Volgde in 1853 Thorbecke op als kabinetsleider en wist de gemoederen na de Aprilbeweging tot bedaren te brengen. In 1860 bewerkstelligde hij als minister een regeling voor de aanleg van spoorwegen. Politieke tegenstander van Thorbecke en bête noire van de liberalen. Vaak onderwerp van spotprenten vanwege zijn rode gelaatskleur. Weigerde een benoeming tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. Werd in 1856 door de koning tot baron verheven.

P.Ph. (Pieter) van Bosse

Vooraanstaande liberaal die tussen 1848 en 1871 in acht kabinetten minister was, waarvan zes keer van Financiën. Wisselde dat af met het Tweede Kamerlidmaatschap. Oorspronkelijk fabrikant en advocaat. Combineerde in 1848 de ambten van staatsraad en tijdelijke minister. Liberaliseerde als minister onder Thorbecke (1849-1853) de handel en scheepvaart. Was echter geen volbloed Thorbeckiaan en trad tussen 1858 en 1866 toe tot enkele gemengde kabinetten. Leidde in 1868 zelf een kabinet en werd daarna in Thorbecke's derde kabinet minister van Koloniën. Die post had hij ook in het kabinet-Kappeyne van de Coppello. Was toen al op vrij hoge leeftijd (68 jaar) en overleed anderhalf jaar later. Praktische, nuchtere en bekwame minister.

G. (Willem) Groen van Prinsterer

Belangrijk negentiende-eeuws staatsman en geschiedschrijver. Beschouwde zichzelf niet als staatsman, maar als evangeliebelijder. Formuleerde in het boek 'Ongeloof en revolutie' de antirevolutionaire staatsleer. Verzette zich zowel tegen de politiek van Willem II als tegen totstandkoming van de Grondwetsherziening in 1848. Was voorstander van een op bijbelse grondslagen bestuurd protestants Nederland. Streefde in 1850 naar een openbare gezindteschool en verliet (enige jaren) de Tweede Kamer na aanvaarding van de Lager-onderwijswet 1857. Keerde later nog enkele keren terug. Zeer erudiet en ondanks zwakke politieke basis gezaghebbend lid van de Kamer.

J. (Jan) Heemskerk

Belangrijke negentiende-eeuwse politicus, die driemaal een bekwame minister van Binnenlandse Zaken was, met grote kennis van zaken. Aanvankelijk gematigd liberaal Tweede Kamerlid voor Amsterdam. Werd allengs conservatiever. Speelde een voorname rol in de conflictenperiode (1866-1868), waarbij kabinet en koning de strijd aanbonden met de Tweede Kamer. Was daarna enige tijd raadsheer in de Hoge Raad. Bracht in zijn tweede periode als minister belangrijke wetten tot stand zoals de Hoger-onderwijswet, de Hinderwet en de Spoorwegwet. In 1883 formateur en leider van een gematigd kabinet, die behendig de Grondwetsherziening verdedigde die de weg opende naar uitbreiding van het (mannen)kiesrecht. Hardwerkende pragmaticus met een conservatieve levenshouding. Politicus zonder partij, die bedaard en met milde humor optrad.

J.Ph.J.A. (Jules) graaf van Zuylen van Nijevelt

In Luxemburg geboren telg van een Rotterdamse regentenfamilie. Werd na het overlijden van zijn moeder streng, godsdienstig en geïsoleerd opgevoed. Na een diplomatieke loopbaan in onder meer Brussel en Constantinopel, die begunstigd werd door invloedrijke familieleden, werd hij minister van Buitenlandse Zaken in een gemengd conservatief-liberaal kabinet. Sloot zich aan bij de antirevolutionairen (Groenianen) en werd na een kort gezantschap in Berlijn leider van een conservatief kabinet. Was toen wederom minister van Buitenlandse Zaken. Het kabinet kwam tot driemaal toe in conflict met de Tweede Kamer, waarbij vooral zijn Luxemburgse politiek centraal stond. Nadien werd hij wederom gezant en vervolgens Tweede Kamerlid. Behoorde tot de leidende figuren van de protestants-conservatieve stroming. Sloot zijn loopbaan af als staatsraad.

