Beslissende meerderheid

22 juli 2016, column J.Th.J. van den Berg

Het kabinet-Rutte nadert nu snel het einde. Het heeft de prestatie geleverd vier jaar onafgebroken aan het bewind te zijn gebleven en het heeft belangrijke hervormingen kunnen doorvoeren. Daarvoor had zij een meerderheid in de Tweede Kamer van VVD en PvdA, ook al werd die geleidelijk steeds krapper. Die meerderheid was er in de Eerste Kamer niet, noch vóór 2015 en al helemaal niet meer na de Statenverkiezingen van dat jaar 1). Dat maakt de prestatie alleen maar groter, want met zo verschillend samengestelde Kamers is veel stuurmanskunst vereist.

Al vrij vroeg in de kabinetsperiode waarschuwde de minister-president dat de politieke samenstelling van Eerste en Tweede Kamer voor lange tijd zou blijven verschillen en dat wij daar maar beter aan konden wennen. Hij had gelijk: een coalitie met een meerderheid in de Tweede Kamer zal erop moeten rekenen dat die meerderheid aan de Overzijde stelselmatig ontbreekt. Geen wonder dat de leidinggevenden in beide Kamers zich nu al afvragen hoe dat vanaf 2017 moet.

Moet voor een soortgelijke constructie worden gekozen als nu bestaat: met een stabiele meerderheid in de Tweede Kamer als grondslag en bereid tot enig overlevingsrisico in de Eerste Kamer? Of moet worden gezocht naar een coalitie die een vaste meerderheid in beide Kamers heeft? In het laatste geval konden er wel eens erg veel partijen voor zo’n coalitie nodig zijn. Nu al is het zo dat het kabinet-Rutte II voor meerderheden in de Eerste Kamer, in elk geval vanaf voorjaar 2015, doorgaans minstens vijf partijen nodig heeft gehad. Dat zouden er in 2017 nog meer kunnen worden.

De vraag is vervolgens of dat voldoende is voor de volle regeerperiode van 2017 tot 2021, want in 2019 wordt de samenstelling van de Eerste Kamer ongetwijfeld weer (drastisch) gewijzigd. Tegen hoeveel bokkigheid van de Nederlandse kiezer moet een coalitie eigenlijk zijn opgewassen, als in beide Kamers een meerderheid noodzakelijk wordt geacht?

Wie alle risico wil vermijden moet de kant uit van een coalitie met een meerderheid in beide Kamers en moet tegelijk bereid zijn de coalitie in 2019 zo nodig verder te verbreden. Of dat ook inhoudelijk een effectieve combinatie oplevert is de vraag. De paradoxale consequentie kan dan optreden dat de coalitie breed genoeg is voor de aanvaarding van wetgeving die er nooit komt, omdat zij veel te breed is samengesteld. En dan zou na twee jaar blijken dat het nog niet genoeg is, omdat de Eerste Kamer van samenstelling is veranderd. Kleiner risico mijden blijkt dan weer eens blindheid voor veel groter risico te zijn geweest.

Het belang van de Eerste Kamer moet niet worden overschat. Er is veel regeringsbeleid dat essentieel is voor ons aller welbevinden, dat in de Eerste Kamer helemaal niet ter sprake komt. Veel beleid voltrekt zich immers via beleidsnota’s en niet via wetgeving. Zo lang de Eerste Kamer zich niet gaat aanstellen, zal zij voorts de begrotingen van de diverse ministeries wel bespreken maar niet afstemmen. Daar hoort zij zelfs niet mee te dreigen, zoals zij dit jaar even deed. Het kabinet heeft slechts de steun van de Eerste Kamer nodig voor voorstellen van wet. Het kan in het algemeen geen kwaad daarvoor in de Tweede Kamer bredere steun te zoeken dan alleen die van de coalitiepartijen.

In al die gevallen blijft het van vitaal belang dat een coalitiekabinet aan het werk kan met een stevig programma en met ministers die met elkaar een zekere verwantschap kunnen ontwikkelen, zoals dat in het huidige kabinet is gebeurd. Dat geldt ook als vervolgens voor wetgeving een ‘oversized majority’ 2) nodig is in de Tweede Kamer om veilig te zijn voor de steun van de Overzijde. Dan is ook de houdbaarheid na twee jaar geen hoofdzaak meer.

Het is goed denkbaar dat in 2017 VVD, D66 en CDA samen een meerderheid verwerven in de Tweede Kamer. Dan zou daaruit een stevige coalitie kunnen worden gevormd. Die moet zich ook in de Eerste Kamer, waar zij net geen meerderheid zou hebben, kunnen handhaven. Die Kamer is niet opgericht om politiek dwars te liggen maar om nieuwe wetgeving constructief te beoordelen. In voorkomende gevallen kan dat de vorming van oversized majorities in de Tweede Kamer noodzakelijk maken, maar daar moet het dan ook bij blijven.


  • 1) 
    Of het dan ook een ‘minderheidskabinet’ moet worden genoemd is een kwestie van definitie. Zie: J.Th.J. van den Berg, ‘kwestie van definitie’, column Parlement en Politiek, 24 september 2010; idem, ‘De vrees voor het minderheidskabinet’, column Parlement en Politiek, 27 juli 2006.
  • 2) 
    Over belang en mogelijkheden van oversized majorities zie: Arend Lijphart, Democracies: Patterns of Majoritarian and Consensus Government in Twenty-One Countries, New Haven/London: Yale University Press, 1984, 104; Idem, Patterns of Democracy: Government Forms and Performance in Thirty-Six Countries, New Haven/London: Yale University Press, 1999, 200 – 214.


Andere recente columns