Verantwoording cijfers kabinetten

Deze pagina bevat een verantwoording voor de gebruikte cijfers en methodiek bij de economische beschrijvingen van de kabinetten vanaf het kabinet-Biesheuvel I en II.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Bepaling periodes per kabinet

De gebruikte cijfers zijn cijfers op jaarbasis en hebben steeds betrekking op een heel kalenderjaar, terwijl de zittingsperiode van een kabinet doorgaans niet precies op 1 januari begint en/of op 31 december eindigt. Van deze problematiek is in de overzichten per kabinet geabstraheerd. Zowel de cijfers over het eerste zittingsjaar als die over het laatste zittingsjaar (en natuurlijk alle tussenliggende jaren) zijn in de beschouwing betrokken.

Voorbeeld: het kabinet-Den Uyl regeerde in de jaren 1973-1977, en het kabinet-Van Agt I van 1977-1981. Voor het kabinet-Den Uyl is dus gekeken naar cijfers over de jaren 1973, 1974, 1975, 1976 en 1977; voor het kabinet-Van Agt I is gekeken naar de jaren 1977, 1978, 1979, 1980 en 1981. Het jaar 1977 telt in dit voorbeeld dus mee voor beide kabinetten.

Het is zeer moeilijk om te herleiden wanneer de precieze economische invloed van een kabinet begint en eindigt. Aan het begin van een kabinetsperiode is het de vraag hoe snel een kabinet beleid in gang zet dat invloed heeft; ook zal in het eerste zittingsjaar vaak nog met een door het voorgaande kabinet gemaakte begroting gewerkt worden, of in ieder geval met de hoofdlijnen daarvan. Verder kunnen éénmaal door een kabinet genomen (of nagelaten) maatregelen nog jarenlang doorwerken, ook tot na de betreffende kabinetsperiode.

2.

Bronnen

De gebruikte cijfers zijn vrijwel allemaal ontleend aan de Macro Economische Verkenning 2018 van het Centraal Planbureau uit september 2017. Dit betekent dat de cijfers van met name de latere jaren later nog bijgesteld zullen worden en dat de cijfers uit 2017 nog prognosecijfers zijn.

3.

Toelichting indicatoren

BBP (niveau, mrd €)

Het bruto binnenlands product (BBP) is een maat voor de omvang van de economie. Het bruto binnenlands product tegen marktprijzen is het eindresultaat van de productieve activiteiten van ingezeten productie-eenheden. Het kan op drie manieren worden gedefinieerd:

  • · 
    vanuit het oogpunt van de productie: het bbp is de som van de bruto toegevoegde waarde van alle institutionele sectoren of bedrijfstakken en het saldo van productgebonden belastingen en subsidies (die niet aan sectoren en bedrijfstakken worden toegerekend). Het is eveneens de sluitpost van de productierekening van de totale economie;
  • · 
    vanuit het oogpunt van de bestedingen: het bbp is de som van de finale bestedingen aan goederen en diensten door ingezeten institutionele eenheden (consumptie en bruto-investeringen) en het saldo van uitvoer en invoer van goederen en diensten;
  • · 
    vanuit het oogpunt van het inkomen: het bbp is de som van de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de totale economie (beloning van werknemers, belastingen op productie en invoer exclusief subsidies, bruto-exploitatieoverschot en gemengd inkomen van de totale economie).

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 2 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

BBP (mutatie, %)

De verandering van het volume van het bbp in een bepaalde tijdsperiode (de economische groei) is een maat voor de groei (of krimp) van de economie.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Arbeidsproductiviteit bedrijven (per uur) (%)

De arbeidsproductiviteit is een maat voor de efficiëntie waarmee wordt gewerkt. Voor de economie als geheel is dit het bruto binnenlands product (in marktprijzen) gedeeld door het arbeidsvolume (in uren).

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Relevante wereldhandel

De groei van de relevante wereldhandel betreft de door het CPB berekende gemiddelde invoergroei in afzetgebieden, waarbij voor Nederland belangrijke landen als bijvoorbeeld Duitsland en België zwaarder meewegen in de berekening. Dit wordt aangeduid als relevante wereldhandelsgroei. Tevens wordt bij de weging rekening gehouden met de goederen die Nederland uitvoert naar die landen. Vandaar dat ook wel gesproken wordt van de 'dubbelherwogen wereldhandel.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Wereldhandelsvolume

In tegenstelling tot de groei van de relevante wereldhandel zegt de groei van het wereldhandelsvolume iets over de (ongewogen) ontwikkeling van de wereldhandel.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 3 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Wereldeconomie

De groei van de wereldeconomie (het mondiale BBP) geeft aan in hoeverre het goed of slecht gaat met de wereldeconomie.

