Geen leiding?

29 januari 2010, column J.Th.J. van den Berg

Als kabinet weet je niet meer aan wie je onderzoek naar een evenement of besluit moet toevertrouwen: aan een onafhankelijke commissie van buitenstaanders of aan parlementair onderzoek, al dan niet in de vorm van een parlementaire enquête. Of moet je het uitbesteden bij Pieter van Vollenhoven en zijn raad voor de veiligheid of toch liever naar de Algemene Rekenkamer?

Het staat vast dat als het gaat om vermijding van politieke risico';s commissies ad hoc, zoals de Commissie-Davids, geen groter veiligheid garanderen dan commissies uit de Tweede Kamer. In het verleden hebben commissies ad hoc immers nogal wat politieke onthoofdingen teweeg gebracht; zeker niet minder dan parlementaire enquêtes.

Wat ook niet helpt is langdurig uitstel van onderzoek. De rapportage over de tragische gebeurtenissen in Srebrenica in 1995 liet zeven jaar op zich wachten, maar leidde niettemin tot het ontslag van het voltallige kabinet-Kok. Minister-president Balkenende hield onderzoek naar de besluitvorming over Irak zes jaar tegen, maar het rapport erover richtte, zeven jaar na dato, al op de eerste dag van openbaarmaking een ravage aan, dankzij de verongelijkte reactie van de premier.

Nu had hij het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. In strijd met alle gewoonten had het kabinet geen voorinzage gekregen, laat staan erop kunnen reageren voor verschijning, al was het maar om onjuistheden te bestrijden. Op hetzelfde moment dat wij allemaal werden geïnformeerd door een nogal met zichzelf ingenomen commissievoorzitter, hoorde de premier er ook voor het eerst over.

Traditioneel geldt voor door de regering benoemde commissies de procedure die ook de Rekenkamer 'toch ook volledig onafhankelijk' steeds volgt: de regering krijgt vooraf inzage en kan zich verweren; de Rekenkamer neemt die reactie mee en geeft er zelf desnoods commentaar op. Die aanpak zou verdienen als standaard te worden gehanteerd bij elke onderzoeksopdracht. Kabinet en Commissie-Davids hebben zich iets te veel op de kast laten jagen door de verdachtmaking (vooral van de SP) dat het om een operatie doofpot zou gaan.

Ad hoc commissies leveren meestal deugdelijk werk, maar zij blijken toch niet altijd op de hoogte van 'hoe het werkt' of althans hoe het óók kan zijn gegaan. Te snelle interpretaties, derhalve en formuleringen waarvan de politieke gevoeligheid ernstig wordt onderschat.

Bij voorbeeld, de vraag of de premier in de besluitvorming over de Iraakse kwestie 'weinig of geen leiding' gaf gedurende de eerste, belangrijke maanden van zijn premierschap. Een conclusie die (p. 425) nogal prominent in het rapport staat en waar eerder al systematisch naar toe is geschreven (p. 81 - 117). Zonder uiteenzetting overigens wat 'leiding van de premier' redelijkerwijs zou hebben gevergd.

De procedure liep in het begin inderdaad stuntelig. Ter voorbereiding van een spoeddebat in de Tweede Kamer produceerde Buitenlandse Zaken met spoed een brief op basis van het document waarmee eerder de nieuwe minister, De Hoop Scheffer, was bijgepraat. Voordat Defensie iets te zien had gekregen, laat staan de premier of de Ministerraad, ging die brief al naar de Tweede Kamer.

De commissie doet het voorkomen alsof Buitenlandse Zaken daarmee welbewust voldongen feiten heeft geschapen, omdat van toen af het beleid ongewijzigd bleef. Zo zou het kunnen zijn gegaan, maar dat hoeft niet. Als er in de Ministerraad geen legitimatie voor zou zijn geweest, had of de premier of de raad wel ingegrepen. Het is voorts politiek niet ongebruikelijk om eerst in kleine kring feiten te scheppen alvorens het formele overleg te beginnen. Met een coalitie als die van 2002, met veel onervaren en vooral onvoorspelbare deelnemers, lag dat zelfs voor de hand.

Dat betekent nog niet dat de minister-president van niets wist en evenmin dat hij 'geen leiding' gaf, hoe onervaren ook. Hij kan de brief heel goed informeel hebben goedgekeurd, mede gelet op de vertrouwensrelatie die hij met zijn deskundige 'maatje' op Buitenlandse Zaken had.

Het is deze soort amateuristische interpretaties die je van commissies ad hoc hebt te vrezen en die parlementaire commissies niet zo snel zullen leveren, net zo min trouwens als de Rekenkamer. Daar kan een premier dus oprecht boos om worden. Maar waarom dan zo onprofessioneel gereageerd als deze intussen ervaren premier deed?


Andere recente columns