Utrechtse grondbezitter die als Tweede Kamerlid aanvankelijk tot de conservatieven behoorde, maar later vaak met de liberalen meestemde vanwege gehechtheid aan de openbare school. Had twee studies voltooid, maar bekleedde behalve bestuurlijke posten alleen de functie van rechter-plaatsvervanger. Sprak regelmatig in de Kamer op een scherpe, ironische wijze, maar liet het vaak na zich duidelijk over een zaak uit te spreken. Zowel aan het begin als aan het einde van zijn loopbaan Eerste Kamerlid.
conservatief
functie(s) in de periode 1857-1883: lid Tweede Kamer, lid Eerste Kamer
conservatief (maar soms meestemmend met de liberalen)
Hoofdfuncties/beroepen
landeigenaar en ambachtsheer (landerijen in de provincies Utrecht en Zuid-Holland)
lid Provinciale Staten van Utrecht, van januari 1856 tot juli 1857 (voor het kiesdistrict Breukelen)
kantonrechter-plaatsvervanger, kanton Maarssen, van 1 juni 1856 tot 1 juni 1860
lid gemeenteraad van Maarssen, vanaf 1857 (nog in 1858)
lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 4 augustus 1857 tot 7 april 1858 (voor de provincie Utrecht)
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 13 april 1858 tot 1 oktober 1866 (voor het kiesdistrict Utrecht)
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 november 1866 tot 3 januari 1868 (voor het kiesdistrict Utrecht)
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 februari 1868 tot 15 september 1873 (voor het kiesdistrict Utrecht)
lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 21 september 1874 tot 17 september 1883 (voor de provincie Utrecht)
Nevenfuncties
lid rijkscommissie voor de statistiek, vanaf 24 januari 1859
hoogheemraad waterschap "Heycop genaamd de Lange Vliet", vanaf 1860 (nog in 1886)
hoogheemraad Hoogheemraadschap van de Lekdijk Benedendams en de IJsseldam, van 1 mei 1869 tot 1 december 1877
lid commissie onderzoek naar noodzakelijke middelen tot verdediging tegenover een overmatige vijand, vanaf september 1871
afgeleide functies, presidia etc.
lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van februari 1869 tot april 1869
lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van januari 1879 tot april 1879
lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van juli 1880 tot september 1880
lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van januari 1881 tot maart 1881
lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van mei 1882 tot juli 1882
lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van maart 1883 tot juni 1883
Opleiding
academische studie
rechten, Atheneum Illustre te Amsterdam, van 1843 tot 1845
Romeins en hedendaags recht (gepromoveerd op dissertatie), Hogeschool te Utrecht, van 25 april 1844 tot 6 november 1848
letteren en wijsbegeerte (gepromoveerd op disseratie), Hogeschool te Utrecht, tot 28 juni 1850 (magna cum laude)
Activiteiten
als parlementariër
Sprak in de Tweede Kamer onder meer over justitie, financiën, militaire aangelegenheden, spoorwegen en koloniale zaken
Behoorde in 1860 tot de meerderheid die tegen de begroting van Koloniën van de conservatieve minister Rochussen stemde
Behoorde in 1861 tot de 17 leden die tegen de ontwerp-Wet op de Raad van State stemden
Behoorde in 1861 tot de minderheid die tegen een amendement-Ter Bruggen Hugenholtz stemde over het halveren van de begroting voor Onvoorziene Uitgaven
Behoorde in 1865 tot de 18 leden die vóór het (verworpen) voorstel-Van Zuylen van Nijevelt stemden over een enquête naar de Limburgse brievenaffaire
Stemde in 1866 tegen de motie-Keuchenius, waarin afkeuring werd uitgesproken over het vertrek van minister Mijer vanwege diens benoeming tot Gouverneur-Generaal
Stemde in 1867 vóór de begroting van Buitenlandse Zaken
Stemde in 1868 tegen de motie-Blussé van Oud-Alblas, die uitsprak dat de Kamerontbinding van 1867 niet in het landsbelang was geweest
Stemde in 1869 vóór het wetsvoorstel tot afschaffing van het dagbladzetel
Stemde in 1871 als één van de weinige niet-liberalen vóór het amendement-Dumbar inzake het opheffen van het gezantschap bij de paus
Stemde in 1872 tegen het wetsvoorstel waardoor werkstakingen niet langer strafbaar werden gesteld
Wetenswaardigheden
verkiezingen
Versloeg in 1857 bij een tussentijdse verkiezing van een Eerste Kamerlid in Provinciale Staten van Utrecht in de derde stemmingsronde met 23 tegen 14 stemmen J. baron Taets van Amerongen van Natewisch
Versloeg in 1858 bij een tussentijdse verkiezing in het district Utrecht B.G.A. Pabst
Werd in 1860 bij enkelvoudige kandidaatstelling gekozen
Versloeg in 1864 S.J. van Geuns
Werd in 1866 en 1868 bij de algemene verkiezingen in het district Utrecht samen met N.P.J. Kien gekozen. Zij versloegen onder anderen de liberalen H. Verloren van Themaat en S.J. van Geuns.
Versloeg in 1869 bij de periodieke verkiezingen B.J.L. baron de Geer van Jutphaas (a.r.) en H. Verloren van Themaat (lib.)
Werd in 1873 bij de periodieke verkiezingen na herstemming verslagen door J. Messchert van Vollenhoven (a.r.)
Werd in 1874 bij een tussentijdse verkiezing van een Eerste Kamerlid door Provinciale Staten van Utrecht met 29 van de 38 stemmen gekozen
Was in 1883 geen kandidaat meer voor de Eerste Kamer
Publicaties van/over
lijst van publicaties
"Over de directe belastingen, ingezonderd die op inkomsten" (dissertatie, 1848) (eerste dissertatie, die in de Nederlandse taal geschreven was)
"Platonis doctrina communione bonorum, mulierum et liberorum inlibris de republica proposita, sub examen vocatur" (dissertatie, 1850)
literatuur/documentatie
Sagittarius, "Parlementaire Portretten. De aftredende helft van de Tweede Kamer der Staten-Generaal" (1869)
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IX, 1232
Ned. Patriciaat, 1919
Biografisch Woordenboek(en)
biografie opgenomen in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek