Anti-Revolutionaire Partij (ARP)

De ARP werd in 1879 opgericht door Abraham Kuyper. Daarmee kwam er een partijverband voor politieke stroming, de antirevolutionairen, die reeds sinds het begin van de 19e eeuw bestond. Zij was de eerste nationale politieke partij. De ARP was een christendemocratische, protestantse partij. In 1980 ging de ARP met KVP en CHU op in het CDA.

De ARP had steeds vertegenwoordigers in Tweede Kamer en Eerste Kamer en kende electorale hoogtepunten in 1901, 1909 en 1937. Van 1918 tot 1959 was de ARP de derde partij van het land. Nadien bleef haar aanhang rond de tien procent. Tussen 1888 en 1980 was de ARP diverse malen regeringspartij en waren enkele ARP'ers minister-president.

De ARP was, meer dan de CHU, de partij van de 'kleine luyden': middenstanders, boeren, lagere ambtenaren en arbeiders. Vooral onder het kader bevonden zich echter ook industriëlen en hogere ambtsdragers. Er bestonden nauwe banden met het CNV en met andere organisaties in de protestants-christelijke zuil.

Bekende ARP-politici waren Kuyper, Talma, Heemskerk, Colijn, Gerbrandy, Schouten, Zijlstra, Biesheuvel en Aantjes.

Beginselen

De ARP baseerde zich op Bijbelse normen volgens de protestantse leer. Volgens de anti-revolutionaire opvattingen ging het overheidsgezag uit van God en niet van de mensen. Gods Woord moest richtsnoer zijn voor het overheidshandelen.

De partij was voorstander van een door het Huis van Oranje geregeerd Nederland met een sterk gezag en een overheid die toeziet op handhaving van goede zeden en openbare orde. De ARP was steeds voorstander van een krachtige defensie.

Op economisch gebied was de ARP lange tijd voor een terughoudende rol van de overheid. Vooral na 1960 veranderde dit echter geleidelijk. De partij ging zich toen meer richten op het door de overheid bevorderen van sociale gerechtigheid, zowel nationaal als internationaal.

Op koloniaal gebied streefde de ARP naar economische en geestelijke verheffing van de inlandse bevolking. Deze ethische politiek diende gepaard te gaan met krachtige handhaving van het Nederlandse gezag.

In de Indonesische kwestie bestreed zij de politiek van de naoorlogse kabinetten, en wilde zij vasthouden aan een rijksverband tussen Nederland en Nederlands-Indië. Ook in de kwestie-Nieuw-Guinea wees zij soevereiniteitsoverdracht lange tijd af.

Tot 1963 was de ARP principieel tegenstander van vrouwelijke volksvertegenwoordigers. Lange tijd verzette zij zich ook tegen vaccinatiedwang en tot in de jaren dertig werd herinvoering van de doodstraf bepleit.

Tot 1917 was hoofdthema voor de ARP de financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs. Hierbij werd samengewerkt met RKSP en CHU, waarmee zij samen de zgn. 'coalitie' vormde.

Kuyper meende dat er een duidelijke politieke scheidslijn lag tussen partijen die zich op een christelijke beginsel baseerden en partijen die dat niet deden (de zogenaamde antithese). Een ander beginsel was de leer van soevereiniteit in eigen kring. Dat betekende dat het overheidsingrijpen beperkt diende te zijn en dat organisaties (scholen, gemeenten, verenigingen) een grote autonomie dienden te hebben.

ARP en de Tweede Kamerverkiezingen tussen 1946 en 1976

Van 1918 tot 1959 was de ARP de derde partij van Nederland. Nadien bleef haar aanhang rond de tien procent. Tussen 1888 en 1980 was de ARP diverse malen regeringspartij en waren enkele ARP'ers minister-president. In 1980 fuseerde de ARP met de CHU en KVP waardoor het CDA ontstond.

Historische ontwikkeling

De ARP kwam in 1879 voort uit een door Groen van Prinsterer geleide politieke stroming, die streefde naar een christelijke natie onder leiding van het Huis van Oranje, en die zich keerde tegen de tijdens de Franse Revolutie geformuleerde gedachte van volkssoevereiniteit.

In praktische zin was het streven naar gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs het eerste en voornaamste doel. Met name de Wet op het lager onderwijs van Kappeyne van de Coppello in 1878, die wel strengere eisen aan scholen stelde, maar bijzondere (christelijke) scholen ongesubsidieerd liet, zorgde voor een stroomversnelling. Door de antirevolutionairen werd een omvangrijke petitiebeweging in gang gezet, die de basis vormde voor de partijorganisatie.

