Over links

15 april 2011, column Bert van den Braak

Intensievere samenwerking wordt door linkse partijen gezien als mogelijk antwoord op het huidige rechtse overwicht. Ruim veertig jaar geleden was die mogelijke samenwerking evenzeer een belangrijk thema in de Nederlandse politiek. De omstandigheden waren toen geheel anders dan nu, maar er zijn wel enige 'lessen' te trekken.

De komst van D'66, onrust in de linkervleugel van ARP en KVP, en een - mede onder invloed van Nieuw Links - groeiend antichristendemocratisch sentiment in de PvdA verscherpten de verhoudingen in de Nederlandse politiek. Het al latent aanwezige idee dat er een tweedeling moest komen, waardoor de macht van de christendemocraten zou afnemen, won terrein. Die ideeën leidden tot voorstellen om het kiesstelsel te veranderen, maar stimuleerden ook de samenwerking tussen linkse partijen.

Na het PvdA-congres van 1969 werden concrete stappen gezet naar intensievere linkse samenwerking. Er kwam een werkgroep met vertegenwoordigers uit PvdA, PSP en PPR en met christenradicalen uit ARP en KVP die het idee van een Progressief Akkoord (PAK) moesten uitwerken. D'66 hield de boot (nog) af en de CPN bleef geheel buiten die besprekingen. Bij zowel de raads- als statenverkiezingen van 1970 kwamen er diverse gezamenlijke lijsten van PvdA en PSP of PvdA en PPR, en ook lijsten onder de naam PAK. De gedachte was dat samenwerking op lokaal en provinciaal niveau tussen PvdA en PSP haalbaarder was dan op landelijk niveau. In de praktijk viel dat behoorlijk tegen en het PAK liep spoedig spaak.

Dat betekende niet het einde aan de linkse samenwerking. In september 1970 nodigde D'66-voorman Hans van Mierlo zowel PvdA als KVP uit om te gaan praten over (progressieve) samenwerking na de verkiezingen van 1971. Omdat de KVP weigerde aan de wens van PvdA en D'66 tegemoet te komen om de VVD bij voorbaat als partner uit te sluiten, liep samenwerking met die partij spoedig dood. PvdA en D'66 en de PPR zetten wel stappen om tot samenwerking te komen. Concreet mondde dat in februari 1971 uit in een stembusakkoord tussen PvdA, D'66 en PPR. Hun verkiezingsprogramma's moesten als basis gaan dienen voor het regeringsbeleid. De mogelijkheid om voor een progressief beleid te kiezen, werd nog scherper gemarkeerd toen op 28 april 1971 de drie partijen een alternatief kabinet-Den Uyl presenteerden.

Hoewel zowel PvdA als D66 bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 winst boekten (de PPR kreeg als nieuwkomer twee zetels), bleven de drie ver verwijderd van een meerderheid. Een voorstel-Van Mierlo om Den Uyl tot formateur te benoemen, kreeg in de Tweede Kamer geen meerderheid. Dat betekende geenszins het einde van de samenwerking, want met name Van Mierlo en PvdA-voorzitter André van der Louw werden pleitbezorgers van vorming van een Progressieve Volkspartij (PVP).

Bij de vervroegde verkiezingen van november 1972 kwamen de progressieve drie met een gezamenlijk programma 'Keerpunt '72' en opnieuw werd een lijst met (kandidaat-)bewindslieden gepresenteerd. De partijen besloten dat na de verkiezingen niet over dat programma mocht worden onderhandeld. De verkiezingsuitslag leidde echter tot een politieke impasse, die uiteindelijk na vele maanden uitmondde in vorming van een centrumlinks kabinet-Den Uyl, waaraan ook KVP en ARP deelnamen.

De nederlaag die D'66 bij de verkiezingen had geleden (van elf naar zes zetels) ondermijnde de positie van Van Mierlo en deed ook het enthousiasme voor de PVP afnemen. Dat enthousiasme bleek trouwens evenmin erg sterk bij PvdA en PPR. In september 1973 werd de PVP definitief ten grave gedragen toen op het PvdA-congres een kleine meerderheid zelfs een federatief verband afwees. Behalve bestaande programmatische verschillen, waren een andere partijcultuur, de wens tot behoud van de eigen identiteit en problemen over verdeling van posities belangrijke obstakels voor samenwerking. Dat zal bij een mogelijke toekomstige samenwerking tussen PvdA, GroenLinks, SP, en - onwaarschijnlijker - D66 niet anders zijn.

Ministens zo belangrijk is de vraag waartoe de samenwerking moet leiden. Is dat bijvoorbeeld: ''samen uit, samen thuis' na verkiezingen? Dat beperkt echter de mogelijkheden om na verkiezingen toch met partijen ter rechterzijde een coalitie te vormen. De kans dat de samenwerkende linkse partijen samen een meerderheid halen, is uiterst miniem. Anderzijds zou een gezamenlijk programma of een lijst met kandidaat-ministers (Femke Halsema voor Justitie, Frans Timmermans op BuZa, Agnes Kant op VWS, Marijke Vos op Infrastructuur en Milieu, Job Cohen kandidaat-premier) wel voor nieuw elan kunnen zorgen. Een gezamenlijk optreden zou links tot sterkste minderheidsblok kunnen maken, zoals dat ook in de jaren zeventig het geval was. Maar of zo'n blok mogelijk is, blijft zeer de vraag.



Andere recente columns