Jhr.Mr. Ch.J.M. (Charles) Ruijs de Beerenbrouck

foto Jhr.Mr. Ch.J.M. (Charles) Ruijs de Beerenbrouckvergrootglas

Limburgse katholieke staatsman die in het interbellum driemaal minister-president en in twee periodes Tweede Kamervoorzitter was. Na advocaat en ambtenaar van het Openbaar Ministerie te zijn geweest, werd hij Tweede Kamerlid. In 1918 volgde hij zijn vader op als Commissaris van de Koningin in Limburg, maar spoedig daarna werd hij kabinetsleider. Zijn eerste kabinet kreeg te maken met problemen die samenhingen met de Eerste Wereldoorlog en de afloop daarvan, zoals voedselschaarste en de vlucht van de Duitse keizer naar Nederland. Beantwoordde in november 1918 Troelstra's revolutiepoging met de aankondiging van hervormingen (achturendag, vrouwenkiesrecht). Tijdens zijn laatste kabinet brak de economische wereldcrisis uit. Hoffelijke edelman en goed teamleider, die ook door niet-geloofsgenoten werd gewaardeerd. Als minister van Binnenlandse Zaken echter niet zo doortastend.

Algemeene Bond (RKSP), RKSP
in de periode 1905-1936: lid Tweede Kamer, voorzitter Tweede Kamer, minister, minister-president, Commissaris van de Koning(in), minister van staat

voornamen (roepnaam)

Charles Joseph Marie (Charles)

personalia

geboorteplaats en -datum
Roermond, 1 december 1873

overlijdensplaats en -datum
Utrecht, 17 april 1936

begraafplaats en -datum
Vierakker, familiegraf landgoed Suideras, 21 april 1936

levensbeschouwing
Rooms-Katholiek

opmerkingen over de naam en/of titel
Familienaam bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 21 maart 1895 veranderd van 'Ruijs van Beerenbroek' in 'Ruijs de Beerenbrouck'

partij/stroming

partij(en)
RKSP (Roomsch-Katholieke Staatspartij)

hoofdfuncties en beroepen

  • advocaat en procureur te Maastricht, van 1896 tot 1 augustus 1901
  • kantonrechter-plaatsvervanger te Maastricht, van 1896 tot 1 augustus 1901
  • lid gemeenteraad van Maastricht, van september 1899 tot 9 september 1918
  • ambtenaar voor de kantongerechten in het arrondissement Maastricht, Openbaar Ministerie te Maastricht, van 1 augustus 1901 tot 1 oktober 1905
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 september 1905 tot 21 september 1909 (voor het kiesdistrict Gulpen)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 7 december 1909 tot 16 mei 1918 (voor het kiesdistrict Gulpen)
  • regeringscommissaris voor de Belgische vluchtelingen, van 11 oktober 1914 tot 16 mei 1918
  • Commissaris van de Koningin in Limburg, van 16 mei 1918 tot 8 september 1918 (benoemd bij K.B. van 7 mei 1918)
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 9 september 1918 tot 1 januari 1923
  • voorzitter van de ministerraad, van 9 september 1918 tot 3 augustus 1925 (tot 26 september 1922 formeel tijdelijk voorzitter)
  • minister van Marine ad interim, van 20 februari 1919 tot 16 april 1919 (na het aftreden van minister Bijleveld)
  • waarnemend minister van Koloniën, van 13 augustus 1919 tot 12 november 1919 (na het aftreden van minister Idenburg)
  • minister van Oorlog ad interim, van 5 januari 1920 tot 30 maart 1920 (na het aftreden van minister Alting von Geusau)
  • minister van Landbouw, Nijverheid en Handel ad interim, van 13 september 1922 tot 1 maart 1923 (na het aftreden van Van IJsselstein en in afwachting van een reorganisatie)
  • minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, van 1 januari 1923 tot 3 augustus 1925 (afdeling Landbouw bij besluit van 24 november 1922, Stb. 178 toegevoegd)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 juli 1922 tot 18 september 1922
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 15 september 1925 tot 10 augustus 1929
  • voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 september 1925 tot 10 augustus 1929
  • minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, van 10 augustus 1929 tot 1 mei 1932 (bij besluit van 8 december 1931, Stb. 501 naam gewijzigd in "Binnenlandse Zaken")
  • voorzitter van de ministerraad, van 10 augustus 1929 tot 26 mei 1933
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 1 mei 1932 tot 25 mei 1933
  • minister van Buitenlandse Zaken ad interim, van 20 april 1933 tot 25 mei 1933 (na het aftreden van minister Beelaerts van Blokland)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 9 mei 1933 tot 17 april 1936
  • voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 31 mei 1933 tot 17 april 1936

