Dorpsburgemeester

28 juli 2005, column Bert van den Braak

Vanaf 1 augustus telt onze Tweede Kamer tijdelijk 149 leden. Jan Rijpstra verlaat die dag formeel het parlement, nadat hij op 28 juni jongstleden al was 'uitgeluid' door Kamervoorzitter Frans Weisglas. Rijpstra heeft na een elfjarig lidmaatschap een 'vrije transfer' gekregen naar het burgemeesterschap van Tynaarlo. Hij was daar al op 15 april in functie getreden.

Voor wie het niet weet, het Drentse Tynaarlo ligt ten zuiden van de stad Groningen en is op 1 januari 1998 ontstaan door samenvoeging van Eelde, Vries en Zuidlaren. De gemeente telt ruim 32.000 inwoners. Overigens wonen in de gemeente zowel een Tweede- als Eerste-Kamerlid (Pieter Hofstra van de VVD en Hans Engels van D66).

Dat een Tweede-Kamerlid na een benoeming tot burgemeester (ook van een kleinere gemeente) afscheid neemt van het parlement is tegenwoordig normaal. In 1994 verliet de CDA'er Jan Krajenbrink kort voor de verkiezingen de Tweede Kamer toen hij burgemeester van Woudenberg werd. En eerder ging zijn partijgenoot Hajé Schartman hem voor na een benoeming in het Zuid-Hollandse Nootdorp.

In de negentiende eeuw kwam de combinatie Tweede-Kamerlid-burgemeester echter zeer regelmatig voor. Kamerleden waren toen vaak lokale grootheden, soms van adellijke afkomst en vaak in het bezit van landerijen in woonplaats en omgeving. Zij behartigden in Den Haag veelal direct de lokale en regionale belangen.

Aan het einde van de negentiende eeuw wijzigde het karakter van 'het doorsnee Tweede-Kamerlid'. Er kwamen meer partijpolitici en een regionale machtsbasis was minder van belang dan voorheen. Iemand kon gerust kandidaat zijn in een district zonder daar te wonen. De partijpolitieke kleur was belangrijker dan het 'geworteld zijn' in een district. De invoering van de evenredige vertegenwoordiging versterkte die tendens.

Toch bleven lange tijd de nodige 'Kamerlid-burgemeesters'. Tussen 1918 en 1945 ging het veelal om burgemeesters van kleinere gemeenten - die waren er toen ook veel meer dan nu -, maar ook burgemeesters van gemeenten als Zaandam (de eerste SDAP-burgemeester Klaas ter Laan), Delft, Maassluis en Hoogeveen combineerden hun ambt soms met het Kamerlidmaatschap.

Na 1945 bleef dat beeld lange tijd ongewijzigd. Sterker: VVD-fractievoorzitter Pieter Oud combineerde vier jaar het Kamerlidmaatschap met het burgemeesterschap van Rotterdam. Hij was toen voorzitter van een regeringsfractie. Zijn fractiegenoot in de achtkoppige VVD-fractie, Govert Ritmeester, was in dezelfde tijd (twee jaar) tevens burgemeester van Den Helder.

In 1961 werd de burgemeester van Nieuw-Ginneken (een randgemeente van Breda), Wim de Kort, fractievoorzitter van de KVP; in die tijd met vijftig leden de grootste regeringsfractie. Acht jaar later werd Edzo Toxopeus als fractievoorzitter van de VVD opgevolgd door de Wassenaarse burgemeester Molly Geertsema. Geertsema stond overigens bekend om zijn grote werklust en werkkracht (tegenwoordig heet dat 'workaholic').

In 1965 had de Tweede Kamer nog acht burgemeesters in haar midden. De bekendste 'dorpsburgemeester' was ongetwijfeld Maarten Schakel. Hij was in 1946, als oud-verzetsman, op jonge leeftijd burgemeester van de gemeenten Noordeloos, Hoogblokland en Hoornaar geworden. In 1964 werd hij Tweede-Kamerlid voor de ARP (later CDA). Hij bleef dat tot 1981.

Schakel combineerde de functie van burgemeester én het Kamerlidmaatschap ook nog eens met bestuursfuncties bij waterschappen, het voorzitterschap van de (grootschalige) ruilverkaveling in de Alblasserwaard en het voorzitterschap van de organisatie van protestants-christelijke wegvervoerders.

Het combineren van het lidmaatschap van de Tweede Kamer met andere functies wordt nu bijna als 'not done' beschouwd. Enerzijds wil de gemeente dat alle aandacht naar haar uitgaat. Anderzijds is het Tweede-Kamerlidmaatschap steeds veeleisender geworden. Terug verlangen naar de 'in de samenleving gewortelde' afgevaardigde is wat dat betreft weinig realistisch.



Andere recente columns