Wetgeving Kabinet-Pierson (1897-1901)

  • 1898 
    Wijziging van de Militiewet, waardoor de plaatsvervanging bij de militie (remplacering) werd afgeschaft en de algemene dienstplicht ingevoerd. Het stelsel van loting ter bepaling van wie werkelijk werden opgeroepen, bleef gehandhaafd. Uitgelotenen konden zich echter niet langer tegen betaling laten vervangen bij het vervullen van militaite dienst. Priesters kregen vrijstelling van dienstplicht.

  • 1899 
    afschaffing van de rijkstollen op wegen en vaarwegen en bij bruggen en sluizen.

  • 1899 
    Oorlogswet 1899. Deze regelt de staat van oorlog en de staat van beleg. Bij de staat van beleg krijgt de opperbevelhebber verregaande bevoegdheden om in te grijpen in het maatschappelijk leven, bijvoorbeeld t.a.v. de vrijheid van meningsuiting, de distributie en de inrichting van en rond militaire versterkingen.

  • 1900 
    Leerplichtwet. De leerplicht wordt bepaald op zes jaar (met beperkt herhalingsonderwijs), maar er wordt ontheffing toegestaan voor arbeid in de landbouw, tuinbouw en veenderij.

  • 1900 
    Waterstaatswet 1900, die regels bevat over het waterstaatsbestuur, over het beheer en onderhoud van waterstaatswerken en over het voorkomen van overstromingen

  • 1901 
    Woningwet. Deze wet bevat bepalingen over de eisen die gemeenten moeten stellen aan het bouwen en herbouwen van woningen, en aan behoorlijke bewoning (gemeentelijke bouw- en woningverordeningen). Verder komen er bepalingen over onbewoonbaarverklaring, ontruiming, sluiting en afbraak van woningen. Geldelijke gemeente- en rijkssteun voor woningverbetering wordt mogelijk. Door aanvulling van de Onteigeningswet kunnen in het belang der volkshuisvesting onteigeningen plaatsvinden. De gemeenteraad kan bouwen verbieden op grond bestemd voor aanleg van straten. In gemeenten boven de 10.000 inwoners wordt een uitbreidingsplan verplicht.

  • 1901 
    Lely brengt de Ongevallenwet tot stand, nadat een eerste voorstel in 1900 door de Eerste Kamer was verworpen. Door deze wet kunnen arbeiders en werkgevers zich gezamenlijk verzekeren tegen ongevallen. De werkgevers kunnen daartoe onder toezicht van de Rijksverzekeringsbank bedrijfsverenigingen oprichten of de verzekering overdragen op een particuliere maatschappij.

  • 1901 
    Gezondheidswet, waarbij een Centrale Gezondheidsraad wordt ingesteld, die adviesorgaan van de regering wordt en leiding geeft aan het ambtelijk apparaat. Inspecteurs en hoofdinspecteurs worden belast met het toezicht op de naleving van wetten (zoals de Woningwet) en er komen plaatselijke gezondheidscommissies.

  • 1901 
    Cort van der Linden brengt de zgn. Kinderwetgeving tot stand. Dit betreft bepalingen over de mogelijkheid van ontzetting van ouders uit de ouderlijke macht, regeling van de kinderbescherming, de instelling van voogdijraden, straffen en strafrechtpleging van jeugdigen en verlaging van de leeftijd van meerderjarigheid naar 21 jaar.

  • 1901 
    Wet tot exploitatie van staatswege van steenkolenmijnen. Hierdoor wordt de winning van kolen in Limburg sterk gestimuleerd.

  • 1901 
    De Militiewet 1901. Deze wet voerde het kazernestelsel in voor een bij wet bepaald contigent van dienstplichtigen. De oefentijd wordt bepaald op 12 maanden, waarvan een deel als 'blijvend gedeelte' ook gedurende de wintermaanden onder de wapenen blijft. De minister brengt samen met Goeman Borgesius, tegelijkertijd de Wet tot regeling van de landweer en opheffing van de schutterij tot stand.