I.D. Fransen van de Putte

Voornaam liberaal in de tweede helft van de negentiende eeuw. Vernieuwingsgezind op koloniaal gebied. Markante Zeeuw zowel door zijn voorkomen als accent. Scherpe, geestige man, die beschikte over een goed verstand. Niet geheel vrij van ijdelheid. Was succesvol ondernemer in Nederlands-Indië. Werd na een jaar Kamerlidmaatschap in 1863 minister van Koloniën en kwam in 1866 in conflict met Thorbecke over de koloniale grondpolitiek. Vormde toen zelf een kabinet, dat echter door Thorbecke c.s. snel ten val werd gebracht. Trachtte tijdens zijn tweede periode als minister tevergeefs te bemiddelen in het conflict tussen de koning en diens oudste zoon Willem. In die kabinetsperiode brak de Atjeh-oorlog uit. Speelde later ook als Eerste Kamerlid nog een vooraanstaande rol.

J. (Jan) Kappeyne van de Coppello

Energieke, beminnelijke liberale politicus, die in Den Haag een vermaard advocaat was. Stond bekend om zijn rechtskennis, vaardigheid als gevat debater en werklust. Hoewel hij tot de jong-liberalen behoorde, werd hij in 1876 'leader' van de liberale Kamerclub. In 1877 vormde hij een kabinet, waarin hij minister van Binnenlandse Zaken werd. Bracht de door de confessionelen fel bestreden Wet op het lager onderwijs tot stand. Zijn kabinet viel uiteen door de tegenstelling tussen progressieve en gematigde liberalen. Was na 1879 een 'vergeten' staatsman al kwam hij in 1888 nog in de Eerste Kamer. Was toen echter veel conservatiever dan voorheen. Vrij onconventioneel, maar aangenaam gezelschap.

S. (Sam) van Houten

Onafhankelijk liberaal, die bijna veertig jaar een belangrijke rol in de Nederlandse politiek speelde. Advocaat in en afgevaardigde van Groningen. Gold bij binnenkomst in het parlement als uiterst progressief. Zette zich af tegen de leer van staatsonthouding van Thorbecke. Bracht in 1874 via een initiatiefvoorstel het bekende Kinderwetje tot stand. Kwam geleidelijk in conservatiever vaarwater en keerde zich tegen de plannen van Tak voor algemeen mannenkiesrecht. Bracht als bekwaam minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Röell in 1896 wel zeer krachtdadig een belangrijke kiesrechtuitbreiding tot stand. Zijn rol was daarna grotendeels uitgespeeld, al bleef hij begin twintigste eeuw actief als tegenstander van de evenredige vertegenwoordiging. Beminnelijk man in de omgang met een brede belangstelling; cultuurminnend en erudiet.

A. (Abraham) Kuyper

'Abraham de geweldige'. De grote voorman en stichter van de Anti-Revolutionaire Partij, de partij van de 'kleine luyden'. Krachtig organisator en goed spreker. Stichtte tevens het dagblad De Standaard, de Vrije Universiteit en de Gereformeerde Kerk. Was predikant en werd in 1874 Tweede Kamerlid, maar verliet de Kamer al na drie jaar. Keerde in 1894 echter terug en werd voorzitter van de meer democratische antirevolutionairen. Leidde in 1901-1905 een coalitiekabinet, dat vooral in de herinnering bleef voortleven door de wijze waarop werd opgetreden tegen de Spoorwegstaking in 1903 en door de ontbinding van de Eerste Kamer in 1904. Werd daarom door liberalen en socialisten krachtig bestreden. Kwam in 1908 in conflict met Heemskerk en kwam in 1909 in opspraak door de zgn. lintjesaffaire, maar werd desondanks tot zijn dood door zijn achterban als de door God gegeven leider beschouwd.

Æ. baron Mackay

Bescheiden, zelfs wat schuchtere antirevolutionair politicus uit een Gelders adellijk geslacht van bestuurders. Was rechter in Zutphen en lange tijd Tweede Kamerlid (en een jaar voorzitter). Formeerde in 1888 het eerste confesssionele kabinet en gold als een bekwaam kabinetsleider. Wist als gelovig en overtuigd antirevolutionair steeds pragmatisch en diplomatiek te opereren en naar oplossingen te zoeken. Uit plichtsbesef verruilde hij in 1890 het ministerschap van Binnenlandse Zaken voor dat van Koloniën. Keerde na zijn ministerschap terug in de Tweede Kamer en was ten tijde van het kabinet-Kuyper opnieuw Tweede Kamervoorzitter. Hoewel hij in 1894 ten aanzien van het kiesrecht de zijde van Lohman koos, trad hij niet toe tot de CH-partij toe, maar bleef hij antirevolutionair. Sloot zijn loopbaan af als staatsraad.

