Dr. J.R. Slotemaker de Bruïne

foto Dr. J.R. Slotemaker de Bruïnevergrootglas

Hervormd predikant, theoloog en vooraanstaand CHU-politicus. Kwam als jong predikant in het Friese veengebied in aanraking met de grote sociale noden. Schreef een werk over christelijke sociale politiek en werd docent van het CNV. In 1916 hoogleraar theologie in Utrecht en in 1922 Eerste Kamerlid. Als minister van Arbeid in het kabinet-De Geer I voerde hij in 1929 de eerder tot stand gekomen Ziektewet in. Als minister van Sociale Zaken in het tweede kabinet-Colijn was hij medeverantwoordelijk voor diverse verlagingen van de steun aan werklozen. In 1935 volgde hij Marchant op als minister van Onderwijs. Stond niet bekend als een krachtig bewindspersoon. Opvallende verschijning door zijn lange baard. Irenische man, die tamelijk ijdel en lang van stof was.

CHU
in de periode 1922-1941: lid Tweede Kamer, lid Eerste Kamer, minister, partijvoorzitter

voornamen

Jan Rudolph

personalia

wijziging in naam en/of titulatuur
  • Bij K.B. van 26 juni 1889, nr. 28 werd toegestaan 'de Bruine' aan de achternaam 'Slotemaker' toe te voegen
  • Voegde zelf een trema op de i toe in zijn achternaam 'de Bruine'

geboorteplaats en -datum
Sliedrecht, 6 mei 1869

overlijdensplaats en -datum
Wassenaar, 1 mei 1941

levensbeschouwing
Hervormd: orthodox-confessioneel

opmerkingen over de naam en/of titel
  • uitspraak achternaam: Slotemaker de Bruune
  • Had voor intimi als roepnaam "Ru"

partij/stroming

partij(en)
CHU (Christelijk-Historische Unie), vanaf 1917

hoofdfuncties en beroepen

  • predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Haulerwijk (Frl.), van 16 september 1894 tot januari 1897
  • predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Beilen (Dr.), van januari 1897 tot april 1900
  • predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Middelburg, van 22 april 1900 tot juni 1903
  • predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Nijmegen, van juni 1903 tot 20 oktober 1907
  • predikant Nederlandse Hervormde Kerk te Utrecht, van 20 oktober 1907 tot 24 september 1916
  • docent sociale vraagstukken, Theologische faculteit, Rijksuniversiteit Utrecht, van 1908 tot september 1916
  • kerkelijk hoogleraar "leerstellige godgeleerdheid, geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk en harer leerstellingen, en Nederlands Hervormd kerkrecht", Rijksuniversiteit Utrecht, van 1 september 1916 tot 1 september 1925 (benoemd 30 mei 1916)
  • lid Provinciale Staten van Utrecht, van 1 juli 1919 tot juli 1922
  • lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 25 juli 1922 tot 8 maart 1926 (in 1922-1923 voor de provincie Zeeland)
  • kerkelijk hoogleraar "praktische godgeleerdheid en Nederlands Hervormd kerkrecht", Rijksuniversiteit Utrecht, van 1 september 1925 tot 8 maart 1926
  • minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, van 8 maart 1926 tot 10 augustus 1929
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 september 1929 tot 12 juni 1933
  • minister van Sociale Zaken, van 12 juni 1933 tot 31 juli 1935 (benoemd bij K.B. van 8 juni 1933)
  • minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ad interim, van 18 mei 1935 tot 31 juli 1935 (na het aftreden van minister Marchant)
  • minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van 31 juli 1935 tot 25 juli 1939
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 8 juni 1937 tot 24 juni 1937
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 4 september 1939 tot 1 mei 1941

partijpolitieke functies

  • lid hoofdbestuur CHU, van 1918 tot 1919
  • vicevoorzitter CHU, van juli 1920 tot 1925
  • hoofdredacteur CHU-dagblad "De Nederlander", van 1 oktober 1921 tot 1 september 1922
  • voorzitter Bijzondere Commissie voor de sociale wetgeving, CHU, omstreeks 1924
  • fractiesecretaris CHU Eerste Kamer der Staten-Generaal, van september 1923 tot maart 1926
  • waarnemend voorzitter CHU, van augustus 1925 tot 8 maart 1926
  • lid hoofdbestuur CHU, van 1930 tot 1932
  • hoofdredacteur CHU-dagblad "De Nederlander", van 1930 tot mei 1933 (sinds 9 november 1931 enige hoofdredacteur)
  • voorzitter CHU, van 1 oktober 1932 tot juni 1933
  • adviserend lid bestuur CHU, 1937
  • vicefractievoorzitter CHU Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 4 september 1939 tot 1 mei 1941 (nam na diens internering vanaf oktober 1940 Tilanus waar als fractievoorzitter)

nevenfuncties

  • lid redactie "De Voorzorg", orgaan van de Christelijke Nationale Werkmansbond, van 1903 tot 1921
  • docent Hogeschool voor Sociologie te Utrecht
  • docent Volksuniversiteit te Amsterdam
  • lid redactie "Stemmen des Tijds", maandschrift voor Christendom en cultuur, van 1911 tot 1921
  • lid Staatscommissie inzake het alcoholvraagstuk (Staatscommissie-Van der Lande), vanaf maart 1919
  • privédocent en gastdocent diverse universiteiten
  • voorzitter Nationale Christelijke Geheelonthoudersvereeniging, omstreeks 1921
  • lid Hoge Raad van Arbeid, van januari 1920 tot maart 1926
  • medewerker "Stemmen des Tijds", maandschrift voor Christendom en cultuur, van 1921 tot 1 mei 1941
  • lid Staatscommissie kostenbesparing hoger onderwijs (Staatscommissie-Colijn/Lorentz), van 24 februari 1923 tot juli 1924
  • docent vormingcursussen CNV (Christelijk Nationaal Vakverbond)
  • lid Raad van Commissarisen N.V. Nederlandsche Spoorwegen (namens de regering)
  • voorzitter Christelijke vereeniging tot oprichting en exploitatie van sanatoria "Zonnegloren", tot maart 1926
  • voorzitter Wereldbond tegen het Alcoholisme
  • voorzitter Internationale Commissie tegen Drankmisbruik
  • voorzitter Internationale Bond voor Inwendige Zending en Diaconie
  • voorzitter Protestantse Wereldbond
  • lid hoofdbestuur Vereeniging voor Volkenbond en Vrede, omstreeks 1929
  • lid Raad van Commissarissen N.V. Hollandsche IJzeren-Spoorwegmaatschappij en N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, tot 1926
  • voorzitter Commissie van Advies voor de Werkloosheidsverzekering, van 1931 tot 1933
  • lid Centrale Commissie van Advies voor de Arbeidsbemiddeling, omstreeks 1933
  • voorzitter Staatscommissie inzake concentratie van scholen voor bijzonder lager onderwijs, van 4 februari 1936 tot 16 december 1936
  • voorzitter Convent van Kerken, vanaf juni 1940

afgeleide functies, presidia etc.
lid Centrale Afdeling (Eerste Kamer der Staten-Generaal), van 15 september 1925 tot 15 december 1925

opleiding

lager-/basisonderwijs
  • lagere school te Sliedrecht

voortgezet onderwijs
  • gymnasium te Haarlem, van 1882 tot 1888

academische studie
  • godgeleerdheid (gepromoveerd op dissertatie), Rijksuniversiteit Utrecht, van 1889 tot 26 juni 1894 (proponentsexamen 1 december 1892)

eredoctoraten
  • theologie, Hus-faculteit Universiteit van Praag, juni 1937
  • theologie, Staatsuniversiteit van Debreczen (Hongarije), 4 oktober 1938

activiteiten

als parlementariër
  • Sprak in de Eerste Kamer vooral over arbeidsaangelegenheden, economische onderwerpen en het kiesrecht
  • Sprak als Tweede Kamerlid vooral over economische zaken, arbeid en volksgezondheid

opvallend stemgedrag
  • Stemde in 1925 als enige van zijn fractie vóór een (verworpen) wetsvoorstel dat gewetensbezwaren tegen de stemplicht mogelijk moest maken
  • In 1925 stemden hij en Van der Hoeven als enigen van hun (Eerste Kamer)fractie vóór het (verworpen) initiatiefvoorstel-Rutgers over de plaatselijke keuze in de Drankwet
  • In 1932 stemden hij en mej. Katz als enigen van hun fractie tegen het wetsontwerp inzake smadelijke godslastering

