Parlementair onderzoek effectiviteit van antidiscriminatiewetgeving

Op 23 februari 2021 heeft de Eerste Kamer ingestemd een parlementair onderzoek in te stellen naar de effectiviteit van antidiscriminatiewetgeving. De onderzoekscommissie is ingesteld naar aanleiding van de aangenomen motie-Rosenmöller (GroenLinks) en Jorritsma-Lebbink (VVD). Ruard Ganzevoort (GroenLinks) is voorzitter.

Het onderzoek zal zich richten op de oorzaken van en mogelijke oplossingen voor de kloof tussen de wet op papier en de wet in praktijk als het gaat om discriminatie. De commissie gaat zich met haar onderzoek richten op vier sectoren: arbeidsmarkt, onderwijs, sociale zekerheid en politie.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Voorgeschiedenis

Het initiatief voor dit onderzoek werd op 27 oktober genomen door Rosenmöller (GroenLinks) en Jorritsma-Lebbink (VVD) met als doel het onderzoeken van de oorzaken van het verschil tussen de wet op papier en de wet in praktijk en te achterhalen waarom anti-discriminatoire bepalingen in wetgeving niet voldoende effectief zijn.

Op 3 november 2020 werd dit voorstel plenair besproken. Een tijdelijke commissie uit de Eerste Kamer onder leiding van Ruard Ganzevoort (GroenLinks) bereidde daarna het onderzoek voor en bood op 2 februari 2021 haar rapport aan de Voorzitter van de Eerste Kamer aan.

2.

Onderzoeksvragen

De hoofdvraag van het onderzoek luidt: Wat zijn de oorzaken van en mogelijke oplossingen voor de geconstateerde kloof tussen de wet op papier en de wet in praktijk als het gaat om discriminatie?

Het onderzoek gaat hierbij uit van een ketenmodel waarbij verschillende schakels kunnen worden onderscheiden:

  • De Grondwet en internationale verdragen geven de fundamentele kaders aan.
  • De wet in formele zin is de uitwerking van deze fundamentele kaders.
  • Het beleid van de overheid en overheidsdiensten en van maatschappelijke actoren dient zich af te spelen binnen de wettelijke kaders en kan daaraan worden getoetst door de rechter.
  • De effecten van beleid zijn de objectief waarneembare handelingen van overheidsdiensten en maatschappelijke actoren en de feitelijke consequenties daarvan.
  • De ervaringen van burgers betreffen de subjectieve impact van deze effecten voor individuen en groepen burgers waardoor zij zich benadeeld of gekrenkt kunnen voelen.

Naar aanleiding van het onderscheid tussen deze schakels zijn de volgende deelvragen geformuleerd:

  • 1. 
    Welke factoren bepalen bij de verschillende schakels in het ketenmodel de effectiviteit van anti-discriminatoire wetgeving?
  • 2. 
    Welke inzichten kunnen worden ontleend aan oorzaken die in andere landen zijn gevonden of oplossingen die daar door parlementen zijn beproefd?
  • 3. 
    Is het mogelijk een afwegingskader en/of een lijst met aandachtspunten te formuleren die behulpzaam kunnen zijn bij het toetsen van toekomstige wetgeving of toekomstig beleid door het parlement?

De sectoren die door middel van casusonderzoek geanalyseerd worden en de discriminatiegronden die daarbinnen ten minste aan de orde zouden moeten komen zijn:

  • Gelijke kansen op de arbeidsmarkt: Hierbij gaat het om zaken zoals gelijk loon voor gelijk werk, gelijke kansen op scholing en promotie en diversiteit in teams. Het onderzoek richt zich voornamelijk op de positie van vrouwen, van mensen met een migratieachtergrond en van arbeidsgehandicapten.
  • Gelijke kansen in het onderwijs: Hierbij komen vraagstukken naar voren zoals de vraag of het voor leerlingen met een migratieachtergrond lastiger is een stageplek te vinden maar ook de vraag of wetgeving en beleid verhinderen dat het onderwijs daadwerkelijk gelijke kansen verschaft, met name aan leerlingen met een sociaaleconomisch zwakkere uitgangspositie en/of lichamelijke of mentale beperking. Een bijzonder aandachtspunt hierbij is of het onderwijs een effectieve bijdrage levert aan de bestrijding van antisemitisme.
  • Gelijke rechten met betrekking tot sociale zekerheid: Dit zal met name gericht zijn op mensen met een migratieachtergrond en/of een tweede nationaliteit. Daarnaast zou er aandacht moeten zijn voor de complexiteit van regelgeving, beleid en communicatie binnen de sociale zekerheid.
  • Gelijkwaardige behandeling door de politie: Hierbij wordt specifiek de positie van mensen met een migratieachtergrond en de bescherming van seksuele en genderminderheden genoemd.

3.

Commissieleden

Leden

Ruard Ganzevoort (GroenLinks), voorzitter

Eric van der Burg (VVD), ondervoorzitter

Martine Baay-Timmermans (50Plus)

Paul Frentrop (FVD)

Hamit Karakus (PvdA)

Greet Prins (CDA)

Petra Stienen (D66)