ambtstitel
  • minister van staat, van 25 juli 1927 tot 17 april 1936

takenpakket (bewindspersoon)
  • Was in 1932-1933 tevens belast met werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling

(in)formateurschap(pen)
  • kabinetsformateur, van 29 augustus 1918 tot 6 september 1918
  • kabinetsformateur, van 22 juni 1921 tot 26 juli 1921 (poging mislukt)
  • kabinetsformateur, van 22 juli 1922 tot 8 september 1922
  • kabinetsformateur, van 12 juli 1929 tot 9 augustus 1929

partijpolitieke functies

  • voorzitter Algemeene Bond van Roomsch-Katholieke Rijkskiesvereenigingen, van 7 november 1925 tot augustus 1929 (sinds 26 maart 1926 Roomsch-Katholieke Staatspartij)
  • voorzitter commissie kiesreglement RKSP, 1927

lijsttrekkerschap etc.
  • lijstaanvoerder RKSP Tweede Kamerverkiezingen 1929 (in de kieskringen Rotterdam, 's-Gravenhage en Amsterdam)

nevenfuncties

  • lid bestuur Limburgsche Rooms-Katholieke Werkliedenbond, bisdom Roermond
  • juridisch adviseur vakvereniging van aardewerkers "God en ons Recht" te Maastricht, vanaf 1897
  • juridisch adviseur vakvereniging van glasblazers "Recht en Orde" te Maastricht, vanaf 1897
  • lid bestuur R.K. bond tot drankbestrijding "Sobriëtas", van 1899 tot 1918
  • secretaris R.K. Volksbond te Maastricht, vanaf 1899
  • kamerjonker in buitengewone dienst van Koningin Wilhelmina, van 1903 tot 28 augustus 1913
  • lid Raad van Adviseurs ABCM (Algemeene Bond van Christelijke Mijnwerkers), vanaf 1907
  • lid commissie voor onderwijs in eerste hulp bij ongevallen, van 6 maart 1907 tot 1 januari 1911
  • voorzitter KSA (Katholieke Sociale Actie), van 1908 tot 1911
  • voorzitter Vereeniging tot Bevordering van de Volkszang in Limburg, vanaf 1909
  • lid Staatscommissie voor de inwendige organisatie van de departementen van Algemeen Bestuur (Staatscommissie-Van Leeuwen), van 10 september 1910 tot 28 maart 1912
  • lid Centraal College voor de Reclassering, van 11 januari 1911 tot 1917
  • lid Raad van Commissarissen N.V. Constructie Werkplaats Limburg te Heerlen, vanaf 1912
  • kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina, van 28 augustus 1913 tot 17 april 1936
  • lid Staatscommissie inzake de rechtstoestand van de ambtenaar (Staatscommissie-Dresselhuys), van 21 mei 1917 tot september 1918
  • lid Commission for the Relief in Belgium, van mei 1917 tot mei 1918
  • voorzitter Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening, van 20 december 1918 tot 27 oktober 1920
  • voorzitter Staatscommissie inzake de radio-omroep, vanaf 15 oktober 1925 (nog in 1927)
  • lid College van Curatoren Katholieke Handels-Hoogeschool te Tilburg, van april 1926 tot augustus 1929
  • lid College van Curatoren Rijksuniversiteit Leiden, van 13 december 1926 tot augustus 1929
  • lid College voor de Visscherijen, van 1 juli 1927 tot 17 april 1936
  • voorzitter comité oprichting gedenkteken voor Mgr. Ariëns, 1928
  • lid Raad van Commissarissen "De Nederlandsche Bank", van februari 1929 tot augustus 1929
  • lid Raad van Commissarissen N.V. Hollandsche IJzeren-Spoorweg Maatschappij en N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, omstreeks 1931
  • voorzitter Mijnraad, van 1 oktober 1933 tot 17 april 1936
  • lid ereraad in affaire-Van 't Sant, 1934 (beschuldigingen tegen de Haagse politiecommissaris Van 't Sant over oplichting)
  • lid Bosraad, van april 1934 tot 17 april 1936
  • vooorzitter Nationale Federatie "Wit-Gele Kruis", van september 1935 tot 17 april 1936
  • voorzitter Nationaal Comité van Aanbeveling voor de KRO, 1935

