Vergeten Belgen

2 augustus 2013, column Bert van den Braak

Deze column gaat over 'Belgen', maar eigenlijk is dat niet helemaal juist. Toen in 1815 het Verenigde Koninkrijk (de naam die Nederland in 1814 kreeg) werd uitgebreid met de voormalige Oostenrijkse Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg werden alle inwoners immers 'Nederlanders'. En dat bleven zij tot 1830. Dat neemt niet weg dat de Kamerleden uit de acht zuidelijke provincies, net als die uit het Groothertogdom, als groep (als Belgen) herkenbaar waren in de Nederlandse Tweede Kamer.

Dat 'groepsbeeld' werd niet zo zeer bepaald door taal (vrijwel alle zuidelijke leden spraken in het parlement Frans, maar dat deden veel noordelijke leden ook nog) of geloof (alle zuidelijken waren katholieken, de noordelijken vrijwel allen protestants), al waren dat belangrijke factoren. Belangrijker was de bestuurlijke traditie waaruit deze leden kwamen. De noordelijke leden kwamen uit een regenteske bestuurscultuur van 'persuasie en moderatie' die de zuidelijke leden niet kenden. Zij schuwden retorische technieken niet, noch het bespelen van het publiek. Om het in modernere termen te vervatten: voor de noordelijke leden was het parlement allereerst een marktplaats, voor de zuidelijken was het vooral een theater.

Toen in 1815 de koning nog zelf de leden benoemde (Provinciale Staten bestonden nog niet), putte hij in beide landsdelen uit de kleine kring van 'aanzienlijken'. In het Noorden waren dat vooral voormalige stedelijke regenten en (adellijke) landeigaren. Voor het Zuiden werden vooral rijke grootgrondbezitters (die overigens op lokaal en regionaal niveau soms ook gerechtelijke en bestuursfuncties uitoefenden) en voormalige Oostenrijkse hofdignitarissen Tweede Kamerlid. Van die eerste lichting zuidelijke leden waren er na 1819 van de 55 overigens nog slechts 15 over. Dat betekende niet dat er daardoor een heel ander 'type' Kamerlid was gekomen. De gekozen leden waren wel veel kritischer dan hun benoemde voorgangers. Spoedig voerden zij krachtig oppositie tegen het beleid van de koning.

Nu waren er genoeg redenen om tegen dat beleid bezwaren te maken. Allereerst had het 'Zuiden' bij de vereniging een grotere noordelijke staatsschuld als 'bruidschat' gekregen. Daarnaast was het bevolkingsrijkere Zuiden ondervertegenwoordigd in het parlement (uit beide delen kwamen 55 leden). De koning trok zich bovendien niet alleen weinig aan van kritiek (die overigens niet alleen van zuidelijke leden kwam), maar trachtte de oppositie ook via het strafrecht zoveel mogelijk tegen te werken.

Debatten over censuurmaatregelen, belastingen (vrijhandel of protectie), de begroting, de wijze waarop de schuldenproblematiek werd aangepakt en openbaarheid van financiën, werden gelegenheden waarbij zuidelijken zich niet alleen veel meer konden laten gelden, maar dat ook daadwerkelijk deden. Waren de noordelijken leden vooral gewend om in beslotenheid te zoeken naar compromissen, de zuidelijken richtten zich vaak nadrukkelijk tot de publieke tribune. Sinds 1815 waren de vergaderingen van de Tweede Kamer immers openbaar en bovendien vonden die om het jaar in Brussel plaats. Juist daar moest enkele keren de publieke tribune worden ontruimd.

De oratorische talenten van de zuidelijke leden waren groter dan van de meeste van hun noordelijke collega's. De voornaamste woordvoerders van de Zuid-Nederlandse oppositie waren opgeleid aan (soms Franse) universiteiten en hadden ervaring vaak opgedaan als advocaat. Dat gold bijvoorbeeld voor de Vlamingen Th. Dotrenge en L.A. Repyphins, voor E.C. De Gerlache uit Luik, voor de Brusselaar A.J. Barthélemy, en voor Ch.A.J. Le Hon uit Henegouwen. Zij spraken vaak meeslepend en schuwden theatrale effecten soms niet. Toen in 1817 minister Six van Oterleek van Financiën weigerde staande in te gaan op kritiek van Kamerleden, strafte Dotrenge die houding af door zelf demonstratief ook direct weer te gaan zitten nadat hem het woord was verleend.

De noordelijke oppositieleden, van wie G.K. van Hogendorp, J.G. van Nes van Meerkerk en A. Warin, de voornaamste vertegenwoordigers waren, waren oratorisch minder vaardig en zij waren ook niet uit op 'publiek effect'. Van Hogendorp werd bovendien gehinderd door zijn gezondheid (jicht) en Van Nes werd 'slachtoffer' van het vermogen van de koning om oppositionelen van tijd tot tijd uit het parlement te weren. Na het vertrek in 1830 van de 'Belgen' kwam de Tweede Kamer daardoor in rustiger vaarwater. Bezwaren tegen de financiële politiek van de koning bleven bestaan en werden geuit, maar in Den Haag ging het er kalmer aan toe dan in Brussel. De uiteindelijke totale mislukking van het beleid van de koning, waartoe diens weigering tot 1839 om vrede te sluiten met de Belgen in belangrijke mate had bijgedragen, was veel meer een onvermijdelijkheid dan dat de Tweede Kamer daarin een beslissende rol speelde.

Theater werd de Nederlandse Tweede Kamer na 1830 goed beschouwd slechts zelden. Pas eind negentiende eeuw werd weer meer voor de bühne gesproken en feitelijk zorgde vooral de intrede van de televisie rond 1960 daar nog het meest voor. Tot een jaar of tien geleden waren uitingen van instemming of afkeuring door Kamerleden bovendien uitzonderlijk en zelfs eigenlijk 'not done'. De geestdrift van de 'Belgen' is goedbeschouwd maar flauwtjes teruggekeerd in het Nederlandse parlement. Zou dat de reden zijn waarom we hen zijn vergeten?


Andere recente columns