Aftredende bewindslieden

Er kunnen diverse redenen zijn waarom een bewindspersoon tussentijds aftreedt. Er kan een conflict optreden met de collega's over het te voeren beleid, de Tweede Kamer kan het vertrouwen opzeggen, of er kunnen persoonlijke redenen aan vertrek ten grondslag liggen. Daarnaast worden bewindslieden soms in andere (bijvoorbeeld internationale) functies benoemd.

Als een minister om politieke redenen moet aftreden, spreken we van een ministerscrisis.

Opvallend is dat vrijwel nooit expliciet het vertrouwen wordt opgezegd, maar dat bewindslieden meestal zelf (na ernstige kritiek) aanleiding zien om op te stappen. Hieronder treft u van iedere reden de meest recente gevallen.

Expliciete opzegging van vertrouwen

Als er een motie van wantrouwen wordt ingediend tegen een minister of als diens begroting wordt verworpen is er sprake van een expliciete opzegging van vertrouwen. Dit kan voor een minister reden zijn om af te treden. Een expliciete opzegging van vertrouwen komt vrijwel niet voor. De laatste minister die aftrad nadat de begroting was verworpen, was in 1919 minister Bijleveld van Marine.

Eerder deed zich dat voor in 1883 en 1890 toen de begroting voor Koloniën werd verworpen en de minister aftrad.

Impliciete opzegging van vertrouwen

Meestal wachten ministers een motie van wantrouwen niet af en houden ze de eer aan zichzelf. Dit doen ze door na ernstige kritiek, nog voordat een motie van wantrouwen ingediend is, af te treden. Als er ernstige kritiek wordt geuit in het parlement, zonder dat dit formeel bekrachtigd wordt met een motie van wantrouwen, is er sprake van een impliciete opzegging van vertrouwen. Dit komt veel vaker voor dan een expliciete opzegging van vertrouwen.

Voorbeelden

De harde conclusies van het rapport van de enquêtecommissie Fyra waren op 28 oktober 2015 voor staatssecretaris Wilma Mansveld reden om af te treden.

Op 30 januari 2014 bood staatssecretaris van Financiën Frans Weekers zijn ontslag aan. Dat deed hij nadat er een dag eerder tijdens een Tweede Kamerdebat ernstige kritiek was geuit op zijn aanpak van problemen met het uitbetalen door de Belastingdienst van toeslagen. Nog voor een motie van wantrouwen was ingediend, kondigde hij zijn vertrek aan.

Staatssecretaris Linschoten van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vertrok in 1996 omdat de Tweede Kamer de kritiek van een Kamercommissie op zijn beleid inzake het CTSV (College van Toezicht Sociale Verzekeringen) had overgenomen. Bij het CTSV deden zich ernstige bestuursproblemen voor. Bovendien was een advies over ingrepen in de Ziektewet enige tijd door Linschoten achtergehouden. Na het Kamerdebat over het rapport stapte Linschoten zelf op.

In 1994 was een door de Tweede Kamer aangenomen motie-Dijkstal waarin hen de verantwoordelijkheid voor het IRT-dossier werd ontnomen, voor de ministers Van Thijn en Hirsch Ballin reden om af te treden.

In 1988 en 2002 traden bewindslieden af vanwege een afkeurend oordeel van een parlementaire enquêtecommissie. In 1988 waren dat minister Van Eekelen en staatssecretaris Van der Linden, en in 2002 was dat minister Korthals. Van Eekelen en Korthals bekleedden beiden overigens inmiddels al een andere kabinetspost, dan die waarop de kritiek betrekking had.

Andere bewindslieden die werden bekritiseerd door een enquêtecommissie (zoals Van Aardenne in de RSV-affaire, en Borst en Jorritsma bij de Bijlmer-affaire) bleven wel aan.

In januari 2017 stapte minister Van der Steur op na nieuwe onthullingen over zijn rol als Kamerlid bij de beantwoording van vragen over de zgn. Teevendeal. Na zijn beantwoording in eerste termijn in de Tweede Kamer deelde hij mee dat hij moest constateren dat er onvoldoende vertrouwen was om te kunnen aanblijven.

Aanvaarding politieke verantwoordelijkheid

Als er ernstige kritiek wordt geuit, zonder dat hierover een motie van wantrouwen is ingediend én zonder dat de Kamer zich uitgesproken heeft, kan de minister besluiten af te treden. In dit geval aanvaardt hij of zij politieke verantwoordelijkheid.

