Onkunde of onwil?

22 december 2006, column J.Th.J. van den Berg

Zo moeilijk was het nu ook weer niet. De Tweede Kamer vroeg aan een demissionair minister concrete besluiten op te schorten in het vooruitzicht van mogelijke toekomstige beleidswijziging. Een minister die demissionair is behoort zulke instructie van een nooit demissionaire Tweede Kamer te aanvaarden en uit te voeren. Het kan zijn dat hij of zij zulk een stilzitten niet in overeenstemming kan brengen met zijn eigen overtuiging. (Het regeerakkoord heeft intussen zijn relevantie verloren, tezamen met de ontslagaanvraag van het kabinet op verkiezingsdag. Dit kan dus niet als argument worden aangewend.) Als zijn overtuiging in het geding is, treedt hij af, zoals ook toenmalig minister Hirsch Ballin heeft gedaan in 1994, hoe tandenknarsend ook. Hij had immers van de Kamer te horen gekregen dat hij zich niet meer met de IRT-kwestie mocht bezighouden. Even later werd hij gevolgd door de sociaal-democraat Van Thijn.

Een feitelijk radicale wijziging van beleid eisen mag de Tweede Kamer ook, maar dan weet zij vooraf dat zij het de minister te moeilijk maakt, omdat deze nu eenmaal voor het andere beleid was gerekruteerd. Juridisch is weliswaar ook tegen deze eis niets in te brengen, maar het komt neer op zinloze pesterij. Dit is echter niet wat de motie-Bos (5 december) en de motie-Dijsselbloem (12 december) vroegen. Al wekte de motie-Bos wel lichtelijk de indruk dat de minister ook van beleid moest veranderen.

Wat deed echter minister Verdonk? Niet alleen verklaarde zij zichzelf niet bij machte of bereid op een beperkt terrein van haar taak haar handen thuis te houden, zelfs niet voor vier en twintig uur. Zij liet tevens na plaats te maken voor een andere minister teneinde ruimte te scheppen voor de wens van de Tweede Kamer. Men kan als demissionair minister immers niet zowel weigeren de Kamer te volgen als doodleuk op zijn post blijven. Dan resteert de Kamer niets anders meer dan zelfs deze demissionaire minister te dwingen tot ontslag. Minister Verdonk achtte zichzelf en haar handelen kennelijk belangrijker dan het gezag van de Tweede Kamer; haar partijgenoten in het kabinet volgden dit antiparlementaire gedrag. Zij kieperden, naar het woord van staatsrechtgeleerde C.A.J.M. Kortmann , honderd en vijftig jaar staatsrecht in de prullenbak.

Geen liberale collega die zei: "Mevrouw, U hebt gelijk maar helaas, dit was het dan." Geen liberale fractievoorzitter die zei: "Mevrouw, leuk is anders, maar zelfs U bent niet onmisbaar." Geen minister-president die opmerkte: "Mevrouw, de Kamer heeft gesproken; U kunt dus niet blijven." Een kleine twaalf uur kabinetsberaad was nodig om een politieke oplossing te vinden, die ontegenzeglijk inventief was maar juridisch nergens op leek. De minister werd toegestaan een dwingende parlementaire uitspraak vierkant te negeren. (Welke gek heeft trouwens bedacht dat een motie van afkeuring iets anders zou zijn dan een, beschaafd geformuleerde motie van wantrouwen?) Het kabinet gaf het formele vereiste van "homogeniteit" op, zoals deze is voorgeschreven in het Reglement van Orde van de Ministerraad.

Tweede Kamer en kabinet doen er goed aan het conflict met minister Verdonk nog eens grondig te evalueren, zodra er een nieuw kabinet is aangetreden. Beide zouden zich dienen af te vragen, (1) hoe Kamer en kabinet zich tot elkaar verhouden tijdens de demissionaire periode van een kabinet; (2) hoe zij die periode zo kort mogelijk kunnen maken; (3) hoe de staatsrechtelijke orde kan worden hersteld, die dankzij het handelen van minister Verdonk en haar collega-bewindslieden van de VVD zware schade heeft opgelopen. Misschien ook, of het louter onkunde is geweest die de ministers (en de hun ondersteunende ambtenaren?) in het treurige crisisweekje na Sinterklaas heeft geteisterd. De indruk was nauwelijks te vermijden dat er bij sommige ministers, in het bijzonder bij mevr. Verdonk, sprake was van opzet.

Want, normaal gesproken is een uitspraak van een parlementaire meerderheid eenvoudig een uitspraak van "de Tweede Kamer", nietwaar? Of is dat niet het geval, indien de parlementaire meerderheid een linkse is? Is een linkse meerderheid iets anders dan een andere meerderheid? Misschien moet daar al is het maar voor de zekerheid toch eens navraag naar worden gedaan.