Heel belangrijk bij de vorming van de ARP was verder de predikant Abraham Kuyper, die in 1876-1877 een partijprogramma ('Ons Program') opstelde. Hij had in 1872 al een antirevolutionaire krant ('de Standaard') opgericht. In 1880 was hij medeoprichter van de Vrije Universiteit in Amsterdam en rond 1886 speelde Kuyper bovendien een belangrijke rol bij de afsplitsing van de gereformeerden van de Hervormde Kerk, die beide nauw gelieerd waren aan de ARP.

Kuyper richtte zich op de 'gewone' kiezers, de kleine luyden, en was voorstander van uitbreiding van het kiesrecht en van sociale zekerheid. In 1894 leidde dit tot een splitsing in de partij, waaruit later de CHU ontstond.

In 1888 behaalde de ARP samen met de katholieken een Kamermeerderheid en werd het kabinet-Mackay gevormd. Pas in 1901 kon dit succes worden herhaald, en kon Kuyper zelf optreden als minister-president. Na een verkiezingsnederlaag in 1905 trad korte tijd een liberaal kabinet op, waarna in 1908 de ARP'er Th. Heemskerk minister-president werd. Kuyper bleef buiten dat kabinet. Nadat hij in 1909 bij een schandaal betrokken was geraakt, was zijn rol grotendeels uitgespeeld, al bleef Kuyper invloedrijk in zijn partij.

In 1920 nam H. Colijn het partijleiderschap op zich. Hij was oud-officier in Nederlands-Indië en directeur van de BPM (onderdeel van Shell). Onder zijn leiding werd nadruk gelegd op een krachtige defensie en een zuinig economisch beleid. Met name tijdens de crisisjaren 1933-1939 werd Colijn door velen gezien als de krachtige leider. In 1939 kwam er een einde aan het tijdperk-Colijn, en bleef de ARP buiten het kabinet.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelden diverse antirevolutionairen een vooraanstaande rol in het verzet. Belangrijk daarbij was de verzetskrant Trouw, waarvan J.A.J.H.S. Bruins Slot de leiding had. Partijleider J. Schouten overleefde het beruchte kamp Mauthausen. De kabinetten in Londen stonden onder leiding van de ARP'er P.S. Gerbrandy, die in 1939 tegen de zin van zijn partij was toegetreden tot het kabinet-De Geer.

De eerste jaren na de oorlog bleef de ARP buiten het kabinet, omdat zij zich niet kon verenigen met het Indië-beleid van de kabinetten-Schermerhorn, -Beel en -Drees. In 1952 keerde de ARP echter terug in de regering en werd de samenwerking met KVP en CHU hersteld.

Die samenwerking werd in 1965 en 1973 enigszins doorbroken, doordat ARP en KVP wél en de CHU niet toetraden tot kabinetten met daarin de PvdA. Vooral onder invloed van partijvoorzitter W.P. Berghuis en de fractievoorzitters Bruins Slot en J. Smallenbroek was de ARP een wat linksere koers gaan volgen. Het toetreden tot de centrumrechtse kabinetten-De Quay en -De Jong leidde tot onvrede bij de linkervleugel van de ARP.

Overigens deden zich na 1960 regelmatig spanningen in de partij voor tussen een deel van de achterban en de leiding, omdat er uiteenlopende opvattingen bestonden over de koers van de partij. De achterban was in meerderheid behoudender dan de leiding. Tijdens het kabinet-Den Uyl was er daarom soms kritiek op fractieleider W. Aantjes.

Samenwerkingsverbanden, afsplitsingen en fusies

In 1894 leidde een conflict over het kiesrecht tot splitsing van de ARP-Tweede Kamerfractie en later tot afscheiding van de Vrij-antirevolutionairen onder leiding van De Savornin Lohman. Hieruit ontstond in 1908 de CHU.

Ter linkerzijde ontstond in 1905 de Christen-Democratische Partij, die werd opgericht door het voormalige ARP-Tweede Kamerlid A.P. Staalman. Een echte bedreiging vormde die partij niet.

Dat lag anders met de in 1918 opgerichte SGP, die zich keerde tegen de samenwerking van ARP met katholieken en tegen de in haar ogen te weinig christelijke koers van de ARP.

In 1948 ging een aantal ARP'ers over naar het nieuwgevormde GPV. Die partij was nauw verbonden met een afsplitsing van de Gereformeerde Kerk.

Uit onvrede over deelname van de ARP aan centrum-rechtse kabinetten in de jaren zestig stapten in 1968 enkele ARP'ers over naar de PPR. De bekendste van hen was Bas de Gaay Fortman. Anderen richtten later de EVP op, die in 1991, met PPR, PSP en CPN, opging in GroenLinks.

Vanaf 1967 werd gestreefd naar versterking van de band met KVP en CHU. In 1974 werd naast de drie bestaande christelijke partij het federatieve CDA gevormd, die moest uitmonden in nieuwe partij. Een poging van ARP-fractievoorzitter Aantjes om de nieuwe fusiepartij een duidelijk progressief-evangelische koers te laten varen, mislukte. Desondanks ging de ARP akkoord met de grondslagen van de nieuwe partij en met de fusie, die in 1980 werd gerealiseerd.

Regeringsdeelname

De ARP nam, steeds in samenwerking met de katholieken, deel aan de kabinetten-Mackay, -Kuyper en -Heemskerk. Vanaf 1918 werd die samenwerking voortgezet, waarbij zich ook de CHU aansloot. Met uitzondering van de periode 1945-1952 zaten er steeds ARP'ers in het kabinet.

Als minister-president traden na 1918 namens de ARP op Colijn (vijf kabinetten), Gerbrandy (in Londen), J. Zijlstra en B.W. Biesheuvel.

Persoonlijkheden

Naast de eerder genoemde politieke leiders Kuyper, Colijn en Schouten, en de eerder genoemde minister-presidenten, kende de ARP vele vooraanstaande politici. Van hen noemen wij nog Talma, Idenburg en De Gaay Fortman senior.

A.S. Talma, een sociaal voelende predikant, was minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in het kabinet-Heemskerk en bracht belangrijke sociale wetgeving tot stand.

A.W.F. Idenburg, was koloniaal specialist en gold lange tijd als de gedoodverfde opvolger van Kuyper. Hij achtte zichzelf echter minder geschikt voor die rol. Idenburg was diverse malen minister van Koloniën en voorts Gouverneur van Suriname, Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, Kamerlid en minister van Staat.

W.F. de Gaay Fortman sr. ('Gaius') was aanvankelijk ambtenaar en later hoogleraar aan de VU. In de jaren vijftig en zestig trad hij enkele malen op als informateur en in 1960 werd hij Eerste Kamerlid. In 1973 bewerkstelligde hij met J. Boersma een doorbraak in de formatie van het kabinet-Den Uyl door zich als christendemocraat bereid te tonen minister te worden. Ook na zijn ministerschap bleef hij invloedrijk.

Electoraat

De partij was sterk verbonden met de Gereformeerde Kerk, maar had ook aanhang onder Hervormden (waaronder ook de rechtervleugel daarvan: de Gereformeerde Bond), Luthersen en Christelijk-Gereformeerden. Ongeveer 80 procent van de kiezers was gereformeerd. Circa 10 procent was Hervormd-gereformeerd.

De ARP zag haar aanhang al tijdens het districtenstelsel groeien, vooral nadat er in 1888 en 1897 veel meer mannen het kiesrecht hadden gekregen. De partij richtte zich op arbeiders, middenstanders, lagere officieren, boeren en kleine zelfstandigen uit de protestants-christelijke hoek. Dat betekende overigens niet dat de ARP geen aanhang had onder beter gesitueerden. De ARP had aanhang onder alle lagen van de bevolking.

De ARP had in vrijwel het gehele land (met uitzondering van Noord-Brabant en Limburg) aanhang. Zij was met name sterk vertegenwoordigd in Friesland, Overijssel, delen van Gelderland (de Veluwe), op het Zuid-Hollandse platteland en in Zeeland.

In tegenstelling tot KVP en CHU wist de ARP in de jaren zestig en zeventig haar aanhang redelijk constant te houden.

Kerngegevens

Opgericht:

3 april 1879

Oprichter:

Abraham Kuyper

Opgeheven:

27 september 1980 (gefuseerd tot CDA)

Secretariaat:

'Kuyperhuis', Dr. Kuyperstraat 3 te Den Haag

Leden:

hoogste aantal 102.737 (1950); 75.000 in 1971; 55.500 in 1980

Contributie:

12 tot 16 gulden per jaar; partijblad 10 gulden per jaar (1967)

Partijblad:

'Nederlandse Gedachten'

Jongerenorganisatie:

Anti-Revolutionaire Jongeren Studieclubs (ARJOS)

Wetenschappelijk instituut:

Dr. A. Kuyper-stichting

Logo/beeldmerk:

donkere driehoek met letters ARP, staande op een lichte sokkel met motto

Bekendste slogan(s):

'AR. Uw eigen huis' (1967)


Meer over

Kijk voor meer informatie over de ARP op de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen.

Bent u op zoek naar specifieke gegevens over Kamerleden van de ARP, bijvoorbeeld ten aanzien van de gemiddelde leeftijd, achtergrond of opleiding? In het biografisch archief van het Parlementair Documentatie Centrum zijn uitgebreide gegevens over Kamerleden opgenomen. Deze gegevens zijn onder voorwaarden beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek en journalistieke publicaties. Neem voor meer informatie contact op via het contactformulier.