Verhouding tussen Eerste Kamer en kabinet

Algemeen wordt aanvaard dat er wel een vertrouwensrelatie is tussen bewindslieden en de Eerste Kamer, maar dat er geen vertrouwensregel bestaat tussen kabinet en Eerste Kamer. Anders gezegd: de Eerste Kamer kan eventueel wel een bewindspersoon bewegen tot aftreden, maar niet het gehele kabinet. Zolang het kabinet het vertrouwen heeft van een meerderheid van de Tweede Kamer kan het aanblijven.

De terughoudende opstelling van de Eerste Kamer vloeit voort uit de erkenning van het politieke primaat van de rechtstreeks gekozen Tweede Kamer. De interpretatie van die 'regel' is overigens niet eensluidend en het primaat wordt soms wel en soms minder relevant geacht.

Verwerping van een (belangrijk) wetsvoorstel kan wel tot een conflict tussen kabinet en Eerste Kamer leiden. Van geval tot geval moet dan worden bekeken welke consequenties er dan zijn. Uit een nederlaag van het kabinet in de Eerste Kamer kan echter niet direct worden afgeleid, dat het kabinet niet langer het vertrouwen heeft in de Eerste Kamer.

Een conflict tussen kabinet en Eerste Kamer houdt tevens in dat er een conflict is tussen Tweede en Eerste Kamer. Hoe zo'n conflict moet worden opgelost, staat evenmin vast. Ontbinding van de Eerste Kamer is mogelijk, maar aangezien Provinciale Staten, die de Eerste Kamerleden kiezen, niet kunnen worden ontbonden, zijn nieuwe Eerste Kamerverkiezingen feitelijk zinloos.

Conflicten Eerste Kamer-kabinet

Er zijn in de parlementaire geschiedenis enkele keren conflicten ontstaan tussen kabinet en Eerste Kamer die tot een crisis leidden. In 1860 trad het kabinet-Van Hall/Van Heemstra af na verwerping door de Eerste Kamer van een wetsvoorstel over de aanleg van spoorwegen. Er werd toen een nieuw kabinet gevormd.

Latere conflicten veroorzaakten wel crises, maar die eindigden steeds in terugkeer van het zittende kabinet. In 1907 verwierp de Eerste Kamer bijvoorbeeld de begroting van Oorlog (Defensie) van het kabinet-De Meester, dat daarna zijn ontslag aanbood. Na mislukte pogingen om een ander kabinet te vormen, bleef het kabinet-De Meester aan. De oppositiefracties die tegenstemden, hadden overigens nadrukkelijk verklaard niet uit te zijn op de val van het kabinet.

In 1999 leidde de verwerping van een voorstel in tweede lezing van een Grondwetsherziening over het correctief referendum tot een crisis in het kabinet-Kok II. Na een geslaagde lijmpoging, waarbij nieuwe afspraken werden gemaakt over bestuurlijke vernieuwing, bleef het kabinet aan.

Aftreden bewindspersoon na nederlaag in Senaat

Een nederlaag in de Eerste Kamer was voor enkele ministers reden om af te treden. In 1862 was verwerping voor de begroting voor Nederlands-Indië door de Eerste Kamer reden voor minister Uhlenbeck om ontslag te vragen. Zijn college Van der Maesen de Sombreff uit het kabinet-Thorbecke II trad een jaar later af na verwerping van de begroting van Buitenlandse Zaken.

In 1870 was verwerping van de begroting voor Indië mede reden voor minister De Waal om op te stappen. Eerder had hij zijn vertrek al aangekondigd vanwege gezondheidsproblemen.

Minister Keuchenius van Koloniën in het kabinet-Mackay trad af, nadat de in meerderheid liberale Eerste Kamer zijn begroting had verworpen. De liberale meerderheid keurde daarmee zijn beleid af om zending en christelijk onderwijs een belangrijker rol in Nederlands-Indië te laten spelen.

In 1950 trad minister Schokking van Oorlog en Marine af, nadat de Eerste Kamer zich in de schriftelijke voorbereiding van de begrotingsbehandeling kritisch had uitgelaten over het uitblijven van plannen tot versterking van de defensie. De Tweede Kamer was eerder eveneens kritisch geweest. Omdat ook in het kabinet het vertrouwen ontbrak, besloot Schokking op te stappen.

Een bijzondere situatie was er in 1958. Staatssecretaris Kranenburg (PvdA) van Oorlog werd ernstig bekritiseerd (onder meer door regeringsfractie KVP) over zijn materiaalbeleid. Eerder was gebleken dat het ministerie ondeugdelijke helmen had aangeschaft. In de Tweede Kamer was daarover een interpellatie geweest, die echter niet met een motie van afkeuring was geëindigd. De Tweede Kamer besloot tot instelling van een onderzoekscommissie.

De Eerste Kamer kwam tot een zelfstandig oordeel, waarbij meespeelde dat staatssecretaris Kranenburg eerder had geweigerd om uit de VS terug te keren voor het debat met de Tweede Kamer. Na de ernstige kritiek in de Senaat besloot hij zelf om op te stappen.

In 2005 stapte D66-minister Thom de Graaf op, nadat het door hem verdedigde voorstel tot het uit de Grondwet halen van de burgemeestersbenoeming geen tweederde meerderheid had gekregen. Bij zijn beslissing speelde mee dat hij er geen vertrouwen in had dat een ander belangrijk en door hem verdedigd voorstel, over een ander kiesstelsel, wel voldoende steun zou zijn.

Dreigende conflicten

De verhouding tussen de VVD-Eerste Kamerfractie onder leiding van Harm van Riel en VVD-minister Sim Visser van het kabinet-De Quay was gespannen. Daarbij speelde mee dat Van Riel zelf in 1959 met name door toedoen van VVD-leider Oud de ministerspost in het kabinet was misgelopen.

Het optreden van minister Visser was in beide Kamers aan ernstige kritiek onderhevig, maar de VVD-senaatsfractie trok daaruit de consequenties. In 1962 zegde die fractie het vertrouwen in de minister op. Naar aanleiding hiervan verklaarde minister-president De Quay echter dat er voor Visser geen reden was om af te treden, omdat die nog altijd het vertrouwen van de Tweede Kamermeerderheid (inclusief de VVD-fractie) had.

Het is enkele keren voorgekomen dat een bewindspersoon het 'onaanvaardbaar' uitsprak bij een dreigende verwerping door de Eerste Kamer. Dat deed bijvoorbeeld staatssecretaris Van Amelsvoort in 1991 toen de Eerste Kamerfractie van het CDA overwoog om tegen een wetsvoorstel tot aanpassing van het huurwaardeforfait te stemmen.

Wat de gevolgen van een eventuele verwerping waren geweest, is moeilijk te zeggen. Probleem was dan geweest dat er niet alleen een conflict zou zijn tussen kabinet en Eerste Kamer, maar ook tussen Tweede Kamer(meerderheid) en Eerste Kamer.

Verwerpen wetswijziging

Op 19 juli 1904 ontbond het kabinet-Kuyper de Eerste Kamer. Reden daarvoor was de verwerping vijf dagen eerder van een wijziging van de Hoger-onderwijswet. De wetswijziging zou afgestudeerden aan bijzondere universiteiten, zoals de Vrije Universiteit, dezelfde rechten geven als afgestudeerden aan openbare universiteiten.


Meer over