Staatssecretaris

Een staatssecretaris ondersteunt een minister bij het politiek leiden van een ministerie. Staatssecretarissen komen vooral voor bij 'zware' ministeries. Daar krijgen zij een specifiek beleidsterrein onder hun hoede, maar de minister blijft medeverantwoordelijk. Net als de minister moet een staatssecretaris verantwoording afleggen aan het parlement. De functie van staatssecretaris werd in 1948 na een grondwetsherziening ingevoerd.

Positie

De verhouding tussen minister en staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. Een staatssecretaris treedt namens de minister op in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met in achtneming van de aanwijzingen van de minister.

In de praktijk komt het er echter op neer dat tijdens de formatie van een kabinet al wordt bepaald voor welke beleidsterreinen van een ministerie er een staatssecretaris moet komen. Politieke verhoudingen bepalen ook vaak hoeveel staatssecretarissen per partij in het kabinet zitting hebben. Soms kan door het creëren van een extra staatssecretaris het evenwicht in een kabinet worden bewaard.

Net als ministers zijn staatssecretarissen lid van een partij die deelneemt aan de regeringscoalitie. Tot omstreeks 1970 bepaalde de minister vaak zelf wie staatssecretaris werd, maar dat is niet meer zo. Wel zal een minister akkoord moeten gaan met de keuze voor een bepaalde persoon als staatssecretaris op zijn departement. Vaak wordt een staatssecretaris benoemd met een andere politieke kleur dan de minister. Daarmee wordt een politiek evenwicht op het ministerie beoogd.

Een staatssecretaris is lid van het kabinet, maar niet van de ministerraad. Als het beleidsterrein van de staatssecretaris aan de orde is, wordt deze wel voor het overleg in de ministerraad uitgenodigd. Stemrecht heeft de staatssecretaris niet.

Soms mag een staatssecretaris zich in het buitenland minister noemen. Zo mag de staatssecretaris van Economische Zaken, die Nederland vaak vertegenwoordigde in handelsdelegaties en op internationale handelsconferenties, zich in het buitenland 'minister van Buitenlandse Handel' noemen.

De staatssecretaris legt wel zelfstandig verantwoording af in het parlement. Als het parlement het vertrouwen in een staatssecretaris verliest, zal deze moeten vertrekken. De minister kan dan blijven zitten, ondanks het feit dat volgens de Grondwet de minister medeverantwoordelijk is.

Omgekeerd biedt een staatssecretaris wel ontslag aan als de minister om welke reden dan ook ontslag neemt. Dit volgt uit het (Grondwettelijke) principe dat een minister (dus ook de nieuwe) zelf moet kunnen beslissen of, en zo ja, wie hij of zij als staatssecretaris wil hebben op het departement. Als regel behoudt de nieuwe minister echter dezelfde staatssecretaris.

Taken

De staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de minister en overlegt na de benoeming met de minister over de vraag hoe zij hun taken zullen verdelen. De taakomschrijvingen van de staatssecretarissen kunnen per kabinetsperiode verschillen en worden na hun benoeming in de Staatscourant gepubliceerd.

De staatssecretaris kan de minister vervangen, bijvoorbeeld bij debatten. Tevens kan de staatssecretaris namens de minister deelnemen aan ministerraadvergaderingen. De staatssecretaris heeft dan echter geen stemrecht. Zij kunnen daarnaast lid zijn van de onderraden van de ministerraad. Sinds 1998 kunnen staatssecretarissen op grond van de ministeriële vervangingsregeling optreden als vervanger van de minister, bijvoorbeeld bij Kamerdebatten of in internationale contacten.

Niet op elk ministerie wordt een staatssecretaris aangesteld. Dit hangt af van de politieke samenstelling van het kabinet, maar vooral van de 'zwaarte' van een ministerie. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is bijvoorbeeld een zo omvangrijk ministerie dat vaak twee staatssecretarissen benoemd werden. In het kabinet-Rutte II is dat er weer een. De minister van Financiën heeft vrijwel altijd een staatssecretaris voor fiscale zaken naast zich, en naast de minister van Buitenlandse Zaken was er vaak een staatssecretaris voor Europese samenwerking.

Inkomen

De inkomens van bewindslieden verschillen per functie. Zo verdienen de minister-president en ministers per 1 januari 2016 ca. 157 duizend euro per jaar en staatssecretarissen ca. 147 duizend euro. Dit zijn bedragen inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Ook ontvangen deze ambtsdragers zowel een vaste als variabele jaarlijkse onkostenvergoeding in verband met de uitoefening van hun functie. De vaste onkostenvergoedingen voor de minister-president en minister van Buitenlandse Zaken vallen hoger uit dan die van andere ministers of staatssecretarissen.

Huidige staatssecretarissen

Er zijn op dit moment 7 staatssecretarissen. De huidige staatssecretarissen zijn:


Meer over