Artikel 66: Samenwerking

65
Artikel 66
67

Inhoudsopgave van deze pagina:


De internationale betrekkingen van de Unie verlopen langs de weg van de samenwerking ingeval artikel 64 van dit Verdrag niet van toepassing is en wanneer het gaat om:

  • aangelegenheden die rechtstreeks de belangen van verscheidene Lid-Staten van de Unie raken,
  • dan wel gebieden waarop de Lid-Staten afzonderlijk niet even doelmatig kunnen optreden als de Unie,
  • dan wel terreinen waarop een politiek van de Unie noodzakelijk blijkt ter aanvulling op het buitenlands beleid dat in het kader van de bevoegdheden van de Lid-Staten wordt gevoerd,
  • dan wel aangelegenheden in verband met de politieke en economische aspecten van de veiligheid.

1.

Ontwikkeling artikel

1984

De internationale betrekkingen van de Unie verlopen langs de weg van de samenwerking ingeval artikel 64 van dit Verdrag niet van toepassing is en wanneer het gaat om:

  • aangelegenheden die rechtstreeks de belangen van verscheidene Lid-Staten van de Unie raken,
  • dan wel gebieden waarop de Lid-Staten afzonderlijk niet even doelmatig kunnen optreden als de Unie,
  • dan wel terreinen waarop een politiek van de Unie noodzakelijk blijkt ter aanvulling op het buitenlands beleid dat in het kader van de bevoegdheden van de Lid-Staten wordt gevoerd,
  • dan wel aangelegenheden in verband met de politieke en economische aspecten van de veiligheid.
2003
  • 2. 
    De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

    De lidstaten werken samen om hun wederzijdse politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

    De Raad en de minister van Buitenlandse Zaken zien toe op de inachtneming van deze beginselen.

  • 3. 
    De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door:
    • de beginselen en de algemene richtsnoeren vast te stellen,
    • besluiten aan te nemen met betrekking tot:
      • het optreden van de Unie,
      • standpunten van de Unie,
    • de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.

2.

Commentaar

  • 1. 
    Lid 1 is een aangepaste en ingekorte versie van artikel 11 VEU, om rekening te houden met het feit dat de beginselen en doelstellingen van het externe optreden zijn samengebracht aan het begin van de titel over het externe optreden.

    De zin "de Unie bepaalt en voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt en dat de volgende doelstellingen heeft" staat in het huidige Verdrag. Deze zin stelt het beginsel vast dat het Verdrag geen beperkingen stelt aan de GBVB-activiteiten en dat de Unie haar standpunt naar voren kan brengen over alle aangelegenheden die onder het buitenlands en veiligheidsbeleid vallen.

  • 2. 
    Lid 2: Artikel 11, lid 2 VEU (ongewijzigd):

    "De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. De lidstaten werken samen om hun wederzijdse politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen."

    De enige wijziging is de toevoeging dat de minister van Buitenlandse Zaken net als de Raad toeziet op de inachtneming van deze beginselen.

  • 3. 
    Lid 3 is een aangepaste versie van artikel 12 VEU, om rekening te houden met de wijziging van de benaming van de GBVB-instrumenten, overeenkomstig de aanbevelingen over de vereenvoudiging van de wetgevingsbesluiten. De gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten worden besluiten betreffende de optredens of standpunten van de Unie. Hierbij moet worden opgemerkt dat de gemeenschappelijke strategieën, die besluiten betreffende de strategische belangen en doelstellingen van de Unie worden, opgenomen zijn in artikel 2 van deze titel.

    De bepaling betreffende de omschrijving van de beginselen en de algemene richtsnoeren (eerste streepje), en die betreffende de systematische samenwerking tussen lidstaten (derde streepje), staan in artikel 12 VEU.

2003
  • 1. 
    In het kader van de beginselen en doelstellingen van zijn externe optreden, zoals vermeld in artikel 1 va n deze titel, bepaalt en voert de Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt.
  • 2. 
    De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

    De lidstaten werken samen om hun wederzijdse politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

    De Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zien toe op de inachtneming van deze beginselen.

  • 3. 
    De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door:
    • a) 
      de algemene richtsnoeren vast te stellen,
    • b) 
      besluiten aan te nemen met betrekking tot:
      • i) 
        het optreden van de Unie,
      • ii) 
        standpunten van de Unie,
      • iii) 
        de uitvoering van het optreden en de standpunten,
    • c) 
      de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.
2003
  • 1. 
    In het kader van de beginselen en doelstellingen van zijn externe optreden, bepaalt en voert de Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt.
  • 2. 
    De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

    De lidstaten werken samen om hun onderlinge politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

    De Raad van Ministers en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zien erop toe dat deze beginselen in acht worden genomen.

  • 3. 
    De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door:
    • a) 
      de algemene richtsnoeren vast te stellen,
    • b) 
      Europese besluiten vast te stellen met betrekking tot:
      • i) 
        het optreden van de Unie,
      • ii) 
        standpunten van de Unie,
      • iii) 
        de uitvoering van het optreden en de standpunten,
    • c) 
      de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.
2003
  • 1. 
    In het kader van de beginselen en doelstellingen van zijn externe optreden, bepaalt en voert de Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt.
  • 2. 
    De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

    De lidstaten werken samen om hun onderlinge politieke solidariteit te versterken en te ontwikkelen.

    Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

    De Raad van Ministers en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zien erop toe dat deze beginselen in acht worden genomen.

  • 3. 
    De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door:
    • a) 
      de algemene richtsnoeren vast te stellen,
    • b) 
      Europese besluiten vast te stellen met betrekking tot ter bepaling van:
      • i) 
        het door de Unie uit te voeren optreden van de Unie,
      • ii) 
        de door de Unie in te nemen standpunten van de Unie,
      • iii) 
        de wijze van uitvoering van het optreden en de standpunten de onder de punten i) en ii) bedoelde Europese besluiten,
    • c) 
      de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.
2004
  • 1. 
    In het kader van de beginselen en doelstellingen van zijn externe optreden, bepaalt en voert de Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt.
  • 2. 
    De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

    De lidstaten werken samen om hun onderlinge politieke solidariteit te versterken en te ontwikkelen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

    De Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zien erop toe dat deze beginselen in acht worden genomen.

  • 3. 
    De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door:
    • a) 
      de algemene richtsnoeren vast te stellen,
    • b) 
      Europese besluiten vast te stellen ter bepaling van:
    • i) 
      het door de Unie uit te voeren optreden;
    • ii) 
      de door de Unie in te nemen standpunten;
    • iii) 
      de wijze van uitvoering van de onder de punten i) en ii) bedoelde Europese besluiten;
    • c) 
      de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.