Commissie legt producenten spanstaal voor 458 miljoen geldboetes op vanwege kartelvorming van bijna twintig jaar

Met dank overgenomen van Europese Commissie (EC), gepubliceerd op woensdag 6 oktober 2010.

 Mededinging: Commissie legt producenten spanstaal voor 458 miljoen EUR geldboeten op, in kartel dat bijna twintig jaar lang afspraken maakte over prijzen en verdeling van markten

De Europese Commissie heeft 17 producenten van spanstaal voor in totaal € 458 410 750 EUR geldboeten opgelegd omdat zij 18 jaar (tot 2002) lang een kartel opereerden dat, op drie na, alle toenmalige EU-Lidstaten bestreek. De beschikking van de Commissie stelt vast dat de producenten het Europese verbod op kartels en concurrentiebeperkende praktijken van ondernemingen hebben overtreden. Spanstaal is de benaming voor metaaldraad en strengen uit metaaldraad die worden gebruikt in voorgespannen betonelementen zoals balkonelementen of funderingspalen, of bij bijvoorbeeld bruggenbouw. Dit is het vierde kartelbesluit sinds begin februari. Daarmee is het totale bedrag aan geldboeten die tot dusver voor kartels in 2010 zijn opgelegd opgelopen tot 1,433 miljard EUR.

"Het is ontstellend te moeten zien hoe een zo groot aantal bedrijven bijna de volledige Europese bouwmarkt zo lang en voor zo'n onmisbaar product naar zijn hand heeft weten te zetten. Je zou haast denken dat ze in een planeconomie actief waren", aldus Joaqu?n Almunia, Vicevoorzitter van de Commissie en belast met het mededingingsbeleid. "De Commissie kent geen genade voor kartelleden. Recidivisten zullen een hogere geldboete krijgen en claims van bedrijven dat zij niet in staat zijn de geldboeten te betalen, zullen alleen worden geaccepteerd wanneer het betrokken bedrijf daardoor het faillissement wordt ingeduwd; zoiets is echter hoogst zeldzaam - zelfs in deze moeilijke tijden."

De Commissie heeft vandaag aan 17 producenten van spanstaal voor in totaal € 458 410 750 EUR geldboeten opgelegd voor hun deelname aan een kartel. Tussen januari 1984 en september 2002 hadden zij prijsafspraken gemaakt en de markten onder elkaar verdeeld voor alle landen die toen deel uitmaakten van de EU (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Griekenland). Het kartel heeft ook Noorwegen getroffen. In 2002 kwam een eind aan het kartel, toen DWK/Saarstahl het bestaan ervan onthulde in het kader van de EU-clementieregeling (die net dat jaar was ingevoerd) en de Commissie onaangekondigde inspecties uitvoerde op de bedrijfslocaties van vermoedelijke kartelleden.

Ruim 18 jaar lang hadden de ondernemingen individuele quota en prijzen vastgesteld, klanten onder elkaar verdeeld en commercieel gevoelige informatie uitgewisseld. Bovendien monitorden zij hun afspraken inzake prijzen, klanten en quota via een systeem van nationale coördinatoren en bilaterale contacten. Dit is een inbreuk van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

De eerste pan-Europese bijeenkomsten van het kartel vonden plaats in het Zwitserse Zürich; vandaar ook dat het kartel eerst de "club Zürich" werd genoemd. Nadien ging het de "club Europa" heten. Maar er waren ook twee regionale vertakkingen: in Italië ("Club Italia") en in Spanje en Portugal ("Club España"). De verschillende vertakkingen waren ook onderling verweven via overlappingen in het gedekte gebied en in hun ledenbestand en door hun gemeenschappelijke doelstellingen. De betrokken ondernemingen kwamen meestal bijeen in de marge van officiële branchebijeenkomsten in hotels over heel Europa. De Commissie beschikt over bewijsmateriaal voor meer dan 550 dergelijke kartelbijeenkomsten.

De onderstaande tabel geeft de totale maximumbedragen die iedere groep moet betalen. Binnen een groep kunnen individuele ondernemingen dan weer aansprakelijk zijn voor de betaling van het volledige boetebedrag of een deel daarvan. In totaal zijn er 36 betrokken ondernemingen.

 
   

Geldboete

(in EUR)*

Inclusief (in %)

clementiekorting en korting wegens medewerking buiten de clementieregeling om

1.

ArcelorMittal (L, F, B, I)

230 400 000

20%

2.

Emesa/Galycas/ArcelorMittal (España) (ES, L)

36 720 000

5% (Em/Gal)/20% (AM)/35% (AM es)

3.

GlobalSteelWire/Tycsa (ES)

54 389 000

 

4.

Proderac (ES)

482 250

 

5.

Companhia Previdente/Socitrel (P)

12 590 000

 

6.

Fapricela (P)

8 874 000

 

7.

Nedri/HIT Groep (NL)

6 934 000

25% (Nedri)

8.

WDI/Pampus (DE)

46 550 000

5%

9.

DWK/Saarstahl (DE)

0

100%

10.

voestalpine Austria Draht (AT)

22 000 000

 

11.

Rautaruukki/Ovako (FI/SE)

4 300 000

 

12.

Italcables/Antonini (I)

2 386 000

50%

13.

Redaelli (I)

6 341 000

 

14.

CB Trafilati Acciai (I)

2 552 500

 

15.

I.T.A.S. (I)

843 000

 

16.

Ori Martin/Siderurgica Latina Martin (I)

19 800 000

 

17.

Emme Holding (I)

3 249 000

 
 

TOTAL

458 410 750

 

(*) Rechtspersonen binnen de onderneming kunnen hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van het volledige bedrag van de opgelegde geldboete of een deel daarvan.

Bij het bepalen van de boetebedragen hield de Commissie rekening met de verkopen van de bewuste ondernemingen op de betrokken markten in het laatste jaar vóór het kartel werd beëindigd (2001), maar ook met het feit dat het een zeer zware inbreuk betrof, met de geografische impact van het kartel en met de lange looptijd ervan. De Commissie heeft de geldboeten voor ArcelorMittal Fontaine en ArcelorMittal Wire France met 60% verhoogd, omdat deze ondernemingen al tweemaal een geldboete hadden gekregen voor kartels in de ijzer- en staalindustrie (zie IP/89/627 (wapeningsnetten) en IP/94/134 (stalen balken)). Ook Saarstahl had in het balkenkartel al een geldboete gekregen, maar kreeg in dit kartel volledige boete-immuniteit verleend omdat het, op basis van de clementieregeling van 2002, als eerste met informatie naar de Commissie is gestapt.

Voorts hield de Commissie hield rekening met het feit dat Proderac en Emme Holding binnen het kartel een bescheidener rol speelden. Daarom verlaagde zij de geldboete voor beide ondernemingen met 5%.

Omdat het kartel zo lang heeft geduurd, zou voor diverse ondernemingen de geldboete boven het wettelijke plafond van 10% van de omzet voor 2009 uitkomen. Daarom zagen zij hun geldboete tot dat maximum teruggebracht.

Voorts heeft de Commissie ook boeteverminderingen verleend wegens medewerking in het kader van de clementieregeling van 2002 (zie IP/02/247 en MEMO 02/23) aan: Italcables/Antonini (50%), Nedri (25%), Emesa en Galycas (elk 5%), ArcelorMittal en haar dochterondernemingen (20%), en WDI/Pampus (5%). ArcelorMittal España zag haar geldboete met 15% verminderd wegens haar medewerking buiten de clementieregeling om. Redaelli en SLM voldeden niet aan de voorwaarden voor een boetevermindering op basis van de verleende medewerking, en kregen dan ook geen boetevermindering.

Ten slotte heeft de Commissie in drie gevallen "onvermogen te betalen"-claims geaccepteerd en op basis daarvan de geldboeten die anders waren opgelegd, met respectievelijk 25%, 50% en 75% verlaagd. De Commissie had 13 dergelijke verzoeken ontvangen in het kader van haar richtsnoeren boetetoemeting 2006.

Wanneer een onderneming aanvoert dat zij de geldboete niet kan betalen, kijkt de Commissie naar recente jaarrekeningen, de voorlopige jaarrekeningen voor het lopende jaar en de prognoses, diverse financiële ratio's waarmee de soliditeit, winstgevendheid, solvabiliteit en liquiditeit van ondernemingen wordt gemeten, en naar de relaties van die ondernemingen met externe financiële partners en met aandeelhouders. Ook onderzoekt de Commissie voor iedere onderneming de sociaal-economische context. Ten slotte gaat zij na wat het risico is dat de activa van de betrokken onderneming sterk in waarde zouden dalen indien de onderneming, als gevolg van de haar opgelegde geldboete, zou moeten worden geliquideerd.

Achtergrond

Het onderzoek van de Commissie kwam er na onaangekondigde inspecties in september 2002 en juni 2006. In oktober 2008 is de betrokken ondernemingen een mededeling van punten van bezwaar gezonden (zie MEMO 09/53). Na de antwoorden van de partijen op de mededeling van punten van bezwaar, heeft de Commissie de bezwaren tegen één concern laten vallen. De geldboeten zijn gebaseerd op de richtsnoeren boetetoemeting van 2006.

Schadeclaims

Particulieren of ondernemingen die van concurrentiebeperkende praktijken zoals in deze zaak te lijden hebben, kunnen de zaak voor de nationale rechter brengen en schadevergoeding eisen. Zowel de rechtspraak van de EU-rechter als Verordening (EG) nr. 1/2003 bevestigen dat een besluit van de Commissie voor de nationale rechter als bindend bewijsmateriaal kan worden gebruikt dat de praktijken hebben plaatsgevonden en verboden waren. Zelfs indien de Commissie de betrokken ondernemingen geldboeten heeft opgelegd, kunnen toch schadevergoedingen worden toegekend zonder dat deze hoeven te worden verlaagd omdat de Commissie al een geldboete heeft opgelegd. Over schadeclaims in antitrustzaken is een witboek gepubliceerd (zie IP/08/515 en MEMO/08/216). Meer informatie over het witboek, met onder meer een publiekssamenvatting, is te vinden onder:

http://ec.europa.eu/comm/competition/antitrust/actionsdamages/documents.html .

Voor meer informatie over de strijd van de Commissie tegen kartels, zie MEMO/10/290.

Per beschikking van 30 september 2010 heeft de Commissie fouten in de berekening van de geldboeten gecorrigeerd. Deze fouten betreffen de boeten die aan de ondernemingen ArcelorMittal, Emesa/Galycas/ArcelorMittal (Espa?a), WDI/Pampus en Rautaruukki/Ovako werden opgelegd.