Mr. M.H. Godefroi

foto Mr. M.H. Godefroivergrootglas

Onafhankelijk, liberaal Tweede Kamerlid, minister en rechtsgeleerde. Eerste Joodse minister uit de geschiedenis. Had in Amsterdam een drukke advocatenpraktijk. In 1849 tot Tweede Kamerlid gekozen in zijn woonplaats. Werd ondanks bezwaren van de koning in 1860 minister van Justitie in het kabinet-Van Zuylen van Nijevelt/Van Heemstra . Bracht de Wet op de Raad van State tot stand. Bekwame, gezaghebbende, algemeen gewaardeerde jurist en wetgever. Speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht. Gemakkelijk met luide stem en druk gesticulerend sprekend. Klein van stuk en lange tijd geplaagd door doofheid.

'pragmatisch' liberaal , liberaal
in de periode 1849-1881: lid Tweede Kamer, minister, minister van staat

Voornamen

Michel Henry

Personalia

geboorteplaats en -datum
Amsterdam, 16 december 1813

overlijdensplaats en -datum
Würzburg (Dld.), 25 juni 1882

begraafplaats en -datum
's-Gravenhage, 30 juni 1882 (Joodse begraafplaats)

levensbeschouwing
Israëlitisch (Nederlands-Israëlitisch)

Partij/stroming

stroming(en)
  • 'pragmatisch' liberaal (vanaf 1849)
  • conservatief-liberaal (vanaf omstreeks 1868)

Hoofdfuncties/beroepen

  • advocaat te Amsterdam, van 1837 tot 1 april 1846
  • substituut-officier van justitie, Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, van 1 mei 1842 tot 1 april 1846
  • raadsheer Provinciaal Gerechtshof te Haarlem, van 1 april 1846 tot 20 februari 1860 (beëdigd 9 april)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 13 februari 1849 tot 20 augustus 1850 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 7 oktober 1850 tot 26 april 1853 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 14 juni 1853 tot 23 februari 1860 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • minister van Justitie, van 9 maart 1860 tot 1 februari 1862
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 15 september 1862 tot 1 oktober 1866 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 24 november 1866 tot 3 januari 1868 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 februari 1868 tot 13 januari 1870 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 11 december 1871 tot 22 september 1881 (voor het kiesdistrict Amsterdam)

ambtstitel
  • minister van staat, van 10 maart 1881 tot 25 juni 1882 (vanwege totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht)

Activiteiten

als parlementariër
  • Interpelleerde in 1865 minister Olivier over het zwijgsysteem in de strafgevangenis te Woerden
  • Stemde op 23 maart 1868 vóór de motie-Blussé van Oud-Alblas, die uitsprak dat de Kamerontbinding van 1867 niet in het landsbelang was geweest
  • Stemde in 1872 tegen het wetsvoorstel waardoor werkstakingen niet langer strafbaar werden gesteld
  • Stemde in 1872 tegen de ontwerp-Wet op de inkomstenbelasting van minister Blussé
  • Stemde in december 1873 tegen de begroting van Marine. De verwerping daarvan leidde tot het aftreden van minister Brocx.
  • Interpelleerde in 1874 minister Geertsema over de toestand van de werken aan het Noordzeekanaal
  • Stemde in 1876 als één van de weinige liberalen vóór het verworpen artikel 1 van de ontwerp-Militiewet
  • Diende in 1879 met Lenting en Patijn een voorstel in tot wijziging van het Reglement van Orde, waardoor al voorafgaande aan de schriftelijke voorbereiding van het ontwerp-Wetboek van Strafrecht rapporteurs konden worden benoemd. Deze werden bij loting over de afdelingen verdeeld. Dit voorstel werd in oktober 1879 aangenomen.
  • Een door hem ingediend (en aangenomen) amendement op de wet inzake de besmettelijke ziekten voerde de verplichte vaccinatie in

als bewindspersoon (beleidsmatig)
  • De door hem in 1861 tot stand gebrachte Wet op de rechterlijke organisatie werd nooit ingevoerd

als bewindspersoon (wetgeving)
  • Bracht in 1861 de Wet op de Raad van State tot stand. Deze wet regelde de samenstelling en bevoegdheden van de Raad van State, waarvan de koning voorzitter is. De Raad bestond uit een vicepresident en veertien staatsraden. De Prins van Oranje had vanaf zijn achttiende jaar van rechtswege zitting in de Raad. Er konden ten hoogste vijftien staatsraden in buitengewone dienst worden benoemd. Over alle wetsvoorstellen en maatregelen van inwendig bestuur moest de Raad advies uitbrengen. Voorstellen tot vernietiging van besluiten van Provinciale of Gedeputeerde Staten of van gemeentebesturen werden aan de Raad voorgelegd. Er kwam een afzonderlijke afdeling voor het onderzoek van geschillen van bestuur. Adviezen van de Raad van State aan de koning vielen onder de ministeriële verantwoordelijkheid, waardoor de Raad geen privéraad van de vorst(in) werd.

Wetenswaardigheden

uit de privésfeer
  • Leed aan doofheid. Maakte zich de stenografie eigen, zodat hij het stenogram nog tijdens het debat kon lezen.
  • Zijn vader was commissionair

niet-aanvaarde politieke functies
  • minister van Justitie, februari 1866 (tijdens formatie-Fransen van de Putte; bedankte)

Publicaties/bronnen

literatuur/documentatie
  • Lavater jr., "Politieke Photografien van de aftredende leden der Tweede Kamer" (1879)
  • Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IV, 661

Uitgebreide versie

uitgebreide versie

In het digitale biografisch archief van PDC, partner van het Montesquieu Instituut, is een uitgebreide versie van deze pagina aanwezig met bijvoorbeeld partijpolitieke functies, maatschappelijke nevenfuncties, opleiding en wetenswaardigheden. Laat het ons weten als u daar belangstelling voor heeft.

Op bovenstaande tekst en gegevens zijn auteursrechten van PDC van toepassing; overname, in welke vorm dan ook, is zonder expliciete goedkeuring niet toegestaan. Ook de afbeeldingen zijn niet rechtenvrij.

De biografieën betreffen vooral de periode waarin iemand politiek en bestuurlijk actief is of was. PDC ontvangt graag gemotiveerde aanvullingen of correcties.