Recht van enquête

De Tweede Kamer, de Eerste Kamer en de Verenigde Vergadering hebben een grondwettelijk recht van enquête. Het recht komt er op neer dat de Kamers een onderzoek kunnen instellen naar een specifiek onderwerp om op die manier de regering te controleren. In de praktijk komt het er op neer dat het recht vooral door de Tweede Kamer wordt gebruikt. De Eerste Kamer en de Verenigde Vergadering hebben het middel nog nooit gebruikt, hoewel er in de Eerste Kamer wel eens pogingen toe zijn gedaan.

Het enquêterecht is uitgewerkt in de Wet op de Parlementaire Enquête. Deze wet bestaat sinds 1850 maar is sindsdien een aantal keren herzien. De Wet op de Parlementaire Enquête geeft de Kamer allerlei specifieke onderzoeksrechten wanneer het instrument wordt ingezet. Een voorbeeld is de verplichting voor getuigen zich onder ede te laten verhoren.

Soms wordt het om politieke redenen onwenselijk geacht om van enquêtebevoegdheden gebruik te maken, of wordt het onder ede verhoren van getuigen niet nodig geacht. In dergelijke gevallen kan de Kamer voor het lichtere parlementair onderzoek kiezen. In 2016 besloot de Tweede Kamer tot een vijfjarig experiment met parlementaire ondervraging, een verkorte vorm van een parlementaire enquête.

De Wet op de Parlementaire Enquête is in 2008 voor het laatst aangepast. Een commissie onder leiding van PvdA'er Klaas de Vries had de opdracht gekregen met een nieuw initiatiefvoorstel de wet aan te passen op basis van de ervaringen met de toen recent gehouden enquêtes.

De organisatie van een parlementaire enquête

De Reglementen van Orde van de Tweede respectievelijk de Eerste Kamer bevatten bepalingen over enquêtes. Voor het houden van een parlementaire enquête is een meerderheidsbesluit van de desbetreffende Kamer nodig. In dat geval wordt een enquêtecommissie ingesteld die een onderzoeksopdracht mee krijgt. Pogingen in 1980 - vooruitlopend op de algehele Grondwetsherziening van 1983 - en in 1985 om van het recht een minderheidsrecht te maken strandden.

De commissie kiest zelf een voorzitter en ondervoorzitter(s). Aan de commissie wordt een ambtelijke staf toegevoegd. De commissie werkt de onderzoeksvragen verder uit, doet onderzoek en/of besteed onderzoek uit aan derden, organiseert de verhoren en brengt vervolgens een eindverslag uit aan de Kamer. Dat verslag wordt dan meestal in de Kamer met het kabinet of leden van het kabinet besproken.

Informatie- en verschijningsplicht

In de Wet op de Parlementaire Enquête 2008 is de verplichting vastgelegd om, als de enquêtecommissie daar om vraagt, informatie te verschaffen of te verschijnen als getuige of deskundige.

Deze plicht geldt voor alle Nederlanders, alle ingezetenen en andere in Nederland verblijvende personen. Daarnaast vallen ook alle binnen het grondgebied van het Rijk gevestigde rechtspersonen hier onder. Als getuigen of deskundigen niet meewerken kunnen zij voor zes maanden worden gegijzeld. De getuige wordt dan in het gebouw waar de enquêtecommissie de verhoren afneemt, vastgehouden. Zodra iemand bereid is te antwoorden, houdt de gijzeling op.

De verhoren

Getuigen en deskundigen van 16 jaar en ouder worden door de commissie onder ede verhoord. Zij moeten verklaren of beloven dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. Hierdoor is vervolging wegens meineed mogelijk, als blijkt dat een valse getuigenis is afgelegd. Ook kan proces-verbaal worden opgemaakt als iemand weigert de eed af te leggen of antwoord te geven.

De verhoren van getuigen en deskundigen vinden in het openbaar plaats. Wel kan er, 'om gewichtige redenen', toe besloten worden een verhoor geheel of gedeeltelijk besloten af te nemen. Een getuige mag zich tijdens het verhoor laten bijstaan. Een enquêtecommissie kan, eveneens 'om gewichtige redenen', besluiten dat de getuige zonder bijstand wordt gehoord. Het is overigens niet gebruikelijk dat getuigen zich openlijk laten bijstaan.

Uitzonderingen op openbaarmaking

Getuigen hoeven geen dingen te vertellen waarover ze vanwege hun ambt, beroep of betrekking niks mogen zeggen. Geheimen die bij het bekend worden onevenredige schade zouden toebrengen aan de uitoefening van een beroep of het belang van een onderneming (of aan de werkgever van een werknemer) hoeven evenmin verteld te worden.

Ook zaken die het staatsbelang schaden mogen geheim blijven. Beraadslagingen in de ministerraad mogen niet openbaar worden gemaakt, tenzij de ministerraad op verzoek van de enquêtecommissie een uitzondering maakt voor ondervraging over specifieke in de ministerraad gevallen beslissingen en de gronden waarop deze rusten. Er bestaat een mogelijkheid dat de minister-president een uittreksel ondertekent met de in de ministerraad genomen beslissingen.

Bevoegdheden enquêtecommissie

Sinds 2008 heeft de enquêtecommissie het recht om schriftelijk inlichtingen te vorderen. Ook heeft zij het recht plaatsen te betreden, zoals het Openbaar Ministerie dat nu al heeft in strafzaken. Verder heeft de enquêtecommissie twee nieuwe dwangmiddelen gekregen om medewerking af te dwingen. Zij kan de rechter vragen een dwangsom op te leggen of de politie in te schakelen.

Het enquêterecht en de Tweede Kamer

Van 1852 - 1887 hield de Tweede Kamer acht enquêtes. Daarna raakte het instrument van de parlementaire enquête bijna honderd jaar lang in onbruik. Na de oorlog werd een enquête ingesteld om (achteraf) controle uit te kunnen oefenen over de parlementsloze periode 1940 - 1945. Maar ook daarna verdween het instrument lange tijd in de la.

Het enquêterecht werd nieuw leven ingeblazen nadat in 1977 werd geregeld dat ook ministers (en ambtenaren) onder ede kunnen worden verhoord. Sindsdien zijn er weer geregeld enquêtes, als eerste in 1983 - 1984 de geruchtmakende RSV-enquête.

Politieke gevolgen

Een enkele enquête had directe politieke gevolgen. Zo traden naar aanleiding van de paspoortenquête minister Van Eekelen en staatssecretaris Van der Linden af. Noodzakelijk is dat echter niet. Belangrijker zijn waarheidsvinding en aanbevelingen over toekomstig beleid en wetgeving. Zo leidde de enquête over de sociale zekerheid tot een andere organisatie van toezicht op en uitvoering van de sociale zekerheid.

In 1994 traden de ministers Van Thijn en Hirsch Ballin af naar aanleiding van de IRT-affaire, waarover later de IRT-enquête werd gehouden. De Srebrenica-crisis vormde in 2002 de aanleiding voor de val van het kabinet-Kok II. Ook over Srebrenica kwam later een parlementaire enquête.

In december 2002 trad demissionair minister van Defensie Korthals af naar aanleiding van de conclusies van de parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid.

Het enquêterecht en de Eerste Kamer

De Eerste Kamer heeft sinds 1887 het recht van enquête, maar heeft dat nog nooit gebruikt. Wel is wel eens aan de orde geweest het te gaan gebruiken zoals in 1981, toen een voorstel werd gedaan voor het houden van een enquête naar de contracten over de verwerking van kernafval. Daar was geen meerderheid voor te vinden. De Eerste Kamerleden Mol (PvdA), Trip (PPR) en Vis (D66) hadden dit voorstel ingediend, omdat zij meenden dat de Eerste Kamer als medewetgever recht had om kennis te kunnen nemen van alle relevante stukken.

Ook in 2001 werd nog over een mogelijk in te stellen enquête naar de zorg gesproken, maar op voorhand had de VVD-fractie in de Eerste Kamer al laten weten daar geen behoefte aan te hebben. Het voorstel verdween tijdens een procedurevergadering van de betrokken Kamercommissie van tafel.

Wel heeft de Eerste Kamer wel eens parlementaire onderzoek uitgevoerd. In 1962 - 1963 was er een klein onderzoek naar fraude bij de handel in schroot. In 2011 - 2012 voerde een Eerste Kamercommissie een veel breder onderzoek uit naar de parlementaire besluitvorming over privatiseringen en verzelfstandiging van overheidsdiensten in de periode 1990 - 2010. Ook in de aanloop naar dat onderzoek was eerst sprake van een enquête.


Meer over