Bron cijferreeks 1971-2018: Bijlage 3 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

4.

Overheidsfinanciën (% BBP)

EMU-saldo

Het EMU-saldo is populair gezegd het ‘begrotingssaldo’ (overschot dan wel tekort) van de overheid als percentage van het BBP. Het EMU-saldo is het verschil van inkomsten en uitgaven van de overheid. Inkomsten en uitgaven worden daarbij geboekt in het jaar dat economische waarde gecreëerd wordt of wanneer een recht dan wel verplichting ontstaat. Het is gelijk aan het vorderingensaldo van de sector overheid in de nationale rekeningen plus het rentevoordeel of -nadeel als gevolg van financiële derivaten (renteswaps). Ook het vorderingensaldo van decentrale overheden telt mee in het EMU-saldo.

In 1995 zijn de jaarlijkse subsidies aan de woningcorporaties afgekocht voor 4,9% bbp. Dit verklaart de uitzonderlijk grote hoogte van het tekort in dat jaar. In 2000 en 2013 zijn de cijfers inclusief de opbrengst van de UMTS-veiling van respectievelijk 0,7% BBP en 0,6% BBP.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

EMU-schuld

De EMU-schuld is populair gezegd de ‘staatsschuld/overheidssschuld’ als percentage van het BBP. De EMU-schuld is gedefinieerd als de geconsolideerde overheidsschuld, gewaardeerd tegen nominale waarde, exclusief de transitorische schuld en de schuld op de titel financiële derivaten. Door het verschil in waarderingsgrondslag is de som van de schuldtitels van de EMU-schuld (nominaal) niet gelijk aan de som van de schuldtitels in de nationale rekeningen (marktwaarde). De schuld bestaat uit de titels: chartaal geld, kortlopende waardepapieren, obligaties, kortlopende leningen en langlopende leningen.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Bruto collectieve uitgaven

De bruto collectieve uitgaven zijn het totaal van de relevante uitgaven van het Rijk (inclusief debudgetteringen en de uitgaven van de agentschappen), de overige publiekrechtelijke lichamen (OPL) en de sociale fondsen als percentage van het BBP. Onderlinge betalingen worden geconsolideerd. De hoogte van de bruto collectieve uitgaven zegt iets over de vraag of de overheid veel dan wel weinig uitgeeft, en in hoeverre dit beslag legt op de economie.

In 1995 zijn de jaarlijkse subsidies aan de woningcorporaties afgekocht voor 4,9% bbp, waardoor het niveau van de collectieve uitgaven na 1995 wat lager is. Vanaf 2006 komen zowel de collectieve uitgaven als de collectieve lasten hoger uit als gevolg van de invoering van de Zorgverzekeringswet (het verschil in 2006 bedraagt 1,5% BBP).

Bron cijferreeks 1970-1994: Bijlage 8 uit: Centraal Planbureau (CPB), Centraal Economisch Plan (CEP) 2017, maart 2017.

Bron cijferreeks 1995-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Collectieve lasten

De collectieve lasten zijn het totaal van belasting- en premieontvangsten, vermeerderd met enkele niet-belastingontvangsten, uitgedrukt in procenten van het BBP. De hoogte van de collectieve lasten zegt iets over lastendruk die burgers en bedrijven ervaren.

Vanaf 2006 komen zowel de collectieve uitgaven als de collectieve lasten hoger uit als gevolg van de invoering van de Zorgverzekeringswet (het verschil in 2006 bedraagt 1,5% BBP).

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

5.

Lonen en prijzen

Inflatie (hicp) (%)

Inflatie is de gemiddelde prijsstijging van de goederen en diensten die consumenten kopen. Inflatie leidt tot geldontwaarding, wat wil zeggen dat er voor eenzelfde bedrag minder kan worden aangeschaft. De geharmoniseerde consumentenprijsindex (hicp) is een Europese prijsindex die is ontwikkeld om de inflatiecijfers van de lidstaten van de Europese Unie met elkaar te vergelijken. De bestaande nationale indices zijn ongeschikt om prijsveranderingen in de lidstaten met elkaar te vergelijken omdat de berekeningsmethoden te veel van elkaar verschillen. Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, heeft in samenwerking met de statistische bureaus van de lidstaten richtlijnen opgesteld voor de berekening van de geharmoniseerde index. Het belangrijkste verschil tussen de nationale Consumentenprijsindex (CPI) en de hicp is de samenstelling van het pakket goederen en diensten waarop beide indices gebaseerd zijn. Verder geldt dat de CPI betrekking heeft op uitgaven van Nederlanders in Nederland en in het buitenland. De hicp heeft betrekking op uitgaven in Nederland door Nederlanders en buitenlanders.