H.J.A.M. (Herman) Schaepman

Priester, dichter en dé grote voorman van de katholieken aan het einde van de negentiende eeuw. Ontwierp een politiek programma en sloot een verbond met de antirevolutionairen (de 'Coalitie') van Kuyper. Stond in eigen kring lange tijd nogal geïsoleerd, omdat hij veel progressiever en socialer was dan zijn geloofsgenoten (veelal industriëlen) in de Kamer. Steunde de kiesrechtuitbreiding, invoering van de leerplicht en afschaffing van de plaatsvervanging bij het leger. Was hoogleraar aan het Seminarium te Rijsenburg. Werd in 1880 als eerste priester Tweede Kamerlid, maar pas in 1901 fractievoorzitter. Boeiende en geestige spreker met een levendige voordracht. Ook een goed schrijver. In de omgang gezellig, goedlachs, praatgraag, en met iedereen op goede voet.

3.

Gebeurtenissen

  • Post onvoorzien

    De 'Stenographische Inrichting' garandeerde niet dat het gehele staatsbestuur openbaar werd; de openbaarheid beperkte zich tot die zaken, welke gemeenschappelijk door Regering en volksvertegenwoordiging geregeld moesten worden (wetgeving) of welke door middel van het recht van interpellatie aan de orde konden worden gesteld.

  • Conflict Groen-Van der Brugghen

    Het officieel verslag bevat geen letterlijke weergave van de gesproken redevoeringen. Vrijwel altijd moet het gesproken woord worden geredigeerd, voordat het gedrukt kan worden. Bovendien is er een (beperkte) mogelijkheid tot correctie achteraf. Een voorbeeld daarvan biedt het conflict tussen Groen van Prinsterer en Van der Brugghen.

  • De Limburgse brievenkwestie

    Het aantal politieke schandalen in Nederland is niet groot; gemeten aan wat er aan het licht komt. Maar in 1865 beleefde het Binnenhof er één. Er werd een brief gepubliceerd van de minister van Financiën Betz aan zijn oud-collega Van der Maesen de Sombreff, die in Limburg in een verkiezingsstrijd gewikkeld was geweest. Daaruit kon worden afgeleid dat de minister niet ongenegen was een voorgenomen verhoging van de grondbelasting in Limburg te laten rusten indien de verkiezingen ten gunste van het tweede kabinet-Thorbecke zouden uitvallen.

  • Conflictenperiode 1866-1868

    In de periode 1866-1868 ontstonden diverse conflicten tussen kabinet en Tweede Kamermeerderheid. Het kabinet ontbond na nederlagen twee keer de Tweede Kamer in de hoop na verkiezingen te kunnen doorregeren. In 1866 lukte dat, maar in 1868 dolf het kabinet uiteindelijk het onderspit.

  • Amendement-Dumbar

    Nadat de Paus de souvereiniteit over de kerkelijke staat, welke bij Italië was ingelijfd, had verloren, maakte een liberaal amendement-Dumbar in 1871 een einde aan het Nederlands gezantschap bij het hoofd van de Rooms-katholieke Kerk. Het laatste kabinet-Thorbecke met zijn r.k.-minister van Buitenlandse Zaken, Gericke van Herwijnen had daartoe het initiatief niet willen nemen.

  • Kinderwetje van Van Houten

    Naarmate de politieke loopbaan van Thorbecke vorderde, nam ook het verzet in eigen liberale kring tegen zijn leiding toe. De 35-jarige Groninger afgevaardigde mr. S. van Houten maakte zich tot tolk van de jong-liberalen.

  • Het caoutchouc-artikel (1887)

    Uitbreiding van het kiesrecht was de eis in de jaren tachtig. De eerste vrouwelijke arts Aletta Jacobs had een vergeefse poging gewaagd op de kiezerslijst te worden geplaatst, met een beroep op de Grondwet van 1848, die met betrekking tot het censuskiesrecht vergeten had uitdrukkelijk onderscheid te maken tussen man en vrouw.

4.

Tweede Kamer


Meer over