Vertrouwenskwestie

Indien de Tweede of Eerste Kamer een besluit dreigt te nemen dat voor het kabinet of een bewindspersoon onaanvaardbaar is, dan kan de vertrouwenskwestie worden gesteld. Dat betekent dat het kabinet (of een bewindspersoon) dreigt met een crisis. Feitelijk wil het kabinet (of bewindspersoon) van de Kamer horen of het nog wel het vertrouwen heeft.

Als het kabinet met aftreden dreigt, spreken we van het stellen van de kabinetskwestie. Een minister kan de portefeuillekwestie stellen.

Het stellen van de vertrouwenskwestie kan in de volgende situaties gebeuren:
- als de Tweede of Eerste Kamer dreigt een wetsvoorstel te verwerpen, dat door het kabinet (of een bewindspersoon) als een heel belangrijk voorstel voor het totale beleid wordt beschouwd;
- als de Tweede Kamer dreigt een wetsvoorstel ingrijpend te wijzigen (amenderen). De bewindspersoon die het wetsvoorstel voorstel verdedigt, verklaart het amendement dan onaanvaardbaar;
- als de Tweede Kamer een motie van afkeuring dreigt aan te nemen. Soms is de kritiek in de motie zo ernstig, dat twijfel bestaat over de vraag of er nog wel vertrouwen is. Het kabinet of de bewindspersoon kan dan de vertrouwensvraag aan de orde gestellen. De motie van afkeuring wordt dan feitelijk een motie van wantrouwen. Aanneming ervan leidt tot een kabinets- of ministerscrisis.

Aanvaarding van een onaanvaardbaar verklaard amendement zal in de regel leiden tot schorsing van de behandeling van het betreffende wetsvoorstel. Het kabinet kan dan bezien wat er moet gebeuren: ontslagaanvrage, Kamerontbinding of een lijmpoging. Als wordt overgegaan tot ontbinding van de Tweede Kamer, moeten verkiezingen beslissen over de vraag of het kabinet kan aanblijven.

[ V ][ ^^ ]

Crises na het stellen van de vertrouwenskwestie in de Tweede Kamer

- Motie-Voorhoeve (1989) over het reiskostenforfait. De VVD wees de plannen tot hogere lasten voor automobilisten af en diende hierover een motie in. De motie was onaanvaardbaar voor het kabinet. Hoewel de motie niet in stemming kwam, was de opstelling van de VVD reden voor het kabinet om te constateren dat het niet langer het vertrouwen van de meerderheid van de Tweede Kamer had.


- Motie-Schmelzer (1966) over het financieel-economisch beleid van het kabinet-Cals. Hoewel de indiener, KVP-fractievoorzitter Schmelzer, verklaarde dat de motie niet als motie van wantrouwen moest worden beschouwd, deed het kabinet dat wel. Aanneming ervan leidde tot de val van het kabinet.


- Motie-Van Eibergen (1960) over het aantal te bouwen woningwetwoningen. Minister Van Aartsen van Volkshuisvesting wees de wens van de Kamer om meer goedkope huizen te bouwen af, vanwege de financiële gevolgen. De overige ministers steunden hem, waardoor tevens de kabinetskwestie werd gesteld. Na aanneming van de motie ontstond een kabinetscrisis.


- Amendement-Lucas (1958) op enkele belastingvoorstellen. Minister Hofstra van Financiën achtte het onaanvaardbaar dat een bepaalde belastingverhoging niet voor twee, maar slechts voor één jaar zou gelden. De overige ministers deelden zijn mening. Toen het amendement toch werden aangenomen, ontstond een kabinetscrisis.


- Verwerping van de ontwerp-Huurwet (1955). De Tweede Kamer verwierp een wetsvoorstel van minister Witte over verhoging van de huren. Regeringsfractie PvdA stemde tegen het wetsvoorstel. Het kabinet achtte dit een dusdanig belangrijk voorstel, dat de verwerping tot een kabinetscrisis leidde.


- Ernstige kritiek op het financieel-economisch beleid (1933). Tijdens de behandeling van een wetsvoorstel waardoor allerlei bezuinigingen moesten worden doorgevoerd, uitte de voorzitter van de katholieke fractie, Aalberse, ernstige kritiek op het beleid van het kabinet-Colijn. Minister-president Colijn vroeg daarop aan de katholieke fractie (een regeringspartij) nadrukkelijk om het vertrouwen uit te spreken. Toen die dat weigerde, ontstond een kabinetscrisis.


Opmerkelijk was dat Colijn om vertrouwen vroeg, terwijl het Nederlandse staatsrecht geen motie van vertrouwen kent. Hij voegde daarom achteraf aan zijn rede toe: 'door het achterwege laten van ernstige kritiek'.

- Motie-Boon (1933). Tijdens het debat over een wetsvoorstel waardoor het aantal kantongerechten zou worden verminderd, diende de liberaal Boon een motie in, waarin om schorsing van de behandeling werd gevraagd. Na aanneming van de door de regering onaanvaardbaar verklaarde motie, werd besloten tot ontbinding van de Tweede Kamer. Hierbij speelde mee, dat toch al binnen enkele maanden verkiezingen waren gepland.

[ V ][ ^^ ]

Geen crisis na het stellen van de vertrouwenskwestie in de Tweede Kamer

- Motie-Wallage/Korthals/Dittrich (1995) over de afvloeiingsregeling voor de ontslagen procureur-generaal Van Randwijck. In de motie werd daarover afkeuring uitgesproken. Minister Sorgdrager vroeg daarom de regeringsfracties nadrukