Motie van afkeuring of wantrouwen

Er zijn twee soorten moties waarmee de Tweede Kamer ernstige kritiek op een bewindspersoon kan verwoorden: de motie van afkeuring en de motie van wantrouwen. Het onderscheid tussen beide soorten is in de praktijk overigens niet altijd even duidelijk. Moties van afkeuring of wantrouwen worden geregeld ingediend, maar zelden aangenomen.

Een motie van afkeuring veroordeelt beleid van een bewindspersoon (of van het kabinet). De ernst van de verwoorde kritiek kan reden zijn voor ontslagaanvrage.

Met een motie van wantrouwen spreekt de Kamer uit geen of niet langer vertrouwen te hebben in een bewindspersoon of in het kabinet. Zij kunnen niet anders doen dan daaraan consequenties te verbinden en op te stappen. Hierbij geldt de regel dat een bewindspersoon of kabinet het vertrouwen heeft tot het tegendeel is gebleken. Een motie van vertrouwen kennen we in het Nederlandse staatsbestel niet.

De enige aangenomen motie van wantrouwen is de motie-Deckers uit 1939 waarin het optreden van het kabinet-Colijn V werd afgekeurd. Het kabinet werd daardoor al na vier dagen demissionair. De enige keer dat nadien een motie tegen het optreden van het kabinet werd ingediend, was in 1982 bij de regeringsverklaring van het kabinet-Van Agt III. Deze motie-Bakker (CPN) kreeg echter alleen steun van PvdA, PPR, CPN en PSP.

Een motie van afkeuring wordt soms opgevat als een motie van wantrouwen. Dat is afhankelijk van de lading die een bewindspersoon, het kabinet of de Kamer er zelf aan geven. Een bewindspersoon of kabinet kan de vertrouwenskwestie aan de orde stellen.

In 1966 diende Schmelzer, de fractievoorzitter van de KVP, de grootste regeringspartij, een motie in waarin om betere dekking van de uitgaven werd gevraagd. Hij verklaarde dat zijn motie niet als motie van wantrouwen moest worden uitgelegd. Het kabinet dacht daar echter anders over en diende, na aanneming van de motie, zijn ontslag in.

In 1980 nam de Tweede Kamer een motie aan waarin het kabinet werd opgeroepen een olieboycot tegen het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime in te stellen. Toen minister-president Van Agt later diezelfde vergadering meedeelde dat het kabinet de motie niet zou uitvoeren, diende oppositieleider Den Uyl hierover een motie van afkeuring in. Deze werd verworpen. Staatsrechtelijk had de motie van afkeuring nog zonder gevolgen kunnen blijven. Het kabinet had echter door de motie onaanvaardbaar te verklaren de motie tevens tot motie van wantrouwen gemaakt.

In 1981 kwam de PvdA met een motie waarin het huurbeleid van staatssecretaris Brokx in stadsvernieuwingsgebieden werd afgewezen. Na aanneming verklaarde zowel de staatssecretaris als de Kamermeerderheid vervolgens dat de motie niet als motie van wantrouwen mocht worden uitgelegd. De staatssecretaris bleef gewoon zitten.

Overigens kan alleen al het feit dat een regeringsfractie met een motie van afkeuring of wantrouwen komt voor het kabinet reden zijn om op te stappen. In 1989 diende Voorhoeve (voorzitter van regeringsfractie VVD) een motie in tegen de afschaffing van het reiskostenforfait. Deze motie kwam zelfs niet in stemming, maar het kabinet zag er toch reden in om zijn ontslag in te dienen.

In 1990 trad minister Braks af vanwege een aangekondigde motie van afkeuring van zijn visfraudebeleid. Alleen het feit dat de coalitiegenoot PvdA zo'n motie zou steunen, was voor hem reden om op te stappen. In 1996 trad staatssecretaris Linschoten af, omdat hij voorzag dat er een motie van afkeuring tegen zijn beleid inzake het Ctsv zou worden ingediend.

Soms neemt de Kamer een motie van treurnis aan. Dat is een mildere vorm van afkeuring en hoeft bij aanneming dan ook geen consequenties te hebben. Niettemin bood bijvoorbeeld VVD-minister Stikker in 1951 zijn ontslag aan, nadat de VVD-fractie een motie had ingediend (en uiteraard gesteund) waarin treurnis werd uitgesproken over zijn beleid ten aanzien van Nieuw-Guinea.

Belangrijker dan aanneming van een motie van afkeuring of treurnis is dan ook de vraag of een bewindspersoon zelf nog het gevoel heeft over voldoende steun in de Kamer te beschikken.

ministers die aftraden vanwege een motie

naam jaar reden
Dyserinck (Marine) 1891 passeren Kamerlid Land bij bevordering (treurnis)
Cool (Oorlog) 1910 verbetering van de pensioenen van officieren
Treub (Financiën) 1916 gelegde verband tussen ouderdomsrente en pensioenbelasting
Bosboom (Oorlog) 1917 oproeping landstormjaarklasse 1908 (treurnis)
Stikker (Buitenlandse Zaken) 1951 Nieuw-Guineabeleid (treurnis)
Hirsch Ballin (Justitie) 1994 ontnemen bevoegdheid IRT-beleid

"Een slag in de lucht" (column Bert van den Braak, 29 december 2006)

"Onkunde of onwil?" (column J.Th.J. van den Berg, 22 december 2006)