afgeleide functies, presidia etc.
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van januari 1913 tot april 1913
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van november 1916 tot februari 1917
  • voorzitter Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 17 september 1925 tot 10 augustus 1929
  • voorzitter Huishoudelijke Commissie (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 17 september 1925 tot 10 augustus 1929
  • voorzitter vaste commissie voor Buitenlandse Zaken (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 17 september 1925 tot 10 augustus 1929
  • voorzitter Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 31 mei 1933 tot 17 april 1936
  • voorzitter Huishoudelijke Commissie (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 31 mei 1933 tot 17 april 1936
  • voorzitter vaste commissie voor Buitenlandse Zaken (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 31 mei 1933 tot 17 april 1936

comités van aanbeveling, erefuncties etc.
erevoorzitter Comité van Aanbeveling herbouw Benedictijnerklooster te Egmond, 1935

opleiding

voortgezet onderwijs
  • gymnasium te Maastricht
  • gymnasium te 's-Gravenhage

academische studie
  • rechtswetenschap (niet voltooid), Rijksuniversiteit Utrecht
  • rechtsgeleerdheid (gepromoveerd op dissertatie), Rijksuniversiteit Leiden, van 28 september 1892 tot 17 december 1895

activiteiten

als parlementariër
  • Hield zich als Tweede Kamerlid (1905-1918) vooral bezig met juridische zaken en arbeid

opvallend stemgedrag
  • Behoorde in 1915 tot de minderheid van zijn fractie die vóór een motie-Albarda stemde over staatsexploitatie van de olievelden in Djambi
  • Behoorde in 1935 tot de minderheid van zijn fractie die tegen een (onaanvaardbaar verklaard, en aangenomen) amendement-Suring stemde over beperking van de bevoegdheid van de regering om in te grijpen in ambtenarensalarissen (lagere overheid)

als minister-president
  • Kreeg als minister-president in 1918 te maken met de gevolgen van het einde van de Eerste Wereldoorlog, zoals de terugtocht van Duitse troepen door Limburg, de vlucht van de Duitse keizer naar Nederland, de Belgische annexatie-eisen, de rellen in het Nederlandse leger en de revolutiepoging van Troelstra
  • Het door hem geleide kabinet voerde rond 1923 een stringent bezuinigingsbeleid, hetgeen onder andere tot inkrimping van het aantal ambtenaren leidde. Eén van de maatregelen die daarbij werd genomen, was dat een huwende ambtenares ontslag diende te nemen.
  • Zijn derde kabinet stelde in 1932, nadat devaluatie van het Engelse pond tot verslechtering van de economische situatie had geleid, de bezuinigingscommissie-Welter in

