Wat te doen met een kabinetscrisis?

29 december 2023, column J.Th.J. van den Berg

Dat wij over zoiets als ‘demissionaire kabinetten’ spreken is toe te schrijven aan de evenredige vertegenwoordiging die de relatie tussen verkiezingen en kabinetsvorming steeds nauwer heeft gemaakt. Het begin ligt in 1922, toen de gewoonte is ontstaan dat op de dag van de verkiezingen een zittend kabinet zijn ontslag indiende.

Daartoe bestond geen grondwettelijke verplichting, de Grondwet legt nauwelijks enige relatie tussen Kamerverkiezingen en kabinetsvorming. In dat jaar was de premier, de katholiek Ruijs de Beerenbrouck, ook niet van plan om ontslag in te dienen, want zijn meerderheid was alleen maar sterker geworden. Maar, de antipapistische koningin Wilhelmina en de protestantse politieke leiders vonden een katholieke premier eigenlijk maar niks en verzonnen allerlei staatsrechtelijke smoezen om Ruijs alsnog tot ontslag te dwingen. Veel helpen deed het niet: hij nam weliswaar ontslag, maar keerde na de formatie onder druk van de katholieke Kamerfractie weer terug.

Intussen geldt de gewoonte om op verkiezingsdag als kabinet ontslag te vragen als een nette staatsrechtelijke conventie. Om allerlei redenen is het ook beter zo, maar de oorsprong van die nette gewoonte is een staaltje politieke machtsstrijd die met netheid weinig te maken had. Zulk een combinatie van opportunisme en vorming van conventies heeft het verschijnsel ‘demissionair’ voortdurend begeleid1).

Zo werd het kabinet-Drees IV in 1958 niet vervangen door een kabinet van ander politiek karakter, maar door een overgangskabinet onder leiding van de katholiek L.J.M. Beel. Die besloot vervolgens tot Kamerontbinding en nieuwe verkiezingen. Niet uit liefde voor de kiezers, maar om de PvdA van Drees de weg af te snijden naar twee jaar gevaarlijke oppositie. Intussen vinden wij het een nette conventie om in geval van kabinetscrisis een ‘interim-kabinet’ te vormen dat de Kamer ontbindt en verkiezingen uitschrijft. Zo ging het immers niet alleen in 1958, maar vervolgens ook in 1966 (kabinet-Cals), 1972 (kabinet-Biesheuvel), 1982 (kabinet-Van Agt II) en in 2006 (kabinet-Balkenende II).

Wat is daar waardevol aan? De gedachte erachter is gelegen in het karakter van een kabinet dat zijn ontslag heeft gevraagd. Daarvoor geldt dat het niet meer kan worden weggestuurd met behulp van een wantrouwensvotum, hoewel het als demissionair kabinet wel besluiten moet nemen, die soms verder gaan dan politieke routine. Dat is in de laatste vijftig jaar alleen maar sterker geworden: de Europese samenwerking kan niet op kabinetten wachten die niet kunnen beslissen; de Nederlandse samenleving heeft evenmin veel geduld als het om urgente kwesties gaat. In plaats van een vleugellam demissionair kabinet heb je dan meer aan een interim-kabinet dat weliswaar Kamerontbinding als eerste opdracht heeft en dus een kort bestaan tegemoet gaat, maar dat overigens ten volle verantwoordelijk is en dus ook het vertrouwen kan verliezen.

Dat is belangrijk, omdat sinds jaar en dag de stelregel geldt dat een demissionair kabinet niet kan worden ontslagen door de Kamer, omdat het formeel al is ontslagen. P.J. Oud meende in zijn tijd zelfs dat ook individuele demissionaire ministers niet meer konden worden weggestuurd, omdat zij al ontslag hadden gevraagd. Eigenlijk wel consequent, maar intussen geldt als norm dat individuele ministers van een demissionair kabinet wel uit hun ambt kunnen worden verwijderd.

Geldt dat ook voor de minister-president, was de vraag die onlangs door Carla Joosten in EW Magazine aan de orde werd gesteld?2) En zo ja, hoe zou dat dan moeten? Relevante vraag, omdat in de Kamer na de ontslagaanvrage van het kabinet op 7 juli serieus is overwogen een motie van wantrouwen in te dienen tegen premier Rutte. Dat kan echter niet. Het ontslag eisen van de premier staat gelijk aan een motie van wantrouwen tegen het kabinet als geheel. ‘Premier weg, kabinet weg’3), gold al in 1860 en het is in 2002 nog eens bevestigd door het aftreden van premier Kok; het kabinet moest met hem mee. Als niettemin de Kamer op 10 juli een motie van wantrouwen tegen de premier had aangenomen, had hij die noodgedwongen naast zich neer moeten leggen. Er zou immers geen kabinet meer zijn geweest. Dat is ons gelukkig bespaard gebleven.

Maar, als nu in de Kamer het sterke verlangen leeft zich van de zittende premier in persoon te ontdoen, kan dat dan helemaal niet? Jawel, dat kan wel, maar niet met zo’n suffe motie van wantrouwen. Daarover in de volgende column.




Andere recente columns