Meer bewindslieden

17 oktober 2014, column J.Th.J. van den Berg

Onlangs stelde D66 de vraag aan de orde of de minister van Defensie, Jeanine Hennis-Plasschaert, niet gediend zou zijn met ondersteuning door een staatssecretaris, gezien zwaarte en omvang van haar opdracht als minister. Hennis' voorganger op Defensie, de christendemocraat Hillen, ondersteunde dit pleidooi. Men kan zich inderdaad voorstellen dat het wel wat veel gevergd is om, zeker in tijden van oorlog zoals nu, zowel de internationale gedachtenvorming erover bij te houden en te beïnvloeden als te zorgen voor grote ombuigingen in personeel en materieel. Om over incidenten, zoals met kankerverwekkende stoffen nog maar te zwijgen. Of D66 het net zo sereen heeft bedoeld als het werd gebracht, is niet zonder meer duidelijk. Dat mevrouw Hennis wel eens zichtbaar tweede viool speelt in publieke optredens is waar, maar of dat alles zegt over haar competentie? De keren dat ik persoonlijk met haar van doen heb gehad, demonstreerde zij zichzelf als een analytisch scherp en snel denkend politica.

Hoe dan ook is de minister het slachtoffer van een zuinigheidsmanie, die door premier Rutte nogal is uitgevent. In het regeerakkoord van Rutte I moesten de beide Kamers al aanzienlijk worden gekortwiekt. Er is gelukkig niets van terecht gekomen. Verkleining van democratische instellingen omdat het zo zuinig staat, is penny wise pound foolish. Als er al gedacht wordt aan verkleining van het parlement, dan zou dat de uitkomst moeten zijn van een inhoudelijke transformatie van de volksvertegenwoordiging. Rutte II heeft dit waanidee ingeslikt onder druk van de PvdA.

Hetzelfde geldt voor de door Rutte I maar ook door een aantal Kamerleden bepleite vermindering van het aantal volksvertegenwoordigers in provincies en gemeenten. In de provincies is, begin van deze eeuw, al een derde van de statenleden verdwenen. Gemeenteraden zijn, internationaal vergeleken, aan de kleine kant, zeker in onze grote steden. Ook hier geldt dat een andere visie op vertegenwoordiging tot een (veel) kleinere raad zou kunnen leiden, maar dan moet wel eerst die visie ter sprake komen en worden aanvaard. Daar was ook bij de raden geen sprake van. De Eerste Kamer heeft er korte metten mee gemaakt.

Het eerste kabinet-Rutte heeft vervolgens gemeend het aantal ministers en staatssecretarissen te moeten inkrimpen, alweer uit onberedeneerde zuinigheidsoverwegingen. Als het gaat om de ministers is daar nog wel begrip voor op te brengen, omdat een relatief kleine ministerraad gemakkelijker in staat is verkokering van beleid te overwinnen en echt politieke besluiten te nemen. Ook dan moet, voor wat Nederland betreft, het probleem niet worden overdreven. Internationaal vergeleken hebben wij in Nederland steeds een kleine ministerraad gehad, die daardoor ook als college kan beraadslagen en beslissen. (In het buitenland gebeurt dat vrijwel nergens.) Meer dan zestien ministers zijn er nooit geweest.

Het probleem zit bij de staatssecretarissen. Wie zowel een klein kabinet wil als een effectieve ministeriële verantwoording aan beide Kamers, die moet niet al te benepen zijn in het aanwijzen van staatssecretarissen. Wie een minister overbelast door een te gering aantal 'onderministers', riskeert dat de minister zich onvoldoende op de hoofdtaken concentreert en ook niet in staat is in zijn taken te selecteren. Doet hij of zij dat toch – dat is in het algemeen aan te raden – dan gebeuren er twee dingen. De macht verplaatst zich naar de ambtenaren bij het ministerie. In het beste geval beslissen zij inderdaad in hoge mate zelfstandig, maar het is ook heel goed mogelijk dat er wegens gebrek aan leiding te weinig gebeurt; zaken in het ministerie blijven 'hangen' en problemen uit de hand lopen. Minstens zo belangrijk is het tweede effect: het proces van verantwoording tegenover de beide Kamers gaat te kortschieten.

Ook als de overheid haar rol in de maatschappij bescheidener wil maken, dan zal zij dat weloverwogen, politiek gecoördineerd en parlementair deugdelijk verantwoord moeten doen. Bezuinigen op democratie is daarvoor een buitengewoon slecht instrument. Of wij weer terug moeten naar zo'n achttien staatssecretarissen zoals in de jaren zeventig van de vorige eeuw valt te bezien. Met de acht die wij er nu hebben, schieten wij echter politiek onvermijdelijk te kort. Er zouden, bij diverse ministeries, in totaal waarschijnlijk zo’n vijf tot zes portefeuilles bij moeten komen. Onmiskenbaar is Defensie daar één van.


Andere recente columns