Parlementaire ondervraging

De parlementaire ondervraging is een instrument van de Tweede Kamer. Het is een tussenvorm tussen een parlementair onderzoek en een parlementaire enquête. Net zoals bij een parlementaire enquête zijn getuigen bij een parlementaire ondervraging verplicht om te verschijnen en worden zij onder ede gehoord. Aan een parlementaire ondervraging hoeft echter geen uitgebreid dossieronderzoek vooraf te gaan aan de mondelinge informatievergaring, wat bij de enquête wel het geval is. In die zin lijkt de parlementaire ondervraging meer op het parlementair onderzoek, waarbij de getuigen echter geen verschijningsplicht hebben of onder ede worden verhoord. De parlementaire ondervraging biedt de Kamer daarom de mogelijkheid om een snel onderzoek uit te voeren waarbij getuigen en deskundigen op dezelfde wijze kunnen worden verhoord als bij een parlementaire enquête.

Parlementaire ondervragingen zijn openbaar en worden volledig in woord en beeld vastgelegd en openbaar toegankelijk gemaakt. Op basis van de ondervraging wordt een verkort verslag opgemaakt. Er wordt geen rapport met conclusies en aanbevelingen gemaakt, zoals bij een parlementaire enquête wel het geval is. Daarom wordt ook wel naar de parlementaire ondervraging verwezen als een 'mini-enquête' of 'flitsenenquête'.

De parlementaire ondervraging bevindt zich nu in een vijfjarige testfase. De Wet op de parlementaire enquête werd in 2008 grondig gemoderniseerd. Het functioneren van deze vernieuwde wet is door de Tijdelijke Commissie Evaluatie Wet Parlementaire Enquête (Wpe 2008), onder leiding van Ronald van Raak, geanalyseerd. Deze commissie heeft de Kamer aanbevolen om aan de hand van het Tijdelijk protocol parlementaire ondervraging gedurende een periode van vijf jaar ervaring op te doen met de parlementaire ondervraging. Voor een wijziging van de wet achtte de commissie het nog te vroeg. De testfase is in 2016 van start gegaan.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Wettelijke regeling

Omdat de parlementaire ondervraging geen juridische grondslag kent, moet de commissie die een parlementaire ondervraging uitvoert juridisch worden beschouwd als een enquêtecommissie, zoals gedefinieerd in de Wpe 2008. Daarom heeft de commissie parlementaire ondervraging in principe dezelfde bevoegdheden als de enquêtecommissie. Van de commissie wordt echter verwacht dat zij handelt in de geest van het Tijdelijk protocol parlementaire ondervraging. Concreet betekent dit dat van de commissie wordt verwacht dat zij geen gebruik maakt van de bevoegdheden om schriftelijke inlichten te vorderen, documenten te vorderen of plaatsen te betreden.

2.

De organisatie van een parlementaire ondervraging

Het Reglement van Orde van de Tweede Kamer stelt dat voor het houden van een parlementaire enquête een meerderheidsbesluit van de Kamer nodig is, waarna een enquêtecommissie wordt ingesteld. Omdat de parlementaire ondervraging een verkorte versie van de parlementaire enquête is, geldt dit ook voor de ondervraging. Van de commissie wordt echter verwacht dat zij geen groot voorbereidend literatuuronderzoek uitvoert, waardoor het de ondervraging als geheel sneller afgerond kan worden.

Verder is de procedure van het de parlementaire ondervraging gelijk aan die van de parlementaire enquête. De commissie kiest zelf een voorzitter en ondervoorzitter(s) en brengt na afronding van de ondervraging verslag uit aan de Tweede Kamer. Net zoals bij de parlementaire enquête zijn alle Nederlanders, ingezetenen en in Nederland verblijvende personen verplicht om informatie te verstrekken of om onder ede te verschijnen als getuige of deskundige wanneer de commissie daar om vraagt. Wanneer zij niet meewerken, kunnen zij voor een periode van zes maanden worden gegijzeld.

3.

Gebruik van parlementaire ondervraging

Er is tot nu toe tweemaal gebruik gemaakt van parlementaire ondervraging. De eerste keer betrof het een Parlementaire ondervraging over fiscale constructies, die tot doel had het doorsluizen van kapitaal via in Nederland gevestigde brievenbusfirma's en het wegsluizen van particuliere vermogens naar buitenlandse doelvennootschappen te onderzoeken. Voorzitter van de commissie was Henk Nijboer (PvdA). Het verslag van de ondervraging - 'Papieren werkelijkheid' - werd op 7 juli 2017 gepubliceerd.

De tweede ondervragingscommissie ging op 2 juli 2019 van start. Deze ondervraging betreft de ongewenste beïnvloeding van maatschappelijk en religieuze organisaties, zoals moskeeën, vanuit het buitenland. Voorzitter is Michel Rog van het CDA.


Meer informatie