als bewindspersoon (beleidsmatig)
  • In 1921 verwierp de Tweede Kamer met 45 tegen 43 stemmen het door hem verdedigde voorstel om de tweede lezing bij grondwetsherziening in bepaalde gevallen te vervangen door een volksstemming
  • In 1923 verwierp de Tweede Kamer met 46 tegen 41 stemmen de door hem ingediende en verdedigde ontwerp-Bioscoopwet (bescherming tegen de zedelijke gevaren van bioscopen door instelling van een centrale filmkeuring)
  • Trok in 1923 de door zijn voorganger Van IJsselstein ingediende ontwerp-Wet op het middelbaar en lager landbouwonderwijs in, nadat de Tweede Kamer zich in meerderheid tegen verdere afhandeling had uitgesproken
  • Bepaalde in 1924 dat huwende rijksambtenaressen, tenzij zij ouder waren dan 45 jaar, met ingang van de dag van het huwelijk moesten worden ontslagen
  • In 1925 verwierp de Eerste Kamer een door hem ingediend en verdedigd wetsvoorstel tot afschaffing van de zomertijd
  • In 1925 verwierp de Eerste Kamer met 24 tegen 14 stemmen een door hem ingediend en verdedigd wetsvoorstel dat gemoedsbezwaren tegen de stemplicht mogelijk moest maken
  • Belangrijkste benoemingen tijdens zijn ministerschap 1918-1925: E.O.J.M. baron van Hövell tot Westerflier (rk, Commissaris der Koningin in Limburg), jhr. J.W. Quarles van Ufford (Commissaris der Koningin in Zeeland), H.Th. s'Jacob (chu, Commissaris der Koningin in Utrecht), S. baron van Heemstra (arp, Commissaris der Koningin in Gelderland), A.E. baron van Voorst tot Voorst (rk, Commissaris der Koningin in Overijssel), jhr. A.W.L. Tjarda van Starkenborch Stachouwer (lib., Commissaris der Koningin in Groningen), W. de Vlugt (arp, burgemeester van Amsterdam), J. Wytema (lib., burgemeester van Rotterdam), J.A.N. Patijn (lib., burgemeester van 's-Gravenhage)
  • Bracht in 1931 het Algemeen Rijksambtenarenreglement tot stand, waarin regels staan over de aanstelling, bevordering, bezoldiging, het verlof, disciplinaire straffen en schorsing en ontslag van ambtenaren. De in 1924 genomen maatregel dat huwende ambtenaressen ontslagen worden, wordt in het reglement vastgelegd.
  • Voerde in 1932 samen met minister De Geer bezuinigingen door bij de gemeenten (drie procent salariskorting gemeentepersoneel)
  • Belangrijkste benoemingen tijdens zijn ministerschap 1929-1933: jhr. F. Beelaerts van Blokland (chu, vicepresident Raad van State), R.H. baron de Vos van Steenwijk (lib., Commissaris der Koningin in Drenthe), L.H.N. Bosch ridder van Rosenthal (chu, burgemeester van 's-Gravenhage)

