Artikel 49: Onderlinge aanpassing van de wetgevingen inzake de ondernemingen en de belastingwetgevingen

48
Artikel 49
50

De Unie neemt maatregelen ter onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de ondernemingen, in het bijzonder de vennootschappen, indien deze bepalingen rechtstreeks van invloed zijn op een gemeenschappelijk optreden van de Unie. Bij de wet wordt een statuut voor Europese ondernemingen opgesteld.

Voor zover zulks nodig is voor de totstandbrenging van de economische integratie van de Unie vindt bij de wet de onderlinge aanpassing van de belastingwetgevingen plaats.

1.

Ontwikkeling artikel

1984

De Unie neemt maatregelen ter onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de ondernemingen, in het bijzonder de vennootschappen, indien deze bepalingen rechtstreeks van invloed zijn op een gemeenschappelijk optreden van de Unie. Bij de wet wordt een statuut voor Europese ondernemingen opgesteld.

Voor zover zulks nodig is voor de totstandbrenging van de economische integratie van de Unie vindt bij de wet de onderlinge aanpassing van de belastingwetgevingen plaats.

2003
2003
  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde Europese verordeningen hebben met name ten doel:
  • a) 
    nakoming van de in artikel III-50, lid 1, en in artikel III-51 bedoelde verbodsbepalingen te bewerkstelligen door de instelling van geldboeten en dwangsommen;
  • b) 
    de regels voor de toepassing van artikel III-50, lid 3, vast te stellen met inachtneming van de noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren en anderzijds de administratieve controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen;
  • c) 
    in voorkomende gevallen de werkingssfeer van de bepalingen van de artikelen III-50 en III-51 voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen;
  • d) 
    de taak van de Europese Commissie, respectievelijk van het Hof van Justitie bij de toepassing van de in dit lid bedoelde bepalingen vast te stellen;
  • e) 
    de verhouding vast te stellen tussen de nationale wetgevingen enerzijds en deze afdeling, alsmede de Europese verordeningen die ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld, anderzijds.
2003
  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde Europese verordeningen hebben met name
    • a) 
      nakoming van de in artikel III-50, lid 1, en in artikel III-51 bewerkstelligen door de instelling van geldboeten en dwangsommen;
    • b) 
      de regels voor de toepassing van artikel III-50, lid 3, vast te noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen;
    • c) 
      in voorkomende gevallen de werkingssfeer van de bepalingen voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen;
    • d) 
      de taak van de Commissie, respectievelijk van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de toepassing van de in dit lid bedoelde bepalingen vast te stellen;
    • e) 
      de verhouding vast te stellen tussen de nationale wetgevingen enerzijds en deze afdeling en de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde Europese verordeningen, anderzijds.
2004

De Raad stelt op voorstel van de Commissie Europese verordeningen vast voor de toepassing van de in de artikelen III-161 en III-162 neergelegde beginselen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Die Europese verordeningen hebben met name ten doel:

  • d) 
    de taak van de Commissie, respectievelijk van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de toepassing van de in deze alinea bedoelde bepalingen vast te stellen;
  • e) 
    de verhouding vast te stellen tussen de wetgevingen van de lidstaten enerzijds en deze onderafdeling en de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde Europese verordeningen, anderzijds.