CDA-politicus van CHU-huize, die in het eerste kabinet-Lubbers als staatssecretaris de zware portefeuille volksgezondheid had. Nam om de kosten te beheersen impopulaire maatregelen, zoals de invoering van de medicijnenknaak. Was afkomstig uit de organisatie van de werkgevers. Voor en na zijn politieke loopbaan vervulde hij diverse bestuursfuncties in de sport, het bedrijfsleven en de volksgezondheid en (later) bij de publieke en commerciële omroep. Was zelf een actief sporter en waterpolocoach geweest. Op latere leeftijd werd hij wethouder en waarnemend burgemeester. Pragmatische rasbestuurder met een openhartige en soms flamboyante bestuursstijl.
CDA
functie(s) in de periode 1982-1986: staatssecretaris
CHU (Christelijk-Historische Unie), tot 11 oktober 1980
CDA (Christen-Democratisch Appèl), vanaf 11 oktober 1980
Hoofdfuncties/beroepen
gedelegeerde Federatie VMZ (door Verzekerden en Medewerkers bestuurde Ziekenfondsen), van 1957 tot 1960 (overkoepelende organisatie van ziekenfondsen)
adjunct-secretaris Bedrijfschap voor de handel in vee, van 1960 tot 1967
secretaris Verbond van de Nederlandse Groothandel, van 15 maart 1967 tot 1 januari 1970
algemeen secretaris Verbond van de Nederlandse Groothandel, van 1 januari 1970 tot 1 april 1982
lid gemeenteraad van Oegstgeest, van 5 september 1978 tot 5 november 1982
directeur sociale zaken, VNO (Verbond van Nederlandse Ondernemers), van 1 april 1982 tot november 1982
staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (belast met volksgezondheid, sport, maatschappelijke dienstverlening en verzetsdeelnemers en vervolgden), van 5 november 1982 tot 14 juli 1986
interim-directeur Leyenburg Ziekenhuis te 's-Gravenhage, van december 1986 tot 1 januari 1988
voorzitter NOS (Nederlandse Omroep Stichting), van 1 januari 1988 tot 1 oktober 1990 (per 7 september 1990 op non-actief in verband met aanstaande benoeming tot voorzitter VOO)
lid gemeenteraad van Oegstgeest, van 1 mei 1990 tot 15 april 1993
wethouder (van financiën, sport, recreatie en economische zaken) van Oegstgeest, van 1 mei 1990 tot 15 april 1993
voorzitter VOO (Veronica Omroep Organisatie), van 1 oktober 1990 tot 6 juli 2001
waarnemend burgemeester van Valkenburg (Z.H.), van 2 januari 2001 tot 1 januari 2006 (in afwachting van herindeling)
Partijpolitieke functies
overzicht
lid programcommissie CDA (sociaal-economische sectie)
lid commissie CDA-verkiezingsprogramma 1981, van 16 oktober 1979 tot augustus 1980
trainer-coach, zwem- en waterpolovereniging "LZC (Leidsche Zwemclub)" te Leiden (in de jaren '50 en '60)
voorzitter zwem- en waterpolovereniging "LZC (Leidsche Zwemclub)" te Leiden, omstreeks 1955 en nog in 1963
plaatsvervangend lid SER (Sociaal Economische Raad), van januari 1971 tot november 1982
voorzitter Stichting "Het Zilveren Kruis" (ziektekostenverzekering,), tot november 1982
voorzitter Stichting Leidse binnenstad, van 1981 tot november 1982
voorzitter Leidse Sportstichting, tot november 1982
voorzitter Stichting Blindbestrijding in ontwikkelingslanden
voorzitter organisatie van Internationale Baggeraars
voorzitter Raad van Commissarissen ZVA (Ziektekostenverzekering voor Ambtenaren), tot november 1982
voorzitter bestuur vereniging Christelijk voortgezet onderwijs Leiden en omstreken, tot november 1982
lid algemeen bestuur AZL (Academisch Ziekenhuis Leiden), van november 1981 tot november 1982
voorzitter Harmonisatieraad Welzijnsbeleid, vanaf 1987
voorzitter Raad van Commissarissen VAM, vanaf oktober 1987
voorzitter Stichting registratie alternatieve geneeswijzen, vanaf november 1987
penningmeester bestuur "Het Zilveren Kruis", tot 1 januari 1990
adviseur bestuur "Sportclub Feyenoord", van oktober 1989 tot 18 januari 1990 (moest adviseren over de bestuurlijke organisatie bij de betaald voetbalorganisatie Feyenoord)
voorzitter Raad van Toezicht ziekenfonds "DSW" (Delfland, Schieland, Westland), tot december 1991
voorzitter bestuur "Het Zilveren Kruis", vanaf 1 januari 1990
Opleiding
voortgezet onderwijs
h.b.s.-b, "Christelijke Hogere Burgerschool" te Leiden
academische studie
economie, Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam, tot 23 juni 1954
Activiteiten
als bewindspersoon (beleidsmatig)
Voerde als staatssecretaris een omvangrijke ombuigingsoperatie (f 3 miljard) door in de sector volksgezondheid. Deze moest onder meer worden bereikt door budgettering van ziekenhuizen en door beddenreductie, door afspraken met huisartsen en specialisten en door herziening van de ziektekostenverzekering. Bracht in 1982 een brief uit over deze hoofdpunten van beleid. (17.600-XVII, nr. 29)
Voerde in 1983 de zgn. medicijnenknaak in, waarbij ziekenfondspatiënten per geneesmiddel f 2,50 extra moesten betalen (met een maximum per jaar van f 125,- per hoofdverzekerde).
Bracht in 1983 de Voortgangsnota patiëntenbeleid uit over patiëntenparticipatie, -voorlichting, -organisaties en -rechten. Behalve op uitvoering van de nota uit 1981 wordt ingegaan op verdere ontwikkeling van het beleid. (16.771, nr. 14)
Bracht in 1983 de Nota Volksgezondheid bij beperkte middelen uit over het beleid in samenhang met de bezuinigingen voor 1984-1986 (18.108)
Bracht in 1983 de Nota eerstelijnszorg uit over de samenhang en samenwerking tussen eerstelijnsvoorzieningen van volksgezondheid en maatschappelijke dienstverlening (18.180)
Bracht in 1984 de Notitie Dierproevenbeleid uit. Hierin worden uitgangspunten geformuleerd voor het uitvoeren van proeven met dieren. Het verrichten hiervan wordt gezien als een uitvloeisel van biologisch-technisch denken. Dieren hebben daarin als deelgenoot van de schepping een eigen aard en eigen waarde; er is sprake van 'bezield' leven. Bij de vraag of dierproeven nodig zijn, moet steeds het besef van billijkheid en rechtvaardigheid een rol spelen. Binnen door de wet te stellen voorwaarden hebben wetenschappers daarin een beslissende stem. Door alternatieven te ontwikkelen, moet het aantal dierproeven worden teruggedrongen. (18.450)
Bracht in 1984 de Nota Veiligheid in de privésfeer uit. Geconstateerd wordt dat nog veel inspanningen nodig zijn om het aantal ongevallen in en om huis, in open water en op sportvelden en -zalen terug te dringen. Er wordt ingezet op preventie door aanpassing van producten (bijvoorbeeld kinderveilige verpakkingen van huishoudchemicaliën en geneesmiddelen, etikettering, en aanscherping van regels op grond van de Warenwet), voorlichting en opvoeding. Een belangrijke rol is weggelegd voor de (gesubsidieerde) Stichting Consument en Veiligheid. (18.453)
Bracht in 1984 de Nota Geestelijke volksgezondheid uit. Vanwege het gebrek aan samenhang tussen de diverse voorzieningen voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en de aan invloed winnende cliëntenbeweging is nieuw beleid nodig. Psychosociale problemen als gevolg van menselijk leed worden gezien als behorend tot het werkterrein van de eerstelijnszorg. Daarnaast kunnen ernstige psychische problemen het gevolg zijn van ernstige psychische afwijkingen. Deze problemen behoren tot het werkterrein van de GGZ. De taak van de overheid op het gebied van de GGZ wordt gezien als kwaliteitsbevorderend en toezichthoudend. Er komt meer