als bewindspersoon (beleidsmatig)
  • Voerde in 1929 de door hem gewijzigde Ziektewet uit 1913 in. De wet heeft alleen betrekking op werknemers in loondienst. De uitvoering ervan wordt overgelaten aan bedrijfsverenigingen in plaats van aan Raden van Arbeid.
  • Verleende financiële steun aan het in 1932 opgerichte Nationaal Crisiscomité dat steun in natura gaf aan individuele werklozen
  • Was in 1934 verantwoordelijk voor de verlaging van de werklozensteun met tien procent
  • Bepaalde in 1936 dat huwende onderwijzeressen in het lager en uitgebreid lager onderwijs moesten worden ontslagen, tenzij zij kostwinnaressen waren, tien dienstjaren hadden of onmisbaar waren voor het onderwijs
  • Trachtte in 1936 als minister van Onderwijs uit het oopunt van bezuiniging te komen tot verplichte concentratie van bijzondere lagere scholen, zoals die ook plaatsvond bij openbare lagere scholen. De christelijke Kamermeerderheid wees dat af. Om een dreigende kabinetscrisis te voorkomen, werd op voorstel van de liberale en vrijzinig-democratische ministers besloten paragraaf 12 van het Bezuinigingsontwerp terug te nemen en aan Staatscommissie te vragen een nieuw voorstel te formuleren. Hijzelf werd voorzitter van die commissie.

als bewindspersoon (wetgeving)
  • Bracht in 1927 de Wet inzake sera en vaccins tot stand. Deze bond het bereiden van en de handel in entstoffen en bloedproducten aan een vergunning.
  • Bracht in 1927 samen met minister Donner een wet inzake de civielrechtelijke regeling van collectieve arbeidscontracten (Stb. 415) tot stand, waardoor individuele arbeidscontracten daaraan ondergeschikt werden gemaakt
  • Bracht in 1928 een wijziging van de Ongevallenwet tot stand, waardoor de fabriekarts een rol kreeg bij de uitvoering van de Ongevallenwet
  • Bracht in 1928 samen met minister Kan de Besmettelijke Ziekenwet tot stand. Deze opende de mogelijkheid van gewetensbezwaren tegen vaccinatie en schortte tevens de vaccinatieplicht op (voor een jaar, maar uiteindelijk werden dat er tien), om onderzoek naar risico's van vaccinatie mogelijk te maken.
  • Bracht in 1928 samen met minister Donner de Medische Tuchtwet tot stand. Deze wet bevatte regels over tuchtmaatregelen jegens artsen, tandartsen en verloskundigen die door verkeerde handelingen de stand der geneeskundigen ondermijnden. Tuchtmaatregelen zijn: een waarschuwing, berisping, geldboete, schorsing of ontzegging de geneeskunde verder uit te oefenen. De tuchtrechtspraak kwam in handen van tuchtcolleges, die bestaan uit geneeskundigen en een rechtsgeleerde. Beroep was mogelijk bij een centraal college of, bij een zware sanctie, bij een gerechtshof. Het wetsvoorstel was in 1925 ingediend door minister Aalberse.
  • Bracht in 1928 samen met minister Kan de Opiumwet (Stb. 167) tot stand, die uitvoering geeft aan internationale conventies tegen opiummisbruik en misbruik van andere verdovende middelen
  • Bracht in 1933 de Huisarbeidswet tot stand, die onder meer een verplichting invoerde voor de registratie van thuiswerkers en de arbeidsomstandigheden voor huisarbeid regelde. In 1984 zou staatssecretaris Kappeyne van de Coppello aan de Tweede Kamer berichten dat de wet slechts een zeer beperkte betekenis had gehad.
  • Bracht in 1933 de Wet op de Rijksverzekeringsbank tot stand. Hierdoor werd de uitvoering van de sociale verzekering overgedragen aan de Rijksverzekeringsbank, daar waar sinds 1920 die bank, de Raden van Arbeid en Verzekeringsraad daarmee waren belast. De Bank beheerde de fondsen ter financiering van de verzekeringen (uitgezonderd de ziekteverzekering). De Wet op de Rijksverzekeringsbank 1920 en de Radenwet werden ingetrokken en de Verzekeringsraad werd opgeheven. Het wetsvoorstel was in 1932 ingediend door minister Verschuur.
  • Bracht in 1934 een nieuwe Veiligheidswet tot stand, die de wet uit 1895 verving. Naast de veiligheid in fabrieken en werkplaatsen werden nu ook regels gesteld op dit punt voor onder andere de landbouw en binnenvaart. De wet was niet van toepassing op militaire inrichtingen en gevangenissen. Op grond van de wet konden AMvB's worden uitgevaardigd over de veiligheid in specifieke sectoren. Het wetsvoorstel was in 1931 ingediend door minister Verschuur.

