Motie

Moties zijn uitspraken van de Tweede of Eerste Kamer, die door één of twee Kamerleden of door een commissie worden voorgesteld, bijvoorbeeld:

  • over het vertrouwen in het kabinet of een bewindspersoon
  • reacties op (nieuwe) ontwikkelingen
  • over meer beleidsmatige aandacht voor een onderwerp
  • meer of minder geld voor een bepaald beleidsonderdeel

Een motie wordt vaak gebruikt om een conclusie van een debat of een actiepunt voor een minister (of staatssecretaris) vast te leggen. Moties komen veel voor bij de bespreking van regeringsnota's en -notities in de Tweede Kamer.

Procedure

Een motie kan worden ingediend door één of meerdere Kamerleden (mits vijf leden die indiening ondersteunen) en kan in stemming worden gebracht. Als de Kamer vóór stemt, is er sprake van een Kameruitspraak. Soms wordt een motie nog voor de stemming ingetrokken. Dit is met name het geval als een bewindspersoon al direct belooft te doen wat in de motie wordt gevraagd.

Indiening in een debat is alleen mogelijk in eerste termijn als geen ander lid daartegen bezwaar heeft.

Een motie vervalt in principe als er na twee maanden (exclusief een recesperiode) nog niet over is gestemd.

Oordeel bewindspersoon

Voor de stemming over een motie geeft de betrokken bewindspersoon daarover een oordeel. Dat kan zijn:

  • dat het oordeel aan de Kamer wordt overgelaten
  • dat aanneming wordt ontraden of zelfs ernstig ontraden
  • dat aanneming onaanvaardbaar is

Het kabinet of een bewindspersoon is niet verplicht een aangenomen motie uit te voeren. Het kabinet kan ook - nog voor stemming - laten weten dat het een eventuele aanneming van de motie (sterk) afraadt of de motie als 'onaanvaardbaar' bestempelen. Als een voor het kabinet onaanvaardbare motie toch wordt aangenomen, leidt dit in de praktijk tot een kabinetscrisis.

Hoewel gewone moties als niet-bindend gelden, ligt dat anders bij een motie waarin een negatief oordeel over het beleid van een bewindspersoon of het gehele kabinet wordt uigesproken. Zo'n motie kan namelijk beschouwd worden als het ontbreken van vertrouwen en kan het aannemen van een dergelijke motie leiden tot het aftreden van de minister of tot de val van het kabinet.

Sinds 2016 is het mogelijk dat stemming over een motie achterwege blijft en de motie wordt overgenomen. Dat gebeurt als de regering laat weten zich met de inhoud te kunnen verenigen en geen van de aanwezige leden zich daar tegen verzet.

Vertrouwen

Nederland kent niet, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, de 'motie van vertrouwen', waarbij de meerderheid van de Kamer voor steun van het kabinet tekent.

Motie van afkeuring of wantrouwen

Er zijn twee soorten moties waarmee de Tweede Kamer ernstige kritiek op een bewindspersoon kan verwoorden: de motie van afkeuring en de motie van wantrouwen. Het onderscheid tussen beide soorten is in de praktijk overigens niet altijd even duidelijk. Moties van afkeuring of wantrouwen worden geregeld ingediend, maar zelden aangenomen.

Motie van treurnis

Soms neemt de Kamer een 'motie van treurnis' aan. Dat is een mildere vorm van afkeuring en hoeft bij aanneming dan ook geen consequenties te hebben.

Motie uitvoeren?

Het is aan het kabinet om te beslissen wat er met een aangenomen motie gebeurt. Hier geldt 'de regering regeert' (de Kamer moet niet op de stoel van de regering gaan zitten). Er zijn talrijke voorbeelden van niet-uitgevoerde moties.

Een bekend voorbeeld is de motie-Van der Ploeg/Ybema uit 1997 over het aan nieuwe studenten verlenen van een keuze tussen de OV-week- of weekendkaart. De tot minister Zalm gerichte motie ontlokte aan de minister de uitroep: "Wij voeren de motie niet uit!!" (hetgeen overigens tot algehele hilariteit in de Kamer leidde). De motie was aangenomen met steun van de regeringsfracties PvdA en D66 en van de oppositie. Regeringsfractie VVD (en het kabinet-Kok I) waren tegen.

In 1980 nam de Tweede Kamer met steun van de linkse oppositie en enkele CDA'ers een motie-Ter Beek aan waarin om een olieboycot van Zuid-Afrika werd gevraagd. Na lang beraad deelde minister-president Van Agt mee dat het kabinet de motie niet zou uitvoeren. PvdA-fractieleider Den Uyl diende hierop een motie van afkeuring (bedoeld was 'wantrouwen') in, die echter ternauwernood werd verworpen omdat slechts zes CDA'ers de motie steunden.

Een voorbeeld van een minister die werd weggestuurd vanwege het niet-uitvoeren van een motie was er in 1917. Tijdens een interpellatie was een motie-Marchant aangenomen waarin de minister was gevraagd jongere dienstplichtigen op te roepen voor oefening dan hij van plan was. Na weigering de motie uit te voeren, nam de Kamer een motie aan waarin dit werd betreurd.

De minister (Bosboom) beschouwde dit als een motie van wantrouwen en trad af. Diens opvolger, De Jonge, stelde zich echter op het zelfde standpunt als zijn voorganger en de motie bleef onuitgevoerd.

Cijfers

In het parlementaire jaar 2015/2016 zijn er ruim 3400 moties ingediend. 37 procent van de moties werd aangenomen, 47 procent werd door de Kamer verworpen. In deze periode konden moties voor het eerst worden overgenomen. Dit heeft de regering ongeveer 60 keer gedaan.


meer over

Wilt u meer weten over moties? Bijvoorbeeld over hoeveel moties er per jaar zijn ingediend of welke partij of Kamerlid de meeste moties krijgt aangenomen? In het biografisch archief van het Parlementair Documentatie Centrum zijn uitgebreide gegevens over Tweede Kamerleden opgenomen. Deze gegevens zijn onder voorwaarden beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek en journalistieke publicaties. Neem voor meer informatie contact op via het contactformulier.