De zin van de Fyra-enquête

29 mei 2015, column J.Th.J. van den Berg

Nu wij sinds de jaren tachtig ruime ervaring hebben opgedaan met het verschijnsel parlementaire enquête, is duidelijk geworden dat de ene meer spektakel oplevert dan de andere. Dit, onafhankelijk van de vraag wat het intrinsieke belang van een concreet onderzoek is.

Zo trok de enquête naar de totstandkoming van een nieuw paspoort, eind jaren tachtig, enorme aandacht, hoewel de kwestie zelf niet echt van wereldhistorisch belang was. Daartegenover stond de enquête naar de uitvoering van de sociale zekerheid, kort daarna, die van veel groter belang was, maar heel wat minder publiciteit opleverde. De grondige en degelijk uitgevoerde enquête onder leiding van Jan de Wit (SP) naar het opereren van de banken tijdens en na de bankencrisis had een beperkter uitstraling dan die van de commissie-Van Vliet naar het gedrag van een aantal woningcorporaties. Dat kwam niet omdat de laatste zijn werk zoveel beter deed. Daarvoor bleven de openbare verhoren te veel steken in moraliserende verwijten. Bovendien richtte het onderzoek zich te eenzijdig op de weinige corporaties waar het ernstig mis ging.

De nu op gang gekomen enquête naar het fiasco met de aankoop van de Fyra-treinen behoort blijkbaar weer tot de meer spectaculaire onderzoeken. Dat komt ook omdat de verwijten over elkaar heen buitelen. Die komen nu eens niet van de commissie zelf, maar van de opeenvolgende getuigen. Aangenomen mag worden dat oud-minister Tineke Netelenbos (PvdA) zo langzaamaan recordhouder getuigenissen voor enquêtecommissies is geworden. Zij heeft nu voor de zesde keer als zodanig in enquêtes en andere onderzoeken opgetreden.

Ook hier is de vraag of spektakel overeenkomt met intrinsiek belang. Commissievoorzitter Van Toorenburg (CDA) heeft al getracht dat belang vooral niet te kleineren door al vooraf op te merken dat aan HSL en Fyra samen nu al meer dan acht miljard euro zijn ‘verjubeld’. Heel indrukwekkend, maar het onderzoek gaat niet over het hele complex van hogesnelheidslijn en Fyra-trein samen, maar alleen over de besluiten tot aankoop en exploitatie van de treinstellen. Het fiasco met deze treinen heeft natuurlijk veel treurigheid opgeleverd, maar of een enquête nodig was om de feiten daaromtrent te achterhalen is de vraag.

Dat doet toch weer de vraag stellen waarom de Tweede Kamer besluit tot een parlementaire enquête, met alles erop en eraan. Zelf spreekt zij steeds uit dat nu ‘de onderste steen boven moet komen’ en dat het dus om uiterste waarheidsvinding gaat, maar of dat dan ook zo is? Sandor Loeffen, de staatsrechtjurist die op parlementair onderzoek promoveerde in 2013 (1), denkt dat het onderzoek wel daarvoor zou moeten dienen, meer in het algemeen om het leervermogen van regering en parlement te versterken. Maar zijn betoog is in de kern normatief, zoals dat behoort bij een jurist.

De politicoloog Lenny Vulperhorst is in een boek over parlementair onderzoek meer empirisch te werk gegaan (2). Hij constateert dat waarheidsvinding en versterking van het leervermogen een rol van belang spelen, maar dat het bij parlementair onderzoek – a fortiori bij parlementaire enquêtes – om andere dingen gaat. De enquête is vaak een reinigingsritueel van een Kamer die merkt dat zij aldoor achter de feiten heeft aangelopen. Een enquête dient ook wel om een kwestie als het ware af te sluiten om er voor eens en altijd vanaf te zijn. Of zij dient er juist toe om demonstratief beleid te beëindigen en een nieuw begin te maken.

Onmiskenbaar is de Fyra-enquête bedoeld om achter een pijnlijk proces een punt te zetten. Het zou helpen als er nog een zondebok zou kunnen worden gevonden die dan met deze last van het verleden de woestijn kan worden ingestuurd. Antropologisch gesproken is er sedert de tijd waarin de bijbel werd geschreven (waaruit wij de zondebok hebben leren kennen) niet veel veranderd. Het pijnlijkst is dat de Fyra-enquête laat zien hoe gering het leervermogen van regering en parlement soms is. Al wat wij nu achterhalen kon al worden geleerd van het onderzoek, begin deze eeuw, van de Kamercommissie onder leiding van Adri Duivesteijn (PvdA) naar ongelukken met grote infrastructurele projecten.


  • 1) 
    S.C. Loeffen, Parlementair onderzoek, Den Haag: Sdu-uitgevers, 2013. Zie ook mijn column, ‘Wil de Tweede Kamer de waarheid wel weten?, 12 juli 2013.
  • 2) 
    Lenny Vulperhorst, De onderste steen. Hoe parlementair onderzoek helpt de wereld om ons heen te begrijpen, Amsterdam: van Gennep, 2014.


Andere recente columns