aandacht voor een categorale aanpak, bijvoorbeeld gericht op etnische minderheden, vrouwen en slachtoffers van geweld. Zorg moet zo dicht mogelijk bij de burger worden geboden en tussen bestaande voorzieningen moet een grotere samenhang komen, bijvoorbeeld door concentratie en samenwerking van RIAGG's met algemene psychiatrische ziekenhuizen (APZ-en). Het aantal bedden in APZ'en wordt gereduceerd onder gelijktijdige schepping van plaatsen in beschermde woonvormen. Er komen meer plaatsen voor deeltijdbehandeling. Psychotherapie zal geen deel meer uitmaken van de functie van de polikliniek van het APZ. (18.463)
Bracht in 1984 de Nota Beroepskrachtenplanning Gezondheidszorg en Maatschappelijke Dienstverlening uit. In deze uitvoerige nota wordt een inventarisatie gegeven van de beschikbare arbeidsplaatsen en beroepsbeoefenaren in medische beroepen en de aangehouden en benodigde aantallen eerstejaarsstudenten. Daaruit blijkt dat overcapaciteit dreigt bij artsen, tandartsen, apothekers en fysiotherapeuten. Daarom is afremming van het aantal eerstejaars wenselijk, maar dat moet geleidelijk gebeuren. Er komen zowel wettelijke maatregelen als een vrijwillige instroombeperking (bij fysiotherapie). In 1985 kwam er een vervolgnota, waarin ook een beroepskrachtenplanning maatschappelijke dienstverlening was toegevoegd. (18.281 & 18.920)
Steunde als staatssecretaris in 1985/1986 de kandidatuur van Amsterdam voor de organisatie van de Olympische Spelen van 1992. Uiteindelijk kreeg Amsterdam slechts vijf stemmen en werden, in oktober 1986, de Spelen toegewezen aan Barcelona. (18.426)
Bracht in 1985 een notitie uit over AIDS (19.218)
Bracht in 1985 de (ontwerp-)Nota 'Alcohol en samenleving' uit over het alcoholmatigingsbeleid. Prioriteit wordt gegeven aan voorkomen van overmatig alcoholgebruik, onder meer door voorlichting in het voortgezet onderwijs en door preventieprojecten gericht op zinvolle tijdsbesteding. Verkoop van alcoholische dranken in sportkantines en in de sociaalculturele sector zal strikter worden gereguleerd via wettelijke maatregelen. Verder moeten problemen vroegtijdig worden onderkend door de algemene hulpverlening, zodat de opnameduur kan worden verkort en ambulante behandeling in plaats van intramurale behandeling mogelijk wordt. In de artsen-opleiding dient onderkennen van verslaving meer aandacht te krijgen. Er wordt nieuwe alcoholwetgeving aangekondigd, die eenvoudiger uitvoerbaar en handbaafbaar moet zijn. (19.243)
Bracht in 1986 de Nota 'Zorg voor ouderen' uit. In deze nota wordt een samenhangende visie gegeven op het toekomstige ouderenbeleid, zowel wat voorzieningen in de volksgezondheid betreft als waar het gaat om maatschappelijke dienstverlening. Bejaardenoorden zullen meer verzorgingsbehoeftigen krijgen en verpleeghuizen moet zich gaan richten op zwaarder verplegingsbehoeftigen. Betere samenwerking tussen beide type instellingen is nodig en er komen hiervoor experimenten. De planning en afstemming van voorzieningen binnen regio's krijgt meer aandacht en de rol van de provincie daarbij wordt versterkt. Bij de thuisverpleging en kruiswerk worden knelpunt voorzien. Er komen experimenten om te bezien wat hiervoor de beste oplossingen zijn. Samenwerking tussen RIAGG's, verpleeghuizen, ziekenhuizen, bejaardenoorden en kruisorganisaties wordt geïntensiveerd. Er komt meer aandacht voor de opleiding van hulpverleners. (19.434)
