Vertrouwensregel parlement en kabinet

De vertrouwensregel houdt in dat een minister, staatssecretaris of het kabinet als geheel moet aftreden als zij niet langer het vertrouwen genieten van het parlement (lees: de Tweede Kamer). De vertrouwensregel zegt dus niet dat bewindspersonen per se moeten aftreden als ze een fout hebben gemaakt.

Een kabinet of bewindspersoon hebben het vertrouwen totdat het tegendeel is gebleken, bijvoorbeeld door aanneming van een motie van wantrouwen. Bij een dreigend conflict met Tweede of Eerste Kamer kan het kabinet of een bewindspersoon de vertrouwenskwestie stellen. Daarmee wordt aangegeven dat een ongewenste beslissing van de Kamer tot een kabinetscrisis of ministerscrisis zal leiden.

Bij een conflict tussen regering en parlement heeft de regering ook de mogelijkheid niet af te treden, maar het parlement te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven, in de hoop dat de nieuw gekozen Tweede Kamer het kabinet of de minister wel het vertrouwen geeft.

Wettelijke basis

Niet al het Nederlandse staatsrecht is vastgelegd in de Grondwet of in andere wetten. Een essentiële staatsrechtelijke regel, de vertrouwensregel, is in de loop der tijd ontstaan en kan dus worden beschouwd als gewoonterecht.

Een belangrijke gewoonteregel is verder dat de Tweede Kamer vanwege hetzelfde conflict slechts één keer ontbonden mag worden. Als het conflict tussen een kabinet dat is blijven zitten en een nieuw gekozen Tweede Kamer blijft voortbestaan, moet het kabinet dus ofwel alsnog de wens van de Tweede Kamer uitvoeren, ofwel aftreden.

In de praktijk zal tegenwoordig in geval van een conflict het kabinet ontslag aanbieden aan de Koning, waarna of een nieuwe (in)formatie zal plaatsvinden zonder verkiezingen, of (wat waarschijnlijker is) nieuwe verkiezingen worden georganiseerd.

Wanneer ontstaat wantrouwen?

Reeds bij het eerste optreden van een kabinet speelt de vertrouwensregel een rol. Een formateur moet zich er altijd van vergewissen of het door hem te vormen kabinet niet direct door de Tweede Kamer naar huis zal worden gestuurd. Dat was bijvoorbeeld het geval in 1939 bij het vijfde kabinet-Colijn. In een motie-Deckers sprak de Tweede Kamer zich in meerderheid uit het optreden van dat minderheidskabinet. Aanneming van de motie leidde direct tot de ontslagaanvrage van het kabinet.

Wanneer het parlement (feitelijk moet hier gelezen worden: de Tweede Kamer) het vertrouwen in een bewindspersoon of een kabinet verliest, is moeilijk te bepalen; (partij)politieke overwegingen spelen hierbij veelal een grote rol.

Bij de beoordeling van de vertrouwensvraag is van belang dat verschillend kan worden gedacht over de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid.

Vaak speelt tevens de vraag mee of een bewindspersoon redelijkerwijs iets had kunnen weten (wat hij niet wist), of redelijkerwijs maatregelen had kunnen nemen (die hij niet heeft genomen).

Het verliezen van het vertrouwen zal in het algemeen in een debat aan het licht komen, bijvoorbeeld wanneer een meerderheid van de Kamer een zogenaamde 'motie van wantrouwen' (tegen het voorgenomen of gevoerde beleid of tegen een bewindspersoon of het kabinet) steunt.

Aangezien het parlement zich bij zijn werkzaamheden voor een groot deel baseert op informatie die door het kabinet wordt verstrekt, wordt het vertrouwen van de Kamer in ieder geval geschaad als deze ontdekt dat de juistheid en de volledigheid van de verstrekte informatie te wensen overlaat.

Het kan ook gebeuren dat een bewindspersoon of het kabinet naar aanleiding van de ontwikkelingen in het debat zelf meent geen of onvoldoende vertrouwen te genieten, zonder dat de Kamer dit expliciet aangeeft. Het is ook mogelijk dat een motie van afkeuring (waarin het gevoerde of te voeren beleid wordt afgekeurd) wordt opgevat als een motie van wantrouwen.

Ontstaan van de vertrouwensregel

De vertrouwensregel is in de jaren na 1848 ontstaan na een aantal incidenten als een regel van ongeschreven staatsrecht:

  • In 1853 liet koning Willem III zich, tegen het advies van het kabinet-Thorbecke in, kritisch uit over het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (het recht van de paus om zelfstandig een Nederlandse katholieke kerkorganisatie met een bisschoppelijk bestuur vast te stellen; de overheidsbemoeienis hiermee was bij de Grondwetsherziening van 1848 afgeschaft). Het kabinet-Thorbecke trad af nadat de Koning zijn uitlatingen niet in het openbaar wilde herroepen. Het kabinet wilde dus geen verantwoordelijkheid dragen voor de woorden van de koning.
  • In 1866 trad minister Mijer van Koloniën af. Hij werd korte tijd later Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. De Kamer was het niet eens met zijn aftreden en nam een motie van afkeuring aan. Volgens het kabinet was de regering geen verantwoording aan het parlement schuldig omdat de Grondwet het bestuur van de koloniën uitdrukkelijk aan de Koning overliet. De Koning ontbond vervolgens de Tweede Kamer, zodat de kiezers zich over de kwestie konden uitspreken. De nieuw gekozen Tweede Kamer deed vervolgens niets meer met dit onderwerp.
  • In 1868 verwierp de Tweede Kamer de begroting van Buitenlandse Zaken omdat Nederland een verdrag had ondertekend waarin de neutraliteit van Luxemburg was gegarandeerd. De Tweede Kamer vond dat Nederland zich niet in de Europese machtspolitiek had moeten laten betrekken, waarop de Koning de Tweede Kamer ontbond. Na de verkiezingen werd de begroting van Buitenlandse Zaken opnieuw verworpen, waarop het kabinet aftrad. Hierdoor ontstond de ongeschreven regel dat de Tweede Kamer vanwege hetzelfde conflict slechts eenmaal ontbonden mag worden.

De praktijk