Oogstjaar 2016

1 januari 2016, column Bert van den Braak

Lange tijd bestond het beeld dat het vierde jaar van een kabinetsperiode het 'oogstjaar' moest worden. De gedachte was toen: plannen en wetgeving vergen nu eenmaal enige tijd en pas in het vierde jaar kunnen veel voorstellen door het parlement worden geloodst. De PvdA kondigde in 1976 zelfs 'het jaar van de waarheid' af, want nog voor de verkiezingen moesten vier belangrijke wetsvoorstellen worden afgehandeld om het kabinet-Den Uyl als succes te kunnen aanmerken. Daar kwam overigens niets van terecht.

Nu was de term 'oogstjaar' in het verleden niet helemaal zonder grond, maar eigenlijk was daar slechts zelden sprake van. De kabinetten-De Quay en -De Jong, die beide de vier jaar volmaakten, wisten inderdaad in hun laatste jaar nog enkele belangrijke wetten in het Staatsblad te krijgen. Onder De Quay kwam in 1963 bijvoorbeeld nog de Mammoetwet (de wet over het voortgezet onderwijs) en de Algemene Bijstandswet tot stand, en De Jong realiseerde in 1971 belangrijke wijzigingen in het ondernemingsrecht, de huurharmonisatie en een herziening van de Echtscheidingswet. Maar dat waren uitzonderingen. Goed beschouwd is de term 'oogstjaar' een loze kreet. Sommige kabinetten wisten al in de eerste twee jaar van hun bestaan baanbrekende veranderingen door te voeren, al betrof dat niet altijd wetgeving, maar bijvoorbeeld een omvangrijk bezuinigingsprogramma (zoals bij Lubbers I) of een andere begrotingssystematiek (zoals bij Kok I met de Zalmnorm).

Sommige kabinetten konden verder 'oogsten' wat hun voorgangers al op stapel hadden gezet. Tijdens Lubbers II werd bijvoorbeeld in het eerste jaar de omvangrijke stelselherziening sociale zekerheid gerealiseerd. De behandeling daarvan in de Tweede Kamer was al voor de verkiezingen afgerond en tijdens Lubbers II vond alleen het debat in de Senaat plaats. Dat zelfde kabinet kon snel de Mediawet tot stand brengen. Veel plannen van het kabinet-Den Uyl, dat zelf op wetgevingsgebied weinig wist te realiseren, werden door het opvolgende kabinet-Van Agt I alsnog vrij vlot - zij het soms in drastisch gewijzigde vorm - door het parlement geloodst.

Het is zeker waar, dat nieuwe, omvangrijke wetgeving in veel gevallen een lange(re) voorbereidings- en behandeltijd vraagt. De Mammoetwet van Cals uit 1963 was door hem al in 1958 - tijdens het vierde kabinet-Drees - ingediend. Ook dat beeld is geregeld te zien: wetgeving wordt vaak afgehandeld door een coalitie met een andere 'kleur' dan die tijdens de indiening bestond. Het komt uiteraard voor dat een nieuwe coalitie plannen van haar voorganger terzijde schuift, maar evenzeer wordt op veel terreinen voortgebouwd op eerdere voorstellen. Wetgeving is in die zin ook vaak een politiek breder gesteund proces dan wel wordt gedacht. Zoeken naar bredere steun is zelfs een wezenskenmerk van de Nederlandse politiek.

Dat gold - noodgedwongen - in belangrijke mate ook voor het huidige kabinet. Daarmee wist het kabinet-Rutte II veel van zijn eigen plannen al in de eerste drie jaar van zijn bestaan tot een goed einde te brengen. Gesteld kan worden dat geen eerder kabinet al zo veel, zo snel wist te 'oogsten' als het huidige kabinet 1). Nu werd de noodzaak om de overheidsfinanciën op orde te brengen al breed erkend, getuige het Lente-akkoord dat VVD, CDA, D66, ChristenUnie en GroenLinks in de nadagen van Rutte I sloten. Dat besef van urgentie was er ook ten aanzien van de woningmarkt, het ontslagrecht en de pensioenen.

Als al sprake is van een 'oogstjaar' dan is dat voor het kabinet-Rutte II vooral in de zin dat de uitvoering op orde moet komen, bijvoorbeeld van het persoonsgebonden budget en van de bestrijding van de werkloosheid. VVD en PvdA moeten hopen successen te kunnen 'oogsten' van de eerder realiseerde hervormingen. Dat zal waarschijnlijk niet meevallen.

De werkelijkheid zou wel eens kunnen zijn dat nieuwe vraagstukken zoals de vluchtelingencrisis, successen - zo die al zichtbaar worden - zullen overschaduwen. De twee regeringspartijen krijgen er daarmee een flinke kluif aan om het negatieve beeld dat al geruime tijd bestaat, bij te stellen. In 2016 kan niet veel meer in gang worden gezet en is het vooral wachten (of hopen) op de 'oogst' in de samenleving. Daarna resten er nog een paar maanden verkiezingscampagne om te voorkomen dat het beeld dat zich voor hen aftekent werkelijkheid wordt. Vooral de PvdA moet vrezen 2).

Uiteraard wens ik alle lezers alle goeds voor 2016 toe.



Andere recente columns