Groningse rechtsgeleerde die in 1848 als lid van de Dubbele Tweede Kamer op belangrijke onderdelen tegen de liberale Grondwetsherziening stemde. Zoon van een predikant en later gehuwd met een predikantsdochter. Als jongeling kwam hij onder de hoede van een professor en na een brede studie in Groningen werd hij advocaat en procureur. In 1823 op 33-jarige leeftijd hoogleraar hedendaags en burgerlijk recht. Werd omschreven als een eenvoudig, hulpvaardig geleerde. Actief in de vrijmetselarij.