als bewindspersoon (wetgeving)
  • Bracht in 1919 de wet tot vereniging van de gemeenten Ambt- en Stad-Doetinchem tot stand
  • Bracht in 1919 een wet tot stand waarbij het grondgebied van Maastricht werd uitgebreid met het grondgebied van de op te heffen gemeenten Oud-Vroenhoven en Sint Pieter, en met delen van Amby, Borgharen, Gronsveld, Heer en Meerssen.
  • Bracht in 1919 een wet tot stand waarbij het grondgebied van Eindhoven werd uitgebreid met het grondgebied van de op te heffen gemeenten Gestel en Blaarthem, Stratum, Strijp, Tongelre en Woensel
  • Bracht in 1920 een wet tot stand waarbij Delft werd uitgebreid met delen van de op te heffen gemeenten Hof van Delft en Vrijenban
  • Bracht in 1920 een wet tot stand waarbij het grondgebied van Amsterdam aanzienlijk werd vergroot met het grondgebied van de op te heffen gemeenten Buiksloot, Nieuwendam, Ransdorp, Sloten en Watergraafsmeer en met delen van de gemeenten Westzaan, Zaandam, Oostzaan, Diemen, Ouder-Amstel en Nieuwer-Amstel. Het Amsterdamse grondgebied werd uitgebreid van 4.600 ha. naar 16.000 ha en de bevolking nam toe van 647.000 tot 681.000 inwoners.
  • Bracht in 1921 en 1923 wetten inzake de vereniging van gemeenten in Noord-Brabant (o.a. vorming Veldhoven en Waalwijk) en in Gelderland (o.a. vereniging van Renkum en Doorwerth) tot stand
  • Bracht in 1921 een wijziging van de Kieswet tot stand, waardoor de kiesdrempel werd verhoogd naar 0,5% en de verdeling van zetels over een kandidatenlijst werd gewijzigd. De drempel om via voorkeurstemmen te worden gekozen ging naar 50 procent van de kiesdeler in één kieskring. In plaats van met een zwart potlood moet voortaan met een rood potlood worden gestemd.
  • Had als voorzitter van een door hemzelf ingestelde Staatscommissie en als minister een groot aandeel in de Grondwetsherziening van 1922. Deze voert de evenredige vertegenwoordiging in bij de verkiezing van de Eerste Kamer en verkort haar zittingsduur van negen naar zes jaar. Bij een oorlogsverklaring is voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal vereist. Verder kunnen er publiekrechtelijke lichamen worden ingesteld met verordenende bevoegdheden. Er komt een betere schadeloosstellings- en pensioenregeling voor Tweede Kamerleden. Het wordt voor de koning mogelijk tijdelijk het koninklijk gezag neer te leggen (bijvoorbeeld bij ziekte).
  • Bracht in 1923 een wijziging van de Kieswet tot stand, waardoor uitvoering werd gegeven aan de herziene bepalingen in de Grondwet over de verkiezing van de Eerste Kamer. Er kwamen vier groepen van provincies die elke zes jaar op basis van evenredige vertegenwoordiging de Eerste Kamerleden kozen.
  • Bracht in 1923 de wet tot vereniging van de gemeenten Ambt- en Stad-Ommen tot stand
  • Bracht in 1923 een wet tot stand waarbij het grondgebied van de gemeente 's-Gravenhage werd uitgebreid met dat van de op te heffen gemeente Loosduinen
  • Bracht in 1924 de Ruilverkavelingswet tot stand. Verspreid liggende landerijen of met voor de landbouw ongunstige ontsluiting of waterafvoer kunnen een betere economische indeling krijgen door ruiling van gronden. Ruilverkaveling werd mogelijk bij meerderheid van stemmen van de eigenaren; thuisblijvers worden onder de voorstemmers gerekend.
  • Bracht in 1924 een wet tot stand waarbij de gemeente Maarheeze ontstond door vereniging van de gemeentenn Maarheeze en Soerendonk, Sterksel en Gassel
  • Bracht in 1925 een wet tot stand waarbij de gemeenten Deurne en Liessel, en Vlierden werd verenigd tot Deurne
  • Bracht in 1929 de Landbouwuitvoerwet tot stand. Deze stelde de uitvoer van boter, kaas en bacon en andere landbouwproducten onder toezicht van controle-instellingen die de kwaliteit moesten bewaken.
  • Bracht in 1931 een wet tot stand waarbij de gemeenten Driebergen en Rijssenburg werden verenigd tot Driebergen-Rijssenburg
  • Bracht in 1931 een wijziging van de Gemeentewet tot stand, waardoor onder meer gemeenschappelijke regelingen van meerdere gemeenten mogelijk werden, de ambten van burgemeester en gemeentesecretaris werden opengesteld voor vrouwen, geestelijken raadslid mochten worden en raadsleden bij ordeverstoring verwijderd konden worden. Gemeenten van minder dan 5000 inwoners konden de gemeentepolitie vervangen door rijkspolitie.
  • Bracht in 1932 een wet tot stand waarbij het grondgebied van de op te heffen gemeente Cromvoirt werd verdeeld over dat van de gemeenten 's-Hertogenbosch en Vught
  • Bracht in 1933 een wet tot wijziging van de Drankwet tot stand, waardoor beperkingen konden worden gesteld aan het geven van gelegenheid tot dansen

