Parlementair onderzoek Onderhoud en innovatie spoor

Op 29 maart 2011 stemde de Tweede Kamer in met een voorstel van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu om onderzoek te doen naar het Nederlandse spoorsysteem. De commissie bracht op 16 februari 2012 rapport uit. De Tweede Kamer heeft hierover op 16 en 17 mei 2012 een debat gevoerd. Op 27 november 2012 is gestemd over enkele ingediende moties, die overigens werden verworpen.

Samenstelling commissie

Werkwijze en onderzoeksvragen

Doel van het onderzoek is een bijdrage leveren aan een efficiënt spoorstelsel in het algemeen en het bevorderen van innovatie waar dit zinvol is.

Onderzoeksvragen

Hoe is het project Beter Benutten 21 (BB21) verlopen? Wat zijn de redenen voor eventuele scopewijzigingen?

  • Wat is het gevolg van het steeds weer uitstellen van het project Mistral? In hoeverre wordt er momenteel nog actief gewerkt aan Mistral?
  • Waarom zijn de potentiële baten van het European Rail Traffic Management System (ERTMS) nog steeds niet inzichtelijk? Wat is de stand van zaken betreffende de ontwikkeling van de BeterBenutten-functies voor het bestaande spoorwegnet en in hoeverre is inzichtelijk welke bijdrage dit kan leveren aan het verhogen van de prestaties en het beperken van kosten (motie Cramer/Roemer)?
  • Is en wordt er door de minister voldoende actief gestuurd op de ontwikkeling en realisatie van de eerder «bevroren delen» van BB21, Mistral en de landelijke implementatie van ERTMS?
  • In hoeverre zijn de ERTMS hardware en software specificaties inmiddels vastgesteld? In hoeverre zijn de hardware specificaties voor de standaard die gaat gelden vanaf 2015 inmiddels bekend?
  • Welke oplossingen zijn er voor eventueel geconstateerde voortgangsproblemen rond innovatieprojecten op het spoor

Conclusies

Het eindrapport van het parlementaire onderzoek naar het onderhoud en de innovatie op het spoor werd op 16 februari 2012 gepresenteerd. Een belangrijke conclusie was dat het Nederlandse spoor in internationaal opzicht hoge verkeersprestaties levert. Er zijn echter wel risico's voor het behoud van dit niveau. Er zijn bijvoorbeeld veel technische storingen, lage onderhoudsbudgetten en er is een lage vervangingsgraad.

De commissie concludeerde verder dat

  • het onbreekt aan visie en regie op het Nederlandse spoor. Dit houdt in dat er teveel wordt gekeken naar de korte termijn;
  • de Tweede Kamer onvoldoende wordt geïnformeerd over de spoorbudgetten;
  • er genoeg aanknopingspunten zijn om het European Rail Traffic Traffic Management Systeem (ERTMS) landelijk in te voeren.

Ook werd daarnaast gesteld dat de conclusies van werkgroep ProRail uit 2005 nog steeds actueel zijn. Deze conclusies gingen onder meer over over het gebrek aan langetermijndenken, het gebruiken van onderhoudsbudgetten voor andere doeleinden en de stagnerende werking van vertraagde besluitvorming.

Aanbevelingen

De commissie deed 29 concrete aanbevelingen, waaronder:

  • 1. 
    De spoorsector moet aangestuurd worden op basis van een langetermijnvisie- en strategie die zich zowel richt op de inrichting en het gebruik van het spoor als op onderhoud, vervanging en aanleg;
  • 2. 
    De minister van I&M moet een stevigere, samenbindende positie innemen in de aansturing van de spoorsector;
  • 3. 
    De minister moet ook haar technisch-inhoudelijke kennis aanvullen;
  • 4. 
    De Tweede Kamer dient vragen om kortetermijnoplossingen af te wegen tegen het langetermijnperspectief;
  • 5. 
    De vervoersconcessie en vervoersplannen moeten actiever gebruikt worden als sturingsmiddel;
  • 6. 
    Er moet onderzocht worden of de gebruiksvergoeding voor het spoor kostendekkend kan worden;
  • 7. 
    De aansturing van ProRail moet minder diffuus worden;
  • 8. 
    ProRail moet in staat worden gesteld om onderhoud en vervanging zodanig in te richten dat de kwaliteit op lange termijn wordt gewaarborgd;
  • 9. 
    ProRail moet zijn technische kennis vergroten;
  • 10. 
    Er moet overwogen worden of het aandeelhouderschap van de NS weer onder de minister van I&M kan komen.

Meer over