Zoekgemaakte verantwoordelijkheid

8 december 2017, column J.Th.J. van den Berg

Een van de thema’s die de Staatscommissie parlementair stelsel problematisch acht in de huidige democratie is ‘de verplaatsing van de politiek’. Waar het om gaat: lang heeft het idee bestaan dat al wat met politieke besluitvorming heeft te maken uiteindelijk samenkomt bij de nationale staat, bij regering en parlement. Natuurlijk was de staat in een aantal opzichten altijd al afhankelijk van internationale machtsverhoudingen. Natuurlijk werden heel wat relevante politieke beslissingen aan gemeentebesturen overgelaten. Maar het idee werd gekoesterd, dat uiteindelijk de staat het soevereine forum was waar de belangrijkste beslissingen werden genomen.

De staatscommissie constateert dat dit niet meer zo is en dat leiding en macht steeds meer gespreid zijn geraakt: enerzijds heeft Europese Unie veel overgenomen van wat ooit in eigen land werd beslist; anderzijds is sinds de jaren tachtig veel macht tot besluiten gedecentraliseerd naar de gemeentebesturen. Regering en parlement lijden dus onder betekenisverlies; merken dat zij lang niet ‘overal meer over gaan’.

Niet alleen parlementariërs hebben het daar moeilijk mee, ook veel burgers denken bij de Tweede Kamer aan het juiste adres te zijn voor hun zorgen en verlangens, maar moeten daar ontdekken dat dit dikwijls het juiste adres niet (meer) is. Wie de leiding heeft is een relevante vraag maar er komt of geen, of een buitengewoon vaag antwoord op.

Nu zou dat nog niet het grootste probleem hoeven te zijn, als ongerust geraakte burgers (en parlementariërs) de overtuiging hadden dat zij dan bij de Europese volksvertegenwoordiging of bij de gemeenteraad wel terecht zouden kunnen. Maar, ook dat valt dikwijls tegen: de gemeenteraad beslist vaak niet echt en in elk geval niet alleen. Het Europees Parlement is wel een volwaardige medewetgever, maar iemand ter verantwoording roepen als het niet goed gaat, kan het niet echt. Want wie moet zij dan aanspreken? De Europese Unie mist een aanwijsbare executieve.

Tot zover kan men de vragen van de staatscommissie wel volgen: de zaken zijn er immers niet overzichtelijker op geworden. Wat de commissie niet echt bespreekt is nog een heel andere vorm van machtsverlies: die welke het gevolg is van privatisering en verzelfstandiging, reorganisatie van de overheid en (mede onder Europese invloed) de oprichting van allerlei organen van ‘toezicht’, ‘Autoriteiten’ genoemd.

Die laatste controleren niet alleen, vaak maken zij ook geheel zelfstandig regels en instructies. Het belangrijkste effect daarvan is dat er allerlei vormen van controle, regelgeving en organisatie onttrokken zijn geraakt aan de rechtstreekse verantwoordelijkheid van ministers of wethouders. Dat geldt ook, hoewel je dat niet zou verwachten, voor veel decentralisaties: die hebben ingewikkelde uitvoeringstaken naar gemeenten verplaatst, maar die zijn heel vaak lang niet groot en sterk genoeg om die zelf uit te oefenen. Dus gaan zij samenwerken in regionale organen, die voor gemeenteraadsleden niet meer te volgen zijn, laat staan voor burgers. Vervolgens richten ook zij markten in waarin instellingen met elkaar moeten concurreren om in opdracht overheidstaken uit te voeren. Een waar paradijs voor adviseurs, consultants en managers, maar de hel voor volksvertegenwoordigers.

Wat erger is: ook voor de burger. Die krijgt op zijn kop van de Autoriteit Consument en Markt (ACM), omdat hij te dure ziektekostenverzekeringen afsluit; hij verkent de markt niet rationeel genoeg. (Uiteraard niet, mensen hebben wel wat anders te doen, zo zij al uit de onleesbare formulieren wijs kunnen worden.) Als fysiotherapeuten zich verenigen om fatsoenlijke contracten bij zorgverzekeraars af te sluiten – als zij dus een doodnormale vakbond oprichten – blijkt dat niet te mogen, want dat is ‘kartelvorming’, zegt de ACM 1). Terwijl zij op moeten boksen tegen drie of vier grote zorgverzekeringsondernemingen. Dat noemden wij vroeger ‘oligopolies’, maar die mogen wel. Daarbij wordt een beroep gedaan op het Europese recht, maar of dat ook klopt?

Wat al die ‘verplaatsingen’ met elkaar gemeen hebben is dat ze verantwoordelijkheidsrelaties onontwarbaar hebben gemaakt en dat ze stelselmatig de politieke verantwoordelijkheid hebben zoekgemaakt. Dat ondergraaft de democratie op den duur meer dan wat ook. Het probleem is groter en bedreigender dan de staatscommissie wil doen geloven.

Dit is de vijfde column in een serie van zes die collega Van den Braak en ik wijden aan de even zo vele thema’s in de Probleemverkenning van de Staatscommissie parlementair stelsel. Het stuk is te raadplegen via www.staatscommissieparlementairstelsel.nl.


  • 1) 
    Thomas Muntz en Jeroen Trommelen, ‘Bestuurders, wees dwarser, vervelender, knorriger’, in: De Groene Amsterdammer, 9 november 2017, 46 -49; zie ook de ‘Bijlage’ bij het eindrapport van informateur Tjeenk Willink: www.kabinetsformatie2017.nl/documenten/verslagen/2017/06/27/eindverslag-informateur-tjeenk-willink.

Andere recente columns