Tragische tweede viool

7 november 2014, column Bert van den Braak

Het Nederlandse politieke bestel is complexer dan bijvoorbeeld dat in de VS waar een president verkiezingen - zelfs tussentijds - kan winnen of verliezen. Verkiezingsuitslagen worden bij ons vrijwel altijd 'genuanceerd' uitgelegd. Wie won bijvoorbeeld de verkiezingen van 2012: oppositie of regering? Een verliezende partij kan bovendien (zeker na een formatie) alsnog als 'winnaar' uit de bus komen, zoals het CDA in 2010*. Aan de andere kant kan een winnaar uiteindelijk het nakijken hebben, zoals de PvdA in 1982 en 1986, GroenLinks in 1998 en de SP in 2006. Er is echter wel één onmiskenbaar patroon: de kleinste regeringspartij verliest vrijwel altijd.

In 1982 ging D66 elf zetels achteruit na deelname aan de kabinetten-Van Agt II en III. In 1989 verloor de VVD na Lubbers I negen zetels en na Lubbers II nog eens vijf. De PvdA verloor na ruim vier jaar regeringsdeelname in 1994 twaalf zetels en D66 na Paars I (1994-1998) tien zetels. In 2003 ging de LPF achttien zetels achteruit (uiteraard speelde daarbij meer dan alleen de mislukte regeringsdeelname) en in 2006 verloren VVD zes zetels en D66 (kleinste partner in Balkenende II) drie zetels. In 2010 was er verlies voor PvdA (drie zetels) en ChristenUnie (één zetel) en in 2012 ging het CDA acht zetels achteruit. Er waren twee uitzonderingen. In 1998 won de VVD onder leiding van Bolkestein zeven zetels en in 2003 wonnen de liberalen vier zetels (gezien het debacle van de LPF was dat feitelijk bescheiden).

In sommige jaren (1972, 1994, 2006 en 2010) verloor ook de grootste regeringspartij en het was dus niet zo dat het verlies van de ene partner automatisch winst voor de andere coalitiepartij opleverde. Dat was wel het geval in 1986 (het CDA van Lubbers won toen negen zetels) en 1998 (de PvdA van Kok won twaalf zetels). Er was eveneens heel bescheiden winst voor de grootste in 2003 CDA (één zetel), maar juist forse winst in 2012 toen de grootste regeringspartij VVD onder leiding van premier Rutte tien zetels won.

De winst van de grootste regeringspartij kon soms mede als 'bonus' voor de premier worden gezien: Drees in 1956, Den Uyl in 1977, Lubbers in 1986, Kok in 1998, Balkenende in 2003 en Rutte in 2012. Maar uit de uitslag in vele andere jaren blijkt dat een premierschap geen garantie is voor winst van de grootste regeringspartij, met Balkenende in 2010 als leider van het twintig zetels verliezende CDA als treffendste illustratie. Uiteraard moeten die uitslagen altijd in hun context worden beschouwd. Na slecht functionerende kabinetten - soms alleen in de beeldvorming, maar soms ook daadwerkelijk - werden regeringspartijen nog wel eens echt 'afgerekend'. Daarmee is bijvoorbeeld het verlies van CDA en PvdA in 1994 en in 2010 te verklaren.

Het vrijwel stelselmatige verlies van de tweede of derde regeringspartij deed zich zelfs al voor in 1963 toen de VVD na het tamelijk succesvolle kabinet-De Quay in een periode van hoogconjunctuur toch drie zetels achteruit ging. Het herhaalde zich vanaf 1982 vrijwel steeds. Regeren kan - zo lijkt het - lonen, maar vrijwel nooit als tweede of derde partij. Het spelen van de tweede viool blijkt zelden aantrekkelijk te zijn. Is 'de tweede partij' te weinig zichtbaar, moet zij te veel inleveren? Het lijkt erop. Als er 'succes' is voor een kabinet, dan profiteert bijna steeds uitsluitend de grootste regeringspartij.

Het zou verleidelijk kunnen zijn om na verkiezingen tegen de grootste partij te zeggen: doe het maar alleen. Maar bij het gefragmenteerde politieke landschap van nu, met een grootste partij die misschien maar dertig zetels heeft, is dat niet zo waarschijnlijk. En dus zal er straks (in 2017) eerst weer worden 'afgerekend' en mogen daarna nieuwe tweede (en wellicht derde of vierde) partijen aanschuiven bij de grootste om een kabinet te vormen. Door beter te beseffen welke electorale risico's dat oplevert, kunnen partijen zich mogelijk vanaf het begin wat weerbaarder opstellen. Vooral beter 'verwachtingsmanagement' bij kiezers en achterban zou kunnen helpen.

Tijdens de onlangs in Den Haag gehouden Europa-lezing wees de voormalige Letse president Vaira Vike-Freiberga op de blijvende noodzaak voor leiders in de EU om politieke moed te tonen. Soms moeten zij tegen populistische geluiden ingaan en impopulaire besluiten nemen en verdedigen om verkeerde ontwikkelingen te keren. Hopelijk is de wetenschap dat die moed vaak niet electoraal wordt beloond geen reden voor minder moedig gedrag.

*) zie column 6 augustus 2010



Andere recente columns