Politieke of sociale elites

23 december 2016, column J.Th.J. van den Berg

Ook in een democratie wordt het bestuur feitelijk uitgeoefend door politieke elites. Let wel: elites, in meervoud. Daarin onderscheidt zij zich van autoritaire of totalitaire stelsels, die maar één elite kennen. In de democratie moeten elites concurreren om de steun van de kiezers. Wil die concurrentie enig effect hebben, dan is het van belang dat elites en hun boodschap in voldoende mate helder zijn en van elkaar verschillen, zodat er daadwerkelijk iets te kiezen is.

De paradox van de democratie is dat naarmate de sociale ongelijkheid kleiner wordt en de welvaart beter gespreid, die concurrentie kleiner wordt en het verschil met anderen moeilijker over het voetlicht te brengen. Om de democratie goed te laten functioneren is het dus nodig dat kiezers als het ware met hun elites meegroeien, dus steeds beter gevormd raken en steeds scherper politiek weten te onderscheiden. Omgekeerd dienen politieke elites te vermijden dat ook goedwillende kiezers het gevoel krijgen dat politieke partijen ‘één pot nat zijn geworden’. Ook die moeten dus steeds slimmer worden. Dat moest trouwens ook daarom, omdat een ontwikkelde democratie met steeds ingewikkelder vraagstukken te maken krijgt en met steeds hoger verwachtingen van burgers.

Enige decennia geleden mocht ik onderzoek doen naar ‘politieke elites’ in Nederland 1). Dat betekende dat het onderzoek zich niet richtte op de vraag of Tweede Kamerleden (want om hen ging het) meer of minder rechtzinnig waren in de politieke leer en ook niet of de verschillen tussen fracties van Kamerleden groot genoeg waren. Dat werd eenvoudig verondersteld. Waar het wel om ging: waren Kamerleden nog steeds de hoogopgeleide heren van goede familie, eventueel zelfs van adel, die zij in de negentiende eeuw waren geweest? Of was mét de geleidelijke democratisering en het verruimde kiesrecht ook de maatschappelijk ruimte waaruit Kamerleden werden gerekruteerd steeds groter geworden?

De uitkomsten waren verrassend. Onmiskenbaar was de Tweede Kamer van een negentiende-eeuwse ‘Heerensociëteit’ veranderd in een huis waarin een grote diversiteit van sociale milieus, opleidingen en beroepen hun werk deden.

Maar, het ging niet om een rechtlijnige ontwikkeling. De vooraf genoten opleiding ging eerst ‘omlaag’ met steeds meer Kamerleden met alleen basisonderwijs of beperkte voortgezette opleiding. Na 1945 steeg dat niveau weer, tot het in recente jaren leidde tot de situatie dat meer dan driekwart van de Kamerleden een wo- of hbo-opleiding achter de rug bleek te hebben. Ook de spreiding naar beroep werd beperkter: minder mensen uit de ondernemingswereld en meer uit de publieke dienstverlening. Partijen onderscheiden zich daarin niet van elkaar, zoals vroeger nog wel het geval was geweest.

Dit proces van sociale ‘inkrimping’ in het parlement heb ik destijds beschreven als ‘professionalisering’: politiek is een ambacht geworden dat blijkbaar haar eigen voorbereiding en kennis vereist. Maar, dat ook haar eigen taaltje is gaan ontwikkelen dat voor buitenstaanders moeilijk is te volgen. Overigens is die professionalisering overal in de samenleving te zien, niet alleen in de politiek. Wat de communicatie natuurlijk niet vergemakkelijkt.

In mijn onderzoek van destijds zat nog een addertje onder het gras. Want in de eerste decennia na 1945 nam, met de opleiding, ook het sociale milieu in hoogte toe: de Kamer mocht dan niet weer volstromen met leden van adel, wel bleken meer ouders van Kamerleden ook al een hoge opleiding achter de rug te hebben. Zouden Kamerleden dus onwillekeurig weer mannen en vrouwen ‘van stand’ zijn geworden? Het vermoeden is gewettigd dat die trend, dankzij veel bredere toegang tot hoger onderwijs intussen is doorbroken. Het is echter niet te bewijzen, omdat onderzoekers sinds de jaren zeventig geen toegang meer hebben tot de gemeentelijke basisadministratie, omdat de een of andere kwast heeft bedacht dat de privacy zich daartegen verzet.

Stel dat het standselement inderdaad is verdwenen, dan is er eigenlijk niet veel reden om je druk te maken over het verschil in opleiding tussen parlementariërs en bevolking. Dan is het zelfs niet ongevaarlijk om een onderscheid te creëren tussen ‘elite’ en ‘volk’. Die afstand is een feit des levens. Als de communicatie niettemin stokt, dan moet dat liggen aan de professionalisering zelf, het eigen ‘koeterwaals’ en de eigen omgangscultuur die de kiezer uitsluiten. Dat verschijnsel moet effectief te bestrijden zijn; het is een eenvoudig democratisch vereiste.


  • 1) 
    J.Th.J. van den Berg, De toegang tot het Binnenhof. De maatschappelijke herkomst van de Tweede Kamerleden, 1849 – 1970, Weesp: Van Holkema en Warendorf, 1983.

Andere recente columns