Voorname, maar minzame baron, die na een Indische ambtelijke loopbaan waarin hij het lidmaatschap van de Raad van Nederlands-Indië bekleedde burgemeester werd van Arnhem en daarna van Den Haag. Werd in laatstgenoemde functie benoemd door Kuyper. Sprak enigszins ironisch vaak raadsleden toe als 'mijn vriend' (mijn vriend Ter Laan). Het kabinet-Heemskerk benoemde hem in 1911 tot Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland. De liberaal De Beaufort verdacht hem ervan dat hij alleen vanwege opportunistische redenen antirevolutionair was geworden; hij stond daarvoor bekend als liberaal. Was voor de ARP korte tijd Eerste Kamerlid.