wetenswaardigheden

algemeen
  • Werd op 9 mei 1933 als derde op de voordracht voor het Tweede Kamervoorzitterschap geplaatst

uit de privésfeer
  • Wees in 1903 een benoeming tot directeur van de weesinrichting te Neerbosch (bij Nijmegen) af
  • Was begin 1933 enige weken uitgeschakeld door ziekte
  • Een zoon van hem was gehuwd met een jongere zuster van V.H. Rutgers, Tweede Kamerlid en minister
  • Zijn vader was burgemeester van Molenaarsgraaf, Bleskensgraaf en Hofwegen en Wijngaarden (1853-1855), en later notaris te Sliedrecht
  • Zijn moeder kwam uit Friesland, de provincie waar hij zijn eerste beroeping als predikant had

anekdotes en citaten
  • Droeg een weelderige golvende baard. Toen hij enkele dagen voor 6 December als minister achter de regeringstafel stond met de afgevaardigde Effendi (die van indische afkomst was), zei het Kamerlid Moller: "Zie hier: Sint Nikolaas en Zwarte Piet"
  • Slotemaker was geen sterk minister. Toen hij in 1935 van Sociale Zaken overging naar Onderwijs werd hij 'Slotemaker de B.' genoemd, want de 'ruïne' had hij op Sociale zaken achtergelaten.
  • Over hem werd - vanwege zijn vermeende ijdelheid - het grapje verteld dat hij, bij de hemel aangekomen, aan Petrus zou vragen: "Staat de fotograaf klaar?"

verkiezingen
  • Werd in 1923 tot Eerste Kamerlid gekozen door Groep I: Noord-Brabant, Zeeland, Utrecht en Limburg
  • Was bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1933 nummer 2 op de CHU-kandidatenlijst

pseudoniemen, bij-, koos- en schuilnamen
"Socius Slotemaker"

woonplaats(en)/adres(sen)
  • Haulerwijk (Frl.), van 1894 tot 1897
  • Beilen (Dr.), van 1897 tot 1900
  • Middelburg, van 1900 tot 1903
  • Nijmegen, van 1903 tot 1907
  • Utrecht. Weistraat 132, vanaf 1907
  • Utrecht, Van Hogendorpstraat 22, omstreeks 1923
  • 's-Gravenhage, Jozef Israëlslaan 54, omstreeks 1928
  • Wassenaar, Groot Hoefijzerlaan 48, omstreeks 1931
  • Wassenaar, Teylingerhoflaan 23, omstreeks 1938

ridderorden
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 30 augustus 1921
  • Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau, 30 augustus 1939

verenigingen, sociëteiten, genootschappen etc.
lid studententoneelvereniging "Eltheto"

publicaties/bronnen

publicaties
  • "De eschatologische voorstellingen in I en II Corinthe" (dissertatie, 1896)
  • "Christelijk Sociale Studiën" (1908)
  • "Dr. J.Th. de Visser; zijn betekenis voor het land en volk; ter herinnering aan zijn 70-sten verjaardag" (1927)

literatuur/documentatie
  • J. de Zwaan, "J.R. Slotemaker de Bruïne", in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde" (1943) 225-238
  • C.B. Wels, "Slotemaker, Jan Rudolph (1869-1941)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel I, 546
  • P.L. Schram, "Slotemaker de Bruïne, Jan Rudolph", in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 2, 404
  • P.E. Werkman en R.E. van der Woude, "Jan Rudolph Slotemaker de Bruïne (1869-1941). Vijand van alle dogma's", in: P.E. Werkman en R.E. van der Woude (red.), "Bevlogen theologen. Geëngageerde predikanten in de negentiende en twintigste eeuw" (2012)
  • J. van der Molen, "Slotemaker, Jan Rudolph", in: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, deel IV, 192
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (1938)

Biografisch Woordenboek(en)
  • biografie opgenomen in het Biografisch Woordenboek van Nederland
  • biografie opgenomen in Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme
  • biografie opgenomen in het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland

familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm
gehuwd te Sliedrecht, 23 augustus 1894

echtgeno(o)t(e)/partner
C. de Jong, Cornelia

kinderen
3 zoons en 4 dochters

vader
N.A.C. Slotemaker, Nicolaas Ahasverus Cornelis

geboorteplaats en/of -datum
Molenaarsgraaf (Z.H.), 21 maart 1821

moeder
H.G. de Bruine, Hendrika Gerardina (tweede echtgenote van vader)

geboorteplaats en/of -datum
Balk (grietenij Gaasterland), 18 februari 1837

broers en zusters
2 zussen

halfbroers en -zusters
4 halfbroers en/of -zussen

familierelaties

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan het biografisch archief van het Parlementair Documentatiecentrum (PDC) van de Universiteit Leiden en betreffen vooral de periode waarin iemand politiek en bestuurlijk actief is of was.
Aanvullingen en gemotiveerde correcties ontvangt PDC graag. U kunt hiervoor de "reageer-keuze" aan de rechterzijde van deze pagina gebruiken of uw aanvullingen per post sturen naar PDC, antwoordnummer 10801, 2501 BW Den Haag of per email aan info@biografieen.com.