wetenswaardigheden

algemeen
  • Voorstander van een organisatievorm van de arbeiders waarbij de leiding berustte bij de geestelijkheid en hogere standen. De materiële belangenbehartiging kon in handen worden gelegd van (inter)confessionele vakorganisaties. Stond bij deze kwestie tegenover Aalberse en bisschop Aengenent van Haarlem (Leidse school).
  • Aan zijn kandidatuur in het district Gulpen lag vermoedelijk een deal ten grondslag tussen Robert Regout en hem. Ruijs volgde Merckelbach op. Dat was de schoonzoon van de Helmondse industrieel W. Prinzen. Die bewerkstelligde dat de Maastrichtenaar Regout kandidaat in het district Helmond werd.
  • Was in 1910 medeoprichter van het "Groene Kruis" in Limburg en in 1911 van de Katholieke vroedvrouwenschool in Heerlen
  • Werd in september 1916 en in januari, juni en september 1917 als derde op de voordracht voor het Tweede Kamervoorzitterschap geplaatst
  • Speelde tijdens de formatie in 1926 - zonder direct overleg met fractievoorzitter Nolens - een actieve rol bij het vinden van een oplossing (met name tijdens de formatiepogingen van J. Limburg en Jhr. De Geer). Weigerde zelf echter als minister op te treden.
  • Was in november en december 1928 uitgeschakeld door een nierziekte
  • Tijdens zijn derde kabinet brak (in 1929) de economische wereldcrisis uit
  • Kritiek op zijn landbouwbeleid leidde er mede toe dat in 1932 landbouw overging naar Economische Zaken, terwijl volksgezondheid onder Binnenlandse Zaken kwam
  • Speelde een belangrijke rol bij de oprichting in 1935 van de Sint Adelbertvereniging, de standsorganisatie van leidinggevende katholieken die de godsdienstig-zedelijke, culturele en maatschappelijke belangen van de leden moest behartigen en het onderling contact moest bevorderen.

uit de privésfeer
  • Richtte in 1909 het Spoorwegcomité Wylre-Gulpen-Vaals op, dat vergeefs aandrong op aanleg van deze zijtak van de lijn Maastricht-Vaals
  • Zijn oudste dochter was gehuwd met een neef van jhr. O.F.A.M. van Nispen tot Sevenaer, Tweede Kamerlid en -voorzitter
  • Onderhield ook vriendschappelijke betrekkingen met niet-geloofsgenoten en zelfs met politieke opponenten, zoals Henk Sneevliet
  • Zijn begrafenis werd bijgewoond door vele hoogwaardigheidsbekleders, onder wie de bisschop van Roermond en een vertegenwoordiger van de koningin. De Nederlandse spoorwegen zette een extra trein in om belangstellenden naar en van Zutphen te vervoeren.

verkiezingen
  • Versloeg in 1905 J.H. Pinckers (rk)
  • Versloeg in 1909 P.M.F.H. Brouwers (rk), maar werd niet toegelaten wegens beweerde onregelmatigheden, zoals het gebruik van verouderde stembiljetten. Versloeg bij nieuwe verkiezingen L.M. Hermans (sdap)
  • Versloeg in 1913 N.J. Schrijen (rk)
  • Werd in 1917 bij enkelvoudige kandidaatstelling gekozen

niet-aanvaarde politieke functies
  • lid Tweede Kamer, augustus 1929 (i.v.m. benoeming tot minister)
  • minister van Buitenlandse Zaken, mei 1933 (geweigerd)

woonplaats(en)/adres(sen)
  • Roermond, vanaf 1 december 1873
  • Leiden, tot 1895
  • Maastricht, vanaf 1895
  • Maastricht, Van Heylerhofflaan 10, van 1902 tot 1918
  • 's-Gravenhage, Laan Copes van Cattenburch, van 1918 tot 21 april 1936
  • Warnsveld, Huize Suideras (buitenhuis)

ridderorden
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 31 augustus 1913
  • Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 29 augustus 1925

buitenlandse onderscheidingen
Grootkruis in de Orde van Pius IX

bezit van heerlijkheden
  • heer van Beerenbrouck en Wolfrath

verenigingen, sociëteiten, genootschappen etc.
  • lid Leidsch Studenten Corps, vanaf 1892
  • voorzitter katholieke studentenvereniging "Sanctus Augustinus", vanaf 3 mei 1893 (oprichter samen met P.J.M. Aalberse)
  • lid Sint-Vincentiusvereniging te Maastricht, vanaf 1896
  • lid Klarenbeeksche Club, vanaf 1901

publicaties/bronnen

publicaties
"Strafrecht in het oude Maastricht" (dissertatie, 1895)

literatuur/documentatie
  • H.J.H. Schurgers "Charles Ruys, mens, christen, staatsman" (Valkenburg, 1973)
  • G. Puchinger, "Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw" (1984)
  • G. Puchinger, "Ruijs van Beerenbroek, jhr. Charles Joseph Marie (1873-1936)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel II, 515
  • G.A.M. Beekelaar, "Gustave Ruijs de Beerenbrouck (1842-1926), commissaris der Koningin 1893-1918 en Charles Ruijs de Beerenbrouck (1873-1936), commissaris der koningin, mei-augustus 1918", in: J.H.M. Wieland e.a. (red.), "De Gouverneurs in de beide Limburgen 1815-1989" (Maastricht, 1989) 265-298
  • J. van Meeuwen, "Ruijs van Beerenbroek, Charles Joseph Marie", in: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, deel II, 132
  • M.J.L.A. Stassen, "Charles Ruys de Beerenbrouck, edelman-staatsman 1873-1936. Een leven lang een vaste waarde" (Maastricht, 2005)
  • F. Verhagen, "Toen de katholieken Nederland veroverden. Charles Ruijs de Beerenbrouck 1873-1936" (2015)
  • Onze Afgevaarigden, 1905, 1909, 1913

Biografisch Woordenboek(en)
  • biografie opgenomen in het Biografisch Woordenboek van Nederland
  • biografie opgenomen in het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland

archivalia via site Nationaal Archief
vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief

familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm
gehuwd te Warnsveld, 14 april 1902

echtgeno(o)t(e)/partner
Jkvr. M.J.E.A. van der Heijden, Maria Josephina Ernestina Alexandrina (Maria)

kinderen
1 zoon en 2 dochters

vader
Jhr.Mr. G.L.M.H. Ruijs van Beerenbroek, Gustave Louis Marie Hubert

geboorteplaats en/of -datum
Roermond, 26 september 1842

moeder
Jkvr. M.I.L. Ruijs van Beerenbroek, Marie Isabelle Louise

geboorteplaats en/of -datum
Tongeren (België), 18 april 1849

broers en zusters
1 zus (kloosterlinge)

beroep grootvader (vaderskant)
  • controleur der directe belastingen
  • lid Gedeputeerde Staten van Limburg

beroep grootvader (moederskant)
president Gerechtshof te Luik

familierelaties

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan het biografisch archief van het Parlementair Documentatiecentrum (PDC) van de Universiteit Leiden en betreffen vooral de periode waarin iemand politiek en bestuurlijk actief is of was.
Aanvullingen en gemotiveerde correcties ontvangt PDC graag. U kunt hiervoor de "reageer-keuze" aan de rechterzijde van deze pagina gebruiken of uw aanvullingen per post sturen naar PDC, antwoordnummer 10801, 2501 BW Den Haag of per email aan info@biografieen.com.