Bron cijferreeks 1997-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Inflatie (CPI) (%)

De consumentenprijsindex (CPI) geeft het prijsverloop weer van een pakket goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door de Nederlandse huishoudens. Daarbij wordt de inflatie gemeten als de stijging van de consumentenprijsindex (CPI) ten opzichte van de overeenkomstige periode in het voorgaande jaar.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 2 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Arbeidsinkomensquote

De arbeidsinkomensquote (AIQ) is het aandeel van de beloning voor arbeid in de netto toegevoegde waarde, waarbij de beloning voor arbeid de loonsom van werknemers is plus de toegerekende beloning voor zelfstandigen en meewerkende gezinsleden. Naarmate de AIQ hoger is, is er minder ruimte voor winstgevendheid van het bedrijfsleven.

Het CPB gebruikt met ingang van de Macro Economische Verkenning 2018 een nieuwe berekening van de arbeidsinkomensquote. Deze nieuwe berekeningswijze houdt volgens het CPB beter rekening met het arbeidsinkomen van zelfstandigen en sluit daarom beter aan bij de huidige economische realiteit.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Olieprijs (USD/vat)

De olieprijs wordt gemeten in Amerikaanse dollars per vat.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 3 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Contractloonmutatie marktsector

De contractloonmutatie marktsector is de gemiddelde stijging (in procenten) van de lonen in de marktsector volgens de cao's.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 2 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

6.

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid

Werkloosheid (%)

Het werkloosheidspercentage is de werkloze beroepsbevolking als percentage van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking. Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden volgens het CBS meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Werkloosheid (personen)

De werkloosheid is gedefinieerd als het aantal werkloze personen (in duizenden).

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Groei werkgelegenheid (uren) (%)

De groei van de werkgelegenheid wordt gemeten als de groei van het aantal gewerkte uren.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 1 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Werkloosheidsuitkeringen (uitkeringsjaren)

Het aantal werkloosheidsuitkeringen wordt gemeten in duizenden uitkeringsjaren.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 15 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Bijstand (WWB/IOAW/IOAZ) (personen)

Het bijstandsvolume betreft het aantal WWB-/IOAW-/IOAZ-uitkeringen in duizenden personen.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 15 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Werkloosheids- + bijstandsuitkeringen

Betreft de optelsom van het aantal werkloosheidsuitkeringen (in duizenden jaren) plus het aantal bijstandsuitkeringen in duizenden personen.

Bron cijferreeks 1970-2018: eigen berekening op basis van cijfers uit: Bijlage 15 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (uitkeringsjaren)

Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wordt gemeten in duizenden uitkeringsjaren.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 15 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Uitkeringen ziekte (uitkeringsjaren)

Het aantal ziekte-uitkeringen wordt gemeten in duizenden uitkeringsjaren.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 15 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

i/a-ratio

De i/a-ratio geeft de verhouding tussen het aantal inactieven en actieven in Nederland weer. Dit is een indicator voor het draagvlak van de sociale verzekeringen: hoe meer mensen er werken, hoe meer er aan sociale premies wordt betaald. Tot de inactieven worden de uitkeringstrekkers van 15 jaar en ouder (AOW, ANW, ZW, WAO, WAZ, Wajong, WW, vorstverlet, ABW, IOAW en IOAZ) gerekend, omgerekend naar volledige uitkeringen. Onder actieven worden verstaan de werkzame personen van 15 jaar en ouder omgerekend naar volledige banen (arbeidsjaren), verminderd met het ziekteverzuim in uitkeringsjaren.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 15 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Bruto participatiegraad 20-64 jaar

De bruto participatiegraad 20-64 jaar is het aandeel van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking), gerekend over de bevolking van 20-64 jaar.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 11 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Bruto participatiegraad 15-74

De bruto participatiegraad 15-74 jaar is het aandeel van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking), gerekend over de bevolking van 15-74 jaar.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 11 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.

Netto participatiegraad 15-74

De netto participatiegraad is het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking), gerekend over de bevolking van 15-74 jaar. Het verschil met de bruto participatiegraad is dat in de bruto participatiegraad ook het werkloze deel van de beroepsbevolking wordt meegerekend, en in de netto participatiegraad alleen de werkzame beroepsbevolking. In de bruto participatiegraad gaat het dus om de beroepsbevolking die zich aanbiedt op de arbeidsmarkt, en in de netto participatiegraad om de mensen die daadwerkelijk werken.

Bron cijferreeks 1970-2018: Bijlage 11 uit: Centraal Planbureau (CPB), Macro Economische Verkenning (MEV) 2018, september 2017.


Meer over