Recht van enquête

De Tweede Kamer, de Eerste Kamer en de Verenigde Vergadering hebben een grondwettelijk recht op onderzoek in de vorm van een enquête. Dit enquêterecht is uitgewerkt in de Wet op de Parlementaire Enquête. Deze wet bestaat vanaf 1850 maar is sindsdien een aantal keren herzien. De Wet op de Parlementaire Enquête geeft de Kamer allerlei specifieke onderzoeksrechten wanneer het instrument van de enquête wordt ingezet. Een voorbeeld is de verplichting voor getuigen zich onder ede te laten verhoren. Voor het houden van een enquête is een meerderheidsbesluit van de Kamer nodig.

Soms wordt het om politieke redenen onwenselijk geacht om van enquêtebevoegdheden gebruik te maken, maar ook wordt het onder ede verhoren van getuigen niet altijd nodig geacht. In dergelijke gevallen kan de Kamer voor het lichtere parlementair onderzoek kiezen.

Meerderheid vereist

De Reglementen van Orde van de Tweede respectievelijk de Eerste Kamer bevatten bepalingen over enquêtes. Voor het houden van een parlementaire enquête is een meerderheidsbesluit van de desbetreffende Kamer nodig. In dat geval wordt een enquêtecommissie ingesteld die een onderzoeksopdracht mee krijgt.

De commissie kiest zelf een voorzitter en ondervoorzitter(s). Aan de commissie wordt een ambtelijke staf toegevoegd.

Informatie- en verschijningsplicht

In de Wet op de Parlementaire Enquête 2008 is de verplichting vastgelegd om, als de enquêtecommissie daar om vraagt, informatie te verschaffen of te verschijnen als getuige of deskundige.

Deze plicht geldt voor alle Nederlanders, alle ingezetenen en andere in Nederland verblijvende personen. Daarnaast vallen ook alle binnen het grondgebied van het Rijk gevestigde rechtspersonen hier onder. Als getuigen of deskundigen niet meewerken kunnen zij voor zes maanden worden gegijzeld. De getuige wordt dan in het gebouw waar de enquêtecommissie de verhoren afneemt, vastgehouden. Zodra iemand bereid is te antwoorden, houdt de gijzeling op.

De verhoren

Getuigen van 16 jaar en ouder kunnen door een enquêtecommissie onder ede worden verhoord. In dat geval moeten zij verklaren dat ze de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. Hierdoor is vervolging wegens meineed mogelijk, als blijkt dat een valse getuigenis is afgelegd. Ook kan proces verbaal worden opgemaakt als iemand weigert de eed af te leggen of antwoord te geven.

De verhoren van getuigen en deskundigen vinden in het openbaar plaats. Wel kan er, 'om gewichtige redenen', toe besloten worden een verhoor geheel of gedeeltelijk besloten af te nemen. Een getuige mag zich tijdens het verhoor laten bijstaan. Een enquêtecommissie kan, eveneens 'om gewichtige redenen', besluiten dat de getuige zonder bijstand wordt gehoord. Het is overigens niet gebruikelijk dat getuigen zich openlijk laten bijstaan.

Uitzonderingen op openbaarmaking

Getuigen hoeven geen dingen te vertellen waarover ze vanwege hun ambt, beroep of betrekking niks mogen zeggen. Geheimen die bij het bekend worden onevenredige schade zouden toebrengen aan de uitoefening van een beroep of het belang van een onderneming (of aan de werkgever van een werknemer) hoeven evenmin verteld te worden.

Ook zaken die het staatsbelang schaden mogen geheim blijven. Beraadslagingen in de ministerraad mogen niet openbaar gemaakt worden, tenzij de ministerraad op verzoek van de enquêtecommissie een uitzondering maakt voor ondervraging over specifieke in de ministerraad gevallen beslissingen en de gronden waarop deze rusten. Er bestaat een mogelijkheid dat de minister-president een uittreksel ondertekent met de in de ministerraad genomen beslissingen.

Politieke gevolgen

Een enkele enquête had directe politieke gevolgen. Zo traden naar aanleiding van de paspoortenquête minister Van Eekelen en staatssecretaris Van der Linden af. Noodzakelijk is dat echter niet. Belangrijker zijn waarheidsvinding en aanbevelingen over toekomstig beleid en wetgeving. Zo leidde de enquête over de sociale zekerheid tot een andere organisatie van toezicht op en uitvoering van de sociale zekerheid.

In 1994 traden de ministers Van Thijn en Hirsch Ballin af naar aanleiding van de IRT-affaire, waarover later de IRT-enquête werd gehouden. De Srebrenica-crisis vormde in 2002 de aanleiding voor de val van het kabinet-Kok II. Ook over Srebrenica kwam later een parlementaire enquête.

In december 2002 trad demissionair minister van Defensie Korthals af naar aanleiding van de conclusies van de parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid.

Parlementaire enquête in de Eerste Kamer

De Eerste Kamer heeft sinds 1887 het recht van enquête, maar gebruikte dat nog nooit. Wel werd in 2011 een parlementair onderzoek gehouden, zonder enquêtebevoegdheden. In 1981 werd een voorstel voor het houden van een enquête naar contracten over verwerking van kernafval verworpen. Daarna werd alleen in 2000 nog een mogelijk in te stellen enquête naar de zorg besproken, maar dat idee verdween snel van tafel. In 2011-2012 was er wel een parlementair onderzoek naar privatiseringen.

Historische ontwikkeling

Het grondwettelijke recht van enquête bestaat sinds 1848 en de Wet op de Parlementaire Enquête sinds 1850. Van 1852-1887 hield de Tweede Kamer acht enquêtes. Daarna raakte het instrument van de parlementaire enquête bijna honderd jaar lang in onbruik, met uitzondering van de tussen 1947 en 1956 gehouden oorlogsenquête. Sinds 1977 kunnen ook ministers en ambtenaren onder ede worden gehoord. Sindsdien zijn er weer geregeld enquêtes. De Eerste Kamer paste in 2011 voor het eerst het recht van enquête toe.

Na de oorlog werd een enquête gebruikt om (achteraf) controle uit te kunnen oefenen over de parlementsloze periode. Na de oorlogsenquête (1947-1956) raakte het instrument lange tijd in onbruik. Het enquêterecht werd nieuw leven ingeblazen nadat werd geregeld dat ook ministers (en ambtenaren) onder ede kunnen worden verhoord

Tot 1977 waren ministers niet verplicht zich te laten horen door een enquêtecommissie. Ambtenaren konden zich beroepen op hun verschoningsrecht, dat wil zeggen dat zij hun minister niet in de problemen hoefden te brengen. Bij de herziening van de Wet op de Parlementaire Enquête in 1977 is dit veranderd.

Vernieuwing Wet op de Parlementaire Enquête

In het voorjaar van 2004 vond het parlement dat de Wet op de Parlementaire Enquête aan vernieuwing toe was. Ook moest er een wettelijke regeling komen voor een parlementair onderzoek dat niet de vorm van een enquête heeft. Aanleiding hiervoor waren enquêtes en onderzoeken in het recente verleden, zoals de Bouwenquête en het Parlementair onderzoek infrastructuurprojecten, waarbij bleek dat de huidige wet niet voldeed. Een commissie onder leiding van PvdA'er Klaas de Vries kreeg de opdracht om een nieuw initiatiefvoorstel Wet op de Parlementaire Enquête te maken.


Meer over