De brief van Nederhorst - Debat over het huwelijk van Prinses Beatrix (1965)

Was de PvdA bij het debat over de verloving van prinses Irene tevreden uit de strijd te voorschijn getreden, bij de discussie over het verlenen van parlementaire toestemming op het voorgenomen huwelijk van prinses Beatrix raakte zij in de knel. Zij was inmiddels regeringspartij geworden. Bij haar aanhang groeide ontstemming over de houding van het kabinet-Cals-Vondeling.

Aan een aantal bezwaarden schreef de nieuwe fractievoorzitter drs. Gerard Nederhorst een brief. Hierin kwam kritiek tot uiting op de prinses, die de verloving als haar zaak beschouwde en geen inbreuk op haar privacy duldde, en, die daarover pas met de regering had willen overleggen tot zij zeker was van haar gevoelens.

Dit achtte Nederhorst menselijk begrijpelijk, maar politiek verwerpelijk. Als de prinses de enig juiste weg had bewandeld en de regering bijtijds had ingelicht, dan zou de PvdA een voortgaan op deze weg ontraden hebben, beseffende welke gevoelens een verloving met iemand van Duitse nationaliteit zou wakker roepen.

Maar nu de publiciteit zich voortijdig van het geval had meester gemaakt, lag de zaak anders. Een weigering zou een constitutionele crisis kunnen scheppen. 'Een Nederland met als staatshoofd een Juliana of Beatrix goed in de hand gehouden door regering en parlement, prefereer ik boven een Nederlandse Republiek met aan het hoofd een De Quay of Luns, want dat wordt het'. De inhoud van deze brief lekte uit; koningsgezinden toonden zich geschokt; de KVP-fractie dreigde er een kabinetskwestie van te maken.

Zo werd de PvdA-fractieleider in het defensief gedwongen. Hij moest zijn brief verantwoorden. Was de inhoud daarvan niet een bevestiging van de stelling, dat in de politiek woorden soms dienen om gedachten te verbergen?

1.

10 november 1965

De heer Nederhorst: Men heeft mij opportunisme verweten ja erger, men heeft gezegd en geschreven dat uitsluitend enge partijbelangen mijn voorstemmen voor de toestemmingswet zullen bepalen. aarop berust dit verwijt? Mag ik mijn redenering nog eens in het kort samenvatten?

In mijn brief heb ik mij de vraag gesteld wat er zou gebeuren, indien wij onze toestemming tot het huwelijk niet zouden geven. Dan zou óf het wetsontwerp zijn ingetrokken óf de Prinses had uit eigen beweging daaruit de consequentie getrokken omdat het tegenstemmen van een zo groot deel van de Kamer voor haar geen aannemelijke uitspraak zou zijn. Dit is een reëel denkbare situatie. Wie dan denkt, dat daarmee de zaak af is en het gewone leven zijn gang herneemt, leeft in een droomwereld. Met een sterk verzet, ditmaal van de 78 pct. van ons volk, dat vóór dit huwelijk is, valt dan te rekenen.

Ongetwijfeld zullen er zijn, die Kamerontbinding en nieuwe verkiezingen zouden eisen, ten einde het volk een uitspraak over deze zaak te laten doen. Op deze mogelijkheden heb ik in mijn brief gezinspeeld. Wanneer het koningshuis onderwerp van verkiezingsstrijd wordt, zijn wij een heel eind afgegleden en hebben wij een koningskwestie in optima forma. Dit te constateren en het gevaarlijke van een dergelijke sitatie in te zien, is niet het dienen van een enghartig partijbelang.

Geen enkele democratische partij in Nederland is met het ontstaan van een koningskwestie gediend; mijn partij niet, maar ook de andere partijen niet. Erger, het goed functioneren van onze parlemertaire democratie zou door deze emotionele strijd binnen ons volk, met als inzet het huwelijk van Prinses Beatrix, in ernstig gevaar komen.

Het is het allerergste voor de constitutionele monarchie zelf, die alleen in rust en nationale eensgezindheid rondom de troon kan gedijen. Zorg voor het goed functioneren van de democratie in onze constitutionele monarchie en zorg voor deze constitutionele monarchie zelf hebben mijn standpunt in dezen bepaald. Dit is geen opportunisme Dit is mogelijke gevaren in de toekomst zien en zich hiervan rekenschap geven.

En toch zo heb ik het in mijn brief gesteld hadden wij dit risico genomen, ja hadden wij dit risico moeten nemen, indien de inlichtingen omtrent de persoon van de heer Von Amsberg dusdanig waren geweest, dat hij onaanvaardbaar zou zijn. Indien, om een voorbeeld te noemen, gebleken zou zijn, dat de heer Von Amsberg een verkeerde mentaliteit had en de nationaal-socialistische ideologie hem niet on beroerd zou hebben gelaten, dan hadden wij, hoe dan ook, neen moeten zeggen en alle consequenties van het mogelijk ontstaan van een koningskwestie op de koop toe moeten nemen. Gelukkig zijn wij voor deze keuze niet geplaatst. De informaties over de heer Von Amsberg zijn goed; ik herinner aan wat ik hierover zojuist heb gezegd.

Nu kom ik tot een passage in mijn brief, waarop ernstige kritiek is uitgeoefend. een passage, die ik ernstig betreur geschreven te hebben. Het betreft hier het nare zinnetje, waarin ik, sprekende over prof. De Quay, de indruk gaf te willen insinueren, dat hij het vrijwillig op een akkoordje met de Duitsers en de NSB wilde gooien. Mijnheer de Voorzitter! Ik kan hier lang en ik kan hier kort over praten, maar ik kan eigenlijk maar één ding doen, dat is royaal deze zinsnede, die twijfel wekt aan de oprechte bedoelingen en de vaderlandslievendheid van de heer De Quay, terugtrekken en mijn spijt hierover betuigen. Ik heb gisterochtend gelegenheid gehad dit tegenover de heer De Quay persoonlijk te doen. Wel wil ik nog eens zeggen, dat elke gedachte, dat een katholiek of KVP er door ons niet aanvaard zou worden voor de hoogste posten in ons land, mij volstrekt vreemd is. Ik heb deze brief schrijvende neemt u dit van mij aan geen moment hieraan gedacht.

Ik wil in dit verband nog eens herhalen wat namens onze fractie bij het Irenedebat door mijn voorganger hierover is gezegd. 'Ons standpunt, het standpunt van de PvdA, is vanzelfsprekend dat er werkelijke vrijheid voor de koning moet zijn om tot die belangrijke godsdienstige of geestelijke stromingen te behoren, die wij hier in Nederland kennen.'.

Hiermede kom ik aan het einde van dat deel van mijn betoog, dat op de brief betrekking had. Ik wil mijn betoog echter niet besluiten alvorens nog op een ander aspect van deze kwestie gewezen te hebben. De generatie, waartoe ik behoor, gaat als ik het zo eens mag zeggen getekend door het leven. Ieder van ons heeft weer mogelijkheden gevonden om in het internationaal verkeer redelijk met Duitsers om te gaan.

Persoonlijk ben ik al weer zo ver, dat ik onder de Duitsers mensen ken, die ik mijn vrienden mag noemen. Anderen zijn nog niet zo ver. Maar zelfs voor mij, die in het Europese werk zeer veel en zeer intens contact met het huidige Duitsland heb gehad, geldt, dat een wat harde klank in een Duitse stem, een woord of klacht, op het onjuiste moment en op de verkeerde plaats gezegd, een kleine tactloosheid, in volledige onschuld bedreven, plotseling ais het ware oude wonden openrijt en tot verwijdering en afstand nemen leidt. Dit raken wij niet kwijt.

Moeten wij nu echter deze gevoelens van afkeer, die echt zijn, die begrijpelijk zijn, waarvoor wij ons niet schamen, overdragen op de generatie in Nederland, die na ons komt? De Nederlandse generatie, die met de generatie, waartoe de heer Von Amsberg behoort, een nieuw Europa zal moeten bouwen. Natuurlijk iaat men mij niet misverstaan, wij mogen nooit aflaten, de jonge generatie het verleden in al zijn afschuwelijkheid te doen beseffen. Wij moeten hen waarschuwen, attent te zijn op elk spoor van nieuw ontwaken van deze verderfelijke mentaliteit. Maar wij moeten ook weten, dat deze generatie en de generatie van de heer Von Amsberg in het nieuwe Europa moeten kunnen leven, ja, sterker, moeten kunnen samenwerken.

Ikzelf nu spreek ik als iemand, die jarenlang in het Europese Parlement is werkzaam geweest zou het een meten met twee maten vinden, als ik de heer Von Amsberg met zijn antecedenten zou weigeren. Ik zou mijn Europese vrienden van Duitse nationaliteit voor een volstrekt raadsel plaatsen en mij terecht aan het verwijt van mij aan huichelarij schuldig maken, bloot stellen.

Mijnheer de Voorzitter! Wanneer men na al hetgeen ik in het voorafgaande gezegd heb wil volhouden, dat ik om opportunistische redenen vóór dit wetsontwerp stem, dat mijn 'ja' eigenlijk een 'neen' is, men ga zijn gang; ikzelf weet beter en ik ben met deze zaak in het reine. De discussies rondom het huwelijk van de Prinses dreigen alles te overschaduwen, wat er in het politieke leven in Nederland aan belangrijks is. Dit acht ik een ongezond verschijnsel. Mijn fractie hoopt, dat, wanneer de emoties rondom dit huwelijk, dat velen in ons volk beroert, maar dat ook grote groepen onberoerd laat, geluwd zijn, die andere politieke vraagstukken weer de volle aandacht zullen krijgen. Voor vandaag is het het huwelijk van de Prinses, dat aan de orde is.

Wij, als politici, die hun toestemming tot dit huwelijk moeten geven, laten daarbij redenen van landsbelang gelden. Dit moeten wij doen. Maar wij komen daarbij ook op gespannen voet te staan met het recht op geluk van twee gewone mensen. Ik heb dezer dagen zo dikwijls moeten denken aan het slot van het boek van de bekende katholieke schrijver Graham Greene, 'The heart of the matter'. Daar is een katholiek geestelijke, father Rank, in gesprek met een vrouw, die vanuit de strenge regels van haar geloof een vernietigend oordeel uitspreekt over een medemens. Wanneer zij zegt 'de kerk zègt, dat', onderbreekt hij haar met de volgende van diepe wijsheid getuigende woorden: 'I know the church says, the church knows all the rules but it does not know what goes on in a single human heart'. De kerk kent alle regels, maar weet niet, wat zich voltrekt in een gewoon menselijk hart.

Zo is het ook hier. Wij, het Nederlandse volk, de Regering, het parlement, wij allen kennen de regels, waaraan de Prinses en de heer Von Amsberg moeten voldoen. Wij moeten deze regels van de constitutionele monarchie toepassen, maar ook in een koninklijk gezin zijn er twee mensen, die als persoon voor de belangrijkste beslissing in hun leven staan. Daar past het enige afstand te nemen. Politiek is met deze opmerking niets te beginnen, maar toch mogen we dit nooit vergeten.

Handelingen: 1965-1966 II, p. 481 e.v.

 

Literatuur

Han Lammers: Hinderlijk volgen, Amsterdam 1966. p. 151

Lees ook