Het onmogelijke zakenkabinet

16 juni 2017, column Bert van den Braak

In NRC Handelsblad werd onlangs bij de mogelijkheden om de impasse in de formatie te doorbreken het zakenkabinet genoemd 1). Om een dergelijk kabinet in historisch perspectief te plaatsen, werd gesteld dat tot 1888 vrijwel alle kabinetten uit niet-politici, zoals ondernemers en ambtenaren bestonden. Het is goed om de misverstanden die blijkbaar dus bestaan over zakenkabinetten weg te nemen. Ons land heeft namelijk nooit een zakenkabinet gehad, zelfs niet vóór 1888. Over de definitie 'zakenkabinet' valt nog wel iets te zeggen. Daaronder kan een kabinet van niet-politici of technocraten worden verstaan, maar het kan ook een kabinet zijn dat alleen 'lopende zaken' afhandelt. Die laatste vorm kenden we wel enigszins.

Nederlandse kabinetten worden als regel samengesteld uit politici en politieke buitenstaanders. Er is wel sprake geweest van een verschuiving naar meer politici, maar in bijvoorbeeld het kabinet-Balkenende I (2002) zaten nog diverse 'buitenstaanders' (de zakenlieden Heinsbroek en De Boer, vakbondsbestuurder De Geus, hoogleraar/landbouwer Veerman, de hoogleraar Bomhoff en de ambtenaar Nawijn). Eerder telde ook het uiterst 'politieke' kabinet-Den Uyl met Lubbers, Trip (bedrijfsleven), Duisenberg, Van Kemenade en Van Agt (hoogleraren) enkele 'buitenstaanders'. Ministers hoeven niet, zoals bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk het geval is, uit de Kamers te komen; ze mogen de functies zelfs niet combineren.

Slechts de kabinetten-Van Lynden van Sandenburg (1879-1883), -Cort van der Linden (1913-1918) en -De Geer I (1926-1929) zijn als weinig 'politieke' kabinetten te beschouwen, maar ook daarin zaten enkele politici. Van Lynden was Kamerlid geweest en voor De Geer gold zelfs dat hij een echte 'homo politicus' was. Deze kabinetten waren vooral zakenkabinet in de zin dat zij gevoelige politieke kwesties lieten rusten (voor het kabinet-Cort van der Linden gold dat vanaf 1914 toen de Wereldoorlog uitbrak). Ze 'pasten op de winkel'.

De leiding van Colijn maakt dat diens vijfde kabinet uit 1939 evenmin als zuiver zakenkabinet wordt beschouwd. Daarin zaten bovendien twee ministers (Van Dijk en Van Lidth de Jeude) die Kamerlid geweest waren. De overige ministers waren echter afkomstig uit het bedrijfsleven2) dan wel oud-Indisch ambtenaar en in die zin past tot op zekere hoogte juist wel het predicaat 'zakenkabinet'. We weten wat het lot van dat kabinet was: het werd bij zijn eerste ontmoeting met de Tweede Kamer direct naar huis gestuurd. Een Kamermeerderheid had geen vertrouwen in het toekomstige beleid en voelde er niets voor om op de 'daden' van dat kabinet te wachten.

Als er nu aan een zakenkabinet wordt gedacht - maar Thierry Baudet is de enige politicus die dat doet - gaat het om een kabinet van bekwame 'buitenstaanders'. Baudet sprak zelf van een 'kenniskabinet'. Wie dat dan moet vormen, welke partijen daartoe moeten besluiten en uit welke personen een keuze moet worden gemaakt, is onduidelijk. Kabinetten en ministers kunnen niet zonder parlementaire steun regeren. Het is bovendien onvoorstelbaar dat dertien 'technocratische' ministers met uiteenlopende (politieke) opvattingen in gezamenlijkheid tot een homogeen kabinetsbeleid kunnen komen. Ook 'technocraten' hebben immers zo hun opvattingen over politieke onderwerpen.

Het gaat bij de vraag wie minister moeten worden niet primair om hun 'bekwaamheid', maar om de politieke opvattingen die zij hebben en om keuzes die worden gemaakt. Voor 'migratie', 'het klimaatbeleid', 'defensie' en 'lerarensalarissen' zijn geen technocratische oplossingen. Politieke besluiten kunnen alleen worden genomen als daarvoor voldoende parlementaire steun is. Bij wetgeving is zelfs steun in beide Kamers nodig. Het verdedigen van voorstellen in het parlement en verwerven van politieke steun vraagt overigens ook specifieke kwaliteiten, die niet-politici vaak ontberen. De idee dat apolitieke ministers als technocraat het land kunnen regeren en daarvoor dan wel een parlementaire basis zullen vinden, is een luchtspiegeling.

Een zakenkabinet in de betekenis van 'apolitiek' overgangskabinet is hoogstens denkbaar als overbrugging naar (nieuwe) verkiezingen. Zo'n 'waarnemerskabinet' is echter bij voorbaat vleugellam. Sommige besluiten kunnen even worden uitgesteld, maar toch zeker niet al te lang. Geen volwaardig kabinet zal aan politieke keuzes ontkomen. Wie minister wordt is per definitie politicus. Ieder kabinet is een kabinet met een politieke kleur. En als het dat bij aanvang niet zou hebben, dan krijgt het dat wel.


  • 1) 
    Enzo van Steenbergen, Petra de Koning en Pim van den Dool, "Waarom wil niemand met Wilders? En zes andere vragen over de blokkades in de formatie", NRC Handelsblad, 31 mei 2017
  • 2) 
    De directeur van kunstzijdeconcern AKU, Prof. I.P. de Vooys, was beoogd minister van Economische Zaken. Het kabinet viel voordat hij was aangetreden.


Andere recente columns