Gevolgen kabinetscrisis

Het uitbreken van een kabinetscrisis kan, afhankelijk van de oorzaak, verschillende gevolgen hebben. Enkele ministers (meestal van één partij) kunnen bijvoorbeeld ontslag nemen, ministers kunnen hun portefeuilles ter beschikking stellen, er kan een interim-kabinet komen of het zittende kabinet kan demissionair worden.

Met het aanbieden van ontslag geven bewindspersonen feitelijk aan direct 'weg' te willen. Het ter beschikking stellen van de portefeuille (of in het geval van minister zonder portefeuille, de functie) betekent dat een minister pas op termijn weg wil, afhankelijk van de uitkomst van bijvoorbeeld een (in)formatie.

Overigens kan de uitkomst materieel gezien hetzelfde zijn, want de koning kan in beide gevallen het verzoek in beraad houden. Als dat zo is, betekent het dat de ministers demissionair aanblijven tot er opvolgers zijn, of anders gezegd: tot er een nieuw kabinet is.

Aan de hand van de parlementaire geschiedenis worden de diverse varianten op een rij gezet.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Alle ministers bieden ontslag aan

Na de kabinetscrises van 1955, 1960, 1965, 1966, 1981, 1989, 1999, april 2002 en oktober 2002 boden alle ministers hun ontslag aan.

In 1955, 1960, 1966, 1989 gebeurde dat na een conflict met de (meerderheid) van de Tweede Kamer. In 1955, 1960 en 1981 werden geslaagde lijmpogingen ondernomen, waarna de ministers konden terugkomen op hun ontslagaanvrage.

In 1965 was een intern conflict over de omroep reden voor de ontslagaanvrage. De lijmpoging die hierop volgde, mislukte en daarna werd een nieuw kabinet (het kabinet-Cals) gevormd.

In 1999 was de verwerping van het grondwetsvoorstel over het correctief referendum in de Eerste Kamer voor alle ministers en staatssecretarissen reden hun ontslag aan te bieden.

In april 2002 was er geen conflict (noch met de Kamer, noch intern), maar namen alle ministers de verantwoordelijkheid op zich van het mislukte beleid rond Srebrenica.

In oktober 2002 waren de problemen rond de LPF-ministers Bomhoff en Heinsbroek reden voor CDA en VVD om hun steun aan het kabinet op te zeggen. Alle ministers boden daarop hun ontslag aan.

2.

Eén of meer ministers bieden ontslag aan, andere stellen portefeuilles ter beschikking

In 1951 bood VVD-minister Stikker zijn ontslag aan en zagen de overige ministers daarin aanleiding hun portefeuilles en functies ter beschikking te stellen. Hetzelfde deed zich voor in 1958 na aanneming van een onaanvaardbaar verklaard amendement. De PvdA-ministers boden hun ontslag aan en de overige ministers stelden hierna hun portefeuilles (en functie) ter beschikking.

In 1972 konden de ministers van DS'70 zich niet verenigen met het financieel-economisch beleid. Hun ontslagaanvrage was reden voor de overige ministers om hun portefeuilles (en functie) ter beschikking te stellen. Zij deden dat overigens pas drie dagen nadat de DS'70-bewindslieden te kennen hadden gegeven op te stappen.

De uitkomst van kabinetsberaad over de grondpolitiek was in 1977 voor de bewindslieden van KVP en ARP reden om hun ontslag aan te bieden. Zij waren het niet eens met het genomen meerderheidsbesluit over herziening van de Onteigeningswet. De ontslagaanvrage was voor de overige ministers reden hun portefeuilles en functies ter beschikking te stellen.

In 1982 konden de PvdA-ministers zich niet verenigen met een ministerraadsbesluit over het financieel-economisch beleid. Zij en de PvdA-staatssecretarissen boden daarom hun ontslag aan. Voor de bewindslieden van D66 was dit reden direct hun portefeuilles ter beschikking te stellen. De CDA-bewindslieden namen (later diezelfde dag) na intern beraad een overeenkomstig besluit.

Bij de crisis in 2006 was de ontslagaanvrage door de D66-bewindslieden voor de ministers van CDA en VVD reden om hun portefeuilles en functies ter beschikking te stellen.

In 2010 boden de bewindslieden van PvdA-huize hun ontslag aan en stelden de ministers van CDA en ChristenUnie hun portefeuilles ter beschikking.

3.

Volledige zittende kabinet demissionair verder

Na het uitbreken van de crises in 1977, 1989 en april 2002 bleven alle bewindslieden demissionair aan (de ontslagaanvrage werd door de koningin in beraad gehouden).

Omdat de crisis in 1977 kort voor de reeds geplande verkiezingen uitbrak, werd vorming van een interim-kabinet onnodig geacht. Het demissionaire kabinet moest wel de Tweede Kamer ontbinden en (vervroegde) verkiezingen uitschrijven, omdat afhandeling van de grondwetsherziening (die automatisch tot kamerontbinding zou hebben geleid) door de Eerste Kamer werd uitgesteld.

In 1989 ontstond een conflict tussen de VVD-fractie en het kabinet-Lubbers II over het reiskostenforfait. Alle ministers zagen hierin aanleiding om hun ontslag aan te bieden, maar dit verzoek werd pas ingewilligd na de verkiezingen en na vorming van een nieuw kabinet (Lubbers III). Het demissionaire kabinet schreef nieuwe verkiezingen uit.

In april 2002 bleven eveneens alle ministers demissionair aan. Vanwege de grondwetsherziening in eerste lezing was de Tweede Kamer al ontbonden; verkiezingen waren op het moment van het uitbreken van de crisis dan ook al uitgeschreven

4.

Zittend kabinet als 'romp-kabinet' verder

Na het uitbreken van de crisis in 1972 werd aan de DS'70-bewindslieden ontslag verleend. Premier Biesheuvel kreeg de opdracht een kabinet te formeren. Hij poogde de breuk met DS'70 te lijmen, waarbij hij de hulp inriep van een adviseur, oud-minister Y. Scholten. Toen deze poging niet slaagde, kwamen de bewindslieden van KVP, ARP, CHU en VVD terug op hun besluit om hun portefeuilles en functies ter beschikking te stellen.

In feite regeerde het kabinet-Biesheuvel (als 'romp'-kabinet) verder. De post van minister Drees was al direct overgenomen door minister Udink en minister Van Veen nam de taken over van minister De Brauw. Dit (missionaire) minderheidskabinet schreef (na enige tijd) nieuwe verkiezingen uit en diende de begroting 1973 in.

In oktober 2003 boden alle ministers hun ontslag aan. Dit werd verleend aan de ministers Bomhoff en Heinsbroek, terwijl de overige ministers demissionair aanbleven. De opengevallen posten werden opgevuld door zittende bewindslieden. Het demissionaire kabinet ontbond de Kamer en schreef verkiezingen uit. Omdat er geen conflict met de Kamer was, ging het om een demissionair meerderheidskabinet.

Na het vertrek van de PvdA-ministers in 2010 namen twee staatssecretarissen (De Jager en Huizinga-Heringa) en andere ministers de opengevallen portefeuilles over. In feite was er dus noch een volledige nieuw kabinet, noch een interim-kabinet. Maar het 'romp'-kabinet functioneert wel als 'interim-kabinet', want behalve het organiseren van de voor 9 juni uitgeschreven verkiezingen, behartigt het (minderheids)kabinet alleen de lopende zaken. Bovendien is het kabinet vooral in politieke zin anders samengesteld dan voor de crisis. Daarmee is er een overeenkomst met het (tweede) kabinet-Biesheuvel dat doorregeerde in gewijzigde politieke samenstelling.

5.

Vorming interim-kabinet

Na het uitbreken van de crisis in 1958 slaagde minister van Staat Beel er in een interim-kabinet te vormen, waarvan hij zelf de leiding op zich nam. De posten van de PvdA-ministers, aan wie ontslag werd verleend, werden door zittende ministers waargenomen. Het interim-kabinet ontbond direct de Kamer en schreef verkiezingen uit.

In 1966 werd door oud-minister Zijlstra een interim-kabinet gevormd, dat verkiezingen uitschreef en de begroting 1967 voor zijn rekening nam. Ook het belangrijke wetsvoorstel over de omroep werd tijdens dit kabinet behandeld. De zittende ministers van KVP (met uitzondering van minister Bogaers) en ARP keerden terug en de opengevallen posten werden opgevuld. Het kabinet-Zijlstra was een minderheidskabinet.

Na verkenningen door informateur Steenkamp werd in 1982 een derde kabinet-Van Agt gevormd. De posten van de PvdA-ministers, aan wie ontslag werd verleend, werden opgevuld. Enkele CDA-staatssecretarissen (Deetman, De Boer en De Graaf) werden minister en premier Van Agt nam Buitenlandse Zaken 'erbij'. D66 kreeg twee nieuwe ministers, Rood en Nypels. Ook dit minderheidskabinet schreef direct verkiezingen uit.

Strikt genomen zou ook het in 1951 gevormde tweede kabinet-Drees als een interim-kabinet kunnen worden beschouwd. Feitelijk ging het echter om voortzetting in nieuwe samenstelling van het kabinet-Drees I. Stikker en de enkele andere ministers behielden hun post en daarnaast werden er zes nieuwe ministers benoemd.


Meer over