Voorbeelden

Zonder dat de Tweede Kamer zich had kunnen uitspreken, trad in maart 2015 minister Opstelten van Veiligheid en Justitie af. Aanleiding was de ontdekking dat op zijn ministerie toch te achterhalen bleek welk bedrag was gemoeid met een deal in 2000 van het OM met de drugscrimineel Cees H. In een debat in 2014 had Opstelten laten weten dat die informatie niet was te achterhalen. Na publicaties in de media werd een nieuw onderzoek ingesteld, waarbij alsnog digitale gegevens boven water kwamen.

Staatssecretaris Teeven, als officier van justitie betrokken bij die deal, volgde het voorbeeld van zijn minister.

In september 2006 was het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid o.l.v. mr. Pieter van Vollenhoven over de brand in het cellencomplexen op Schiphol voor de ministers Dekker en Donner reden om af te treden.

Parlementaire nederlaag

Als een minister zijn of haar politieke lot heeft verbonden aan een wetsvoorstel en dit wetsvoorstel vervolgens wordt verworpen door het parlement, kan de minister hier conclusies uit trekken.

Voorbeelden

In 1927 trad minister Van Karnebeek van Buitenlandse Zaken af, nadat de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Verdrag met België had verworpen. De minister zag dit in 1925 gesloten verdrag, dat de verhoudingen met België moest verbeteren, als zijn levenswerk. Het bepaalde onder meer dat er een verbinding tussen de Schelde en de Rijn moest komen, en daartegen was veel verzet.

Op 23 maart 2005 trad minister De Graaf, vicepremier en minister van Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties af, nadat de avond ervoor de Eerste Kamer een door hem verdedigde Grondwetswijziging had verworpen. Door die herziening zou de benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koningin uit de Grondwet worden gehaald, waarmee de weg vrij zou komen voor de gekozen burgemeester en gekozen Commissaris. Toen De Graaf bleek dat de VVD eigenlijk ook niets zag in het door hem voorgestelde nieuwe kiesstelsel, restte hem niets anders dan aftreden.

Vertrouwensbreuk met een regeringspartij

Als een minister kritiek krijgt van een regeringspartij kan dit voor de minister ook reden zijn om ontslag te nemen. Het kan anders erg lastig worden om een meerderheid te verwerven in het parlement, indien wetsvoorstellen van de betreffende minister worden behandeld.

Voorbeeld

Minister Braks van Landbouw en Visserij stapte in 1990 op, nadat een Kamercommissie ernstige kritiek op zijn beleid inzake visfraude had uitgeoefend. De PvdA-fractie deelde die kritiek en stuurde aan op het aftreden van de minister. Het gebrek aan vertrouwen van één van de regeringspartijen was voor Braks voldoende reden om ontslag te nemen.

Vertrouwensbreuk met eigen partij

Het kan ook voorkomen dat er een gebrek aan vertrouwen is binnen de partij van de minister zelf.

Voorbeelden

In november 2008 zegden PvdA-vicepremier Bos, fractievoorzitter Hamer en partijvoorzitter Ploumen het vertrouwen op in minister Vogelaar. Zij vonden dat zij op haar beleidsterreinen onvoldoende resultaten had bereikt en hadden er geen vertrouwen in dat die resultaten er wel zouden komen.

Staatssecretaris Ter Veld trad in 1993 af omdat de PvdA-Tweede Kamerfractie ernstige kritiek had op haar plannen voor bezuinigen op de bijstand. Ter Veld kreeg het verwijt onvoldoende te communiceren met de PvdA-fractie.

In 1986 moest staatssecretaris Brokx van Volkshuisvesting aftreden, nadat CDA-fractievoorzitter Bert de Vries hem schriftelijk daartoe had aangespoord. De Vries vreesde dat de parlementaire enquête naar de bouwsubsidies schade zou toebrengen aan het functioneren van Brokx.

ARP-minister Van Aartsen van Volkshuisvesting kwam in 1960 in conflict met de ARP-fractie (die daarin werd gesteund door de CHU-fractie) over het aantal te bouwen woningwetwoningen. Omdat hij zijn eigen politieke lot verbond aan dat van het gehele kabinet, leidde een afkeurende motie tot een kabinetscrisis.

VVD-minister Stikker kwam in 1951 in conflict met zijn 'eigen' VVD-fractie. VVD-fractievoorzitter Oud diende een motie in die afkeuring inhield van het door Stikker gevoerde beleid in de kwestie-Nieuw-Guinea. Hoewel de motie werd verworpen, trad Stikker toch af. Hij had tevoren meegedeeld dat steun van de VVD-fractie voor de motie voor hem al reden zou zijn om op te stappen. De overige ministers boden na het aftreden van Stikker eveneens hun portefeuilles ter beschikking.

Intern conflict

Binnen het kabinet kunnen ministers of staatssecretarissen onderling met elkaar in conflict komen. Er kan dan een intern conflict ontstaan. Bij een intern conflict gaat het vaak om meningsverschillen over het te voeren beleid. Naar aanleiding van dit conflict kunnen ministers concluderen dat er een onwerkbare situatie is ontstaan en opstappen.

Voorbeelden

In juni 2004 ontstond een onwerkbare verhouding tussen minister Van der Hoeven en haar staatssecretaris Nijs, nadat laatstgenoemde zich in een interview kritisch over minister had uitgelaten. Ondanks excuses drong de VVD-top aan op haar vertrek.

In 2002 traden de ministers Bomhoff en Heinsbroek (beiden LPF) af, omdat tussen hen tweeën een onwerkbare situatie was ontstaan. De beide andere regeringspartijen, CDA en VVD, zagen in de voortdurende conflicten en het gebrek aan politieke leiding bij de LPF aanleiding om het vertrouwen in het gehele kabinet op te zeggen, hoewel er feitelijk geen sprake was van een inhoudelijk conflict.

Tijdens het eerste kabinet-Van Agt waren er twee ministers die aftraden na een conflict met hun collega's. In maart 1978 trad minister Kruisinga van Defensie af, omdat hij vond dat de regering krachtiger stelling moest nemen tegen het voornemen van de Verenigde Staten om de neutronenbom te ontwikkelen.

In maart 1980 wilde minister van Financiën Andriessen een stringenter ombuigingsbeleid voeren dan de overige ministers. Hoewel de VVD de lijn van Andriessen feitelijk deelde, besloten de VVD-ministers onder aanvoering van vicepremier Wiegel, hem toch niet te steunen. Daarmee werd een kabinetscrisis voorkomen, en trad alleen Andriessen af. Zijn staatssecretaris, Nooteboom, stapte eveneens op.

In 1975 ontstond er een ruzie tussen minister Van Agt en staatssecretaris Glastra van Loon, nadat laatstgenoemde in een interview kritiek had geuit op de ambtelijke leiding van het ministerie van Justitie. Glastra van Loon was daarna gedwongen om zijn ontslag te nemen.

Benoeming in andere functies

De volgende bewindslieden vertrokken omdat zij tussentijds in een andere functie werden benoemd:

Overzicht

 

wie

nieuwe functie

jaar

Timmermans

lid Europese Commissie

2014

Aboutaleb

burgemeester Rotterdam

2009

Rutte

fractievoorzitter VVD

2006

De Hoop Scheffer

secretaris-generaal NAVO

2003

Cohen

burgemeester Amsterdam

2001

Van den Broek

lid Europese Commissie

1993

Scholten

vicepresident Raad van State

1980

Vredeling

lid Europese Commissie

1977

Lardinois

lid Europese Commissie

1973

Mansholt

lid Europese Commissie

1957

Enkele bewindslieden traden aan het einde van de regeringsperiode af, omdat zij benoemd waren in een andere functie. Dat waren onder anderen de ministers d'Ancona en Maij-Weggen, die in 1994 lid van het Europees Parlement werden, minister Deetman die in 1989 Tweede Kamervoorzitter werd, staatssecretaris Wim Polak die in 1977 burgemeester van Amsterdam werd, en minister Lieftinck die in 1952 bewindvoerder van de Wereldbank werd.

Persoonlijke redenen

Behalve gezondheid (zoals bij minister Brouwer van Landbouw in 1973 en staatssecretaris Veerman in 1975) kunnen er andere persoonlijke redenen zijn voor bewindspersonen om op te stappen.

In 2002 stapte al op de dag van haar aantreden staatssecretaris Bijlhout op vanwege door haar verzwegen betrokkenheid bij milities ten tijde van het bewind-Bouterse in Suriname.

Minister Peper trad in 1999 af vanwege beschuldigingen aan zijn adres over zijn declaratiegedrag als burgemeester van Rotterdam. Peper wilde zijn 'handen vrij' houden om zich tegen die beschuldigingen te kunnen verweren, en meende dat als minister niet te kunnen doen.

Roel in 't Veld was in 1993 slechts kort staatssecretaris, doordat hij in opspraak kwam over een door hem tijdens zijn hoogleraarschap uitgeoefende nevenfunctie.

In 1989 trad staatssecretaris Evenhuis af, nadat in de pers berichten waren verschenen over mogelijke onregelmatigheden bij steunverlening aan een bedrijf van een familielid.

In 1982 trad Charles Schwietert al na enkele dagen af als staatssecretaris van Defensie toen bleek dat hij onjuiste informatie had verstrekt over zijn opleiding en officiersloopbaan.


Meer over...