Bracht in 1986 een Nota over de ontwikkeling van gezondheidsbeleid: feiten, beschouwingen en beleidsvoornemens (Nota 2000) uit. Hierin worden de hoofdlijnen geschetst van het volksgezondheidsbeleid op middellange termijn. Het is noodzakelijk om te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen en om in te spelen op de snel veranderende samenleving. Burgers zullen een grotere verantwoordelijkheid krijgen voor hun eigen gezondheid. In de nota wordt ingegaan op de organisatie van de gezondheidszorg en op de middelenvoorziening. Eerder ingezette ontwikkelingen, zoals de stelselherziening, worden voortgezet. Eventuele wettelijke belemmeringen om tot grotere felxibiliteit te komen, worden zoveel mogelijk weggenomen. (19.500)
Diende in 1986 het wetsvoorstel Wet beroepen in de gezondheidszorg in. De wet werd in 1993 door staatssecretaris Simons in het Staatsblad gebracht. (19.522)
als bewindspersoon (wetgeving)
Bracht in 1984 de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) (Stb. 94) tot stand. Op grond van deze wet krijgen zij die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door bijvoorbeeld bombardementen of in de naoorlogse jaren door ontploffing van munitie lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen recht op een aanvullende uitkering. Het wetsvoorstel werd in 1982 ingediend door minister Van der Louw. (17.376)
Bracht in 1985 samen met staatssecretaris Ploeg de Diergeneesmiddelenwet (Stb. 410) tot stand. Deze raamwet bevat regels over registratie, kanalisatie en vergunningen voor diergeneesmiddelen. Het bereiden en afleveren van diergeneesmiddelen wordt aan een vergunningenstelsel gebonden. Veehouders moeten bij handel certificaten over toegediende geneesmiddelen overleggen. (17.764)
Bracht in 1986 de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen (WTZ), de Wet interne lastenverevening particuliere ziektekostenverzekeringsbedrijf (ILPZ) en de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsenverzekerden (MOOZ) tot stand. Dit hield verband met de opheffing van de bejaardenverzekering en de vrijwillige ziekenfondsverzekering. De WTZ bepaalt dat particuliere verzekeraars zonder medische selectie of toeslagen een standaardverzekeringspakket moeten bieden aan hen van wie de Zfw-verzekering eindigt. De Wet ILPZ legt met het oog op zuivere concurrentieverhoudingen aan particuliere ziektekostenverzekeraars de plicht op tot een zekere mate van onderlinge lastenverevening. De Wet MOOZ verplicht particuliere ziektenkostenverzekeraars jaarlijks een bijdrage aan de algemene kas voor de verplichte ziekenfondsverzekering te storten. Dit vanwege het grote aantal ouderen in het Zfw-verzekeringsbestand. (18.972 & 19.010)
Bracht in 1986 de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 360) tot stand. Zij die in voormalig Nederlands-Indië na de capitulatie van het KNIL hebben deelgenomen aan het verzet en daarvan lichamelijk of geestelijk schade hebben ondervonden, krijgen recht op een buitengewoon pensioen. Dit recht geldt ook voor nabestaanden. (18.831)
Wetenswaardigheden
uit de privésfeer
Was actief als zwemmer en waterpolospeler. Zijn eerste echtgenote was eveneens een verdienstelijk zwemster.
woonplaats(en)/adres(sen)
Leiden, tot 1974
Oegstgeest, Terweeweg 140, van 1974 tot april 1993
ridderorden
Officier in de Orde van Oranje-Nassau, juni 1982
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 26 augustus 1986
overige onderscheidingen en prijzen
dierenbeschermer van het jaar 1984
The Olympic Order, 2000
militaire dienst
dienstplichtig militair, van 1954 tot 1956
rang(en) reserve-officier
reserve-eerste luitenant, tot 1956
Publicaties van/over
lijst van publicaties
"Onze kostelijke gezondheid" (1987)
"Van Leids laken tot Gooise matras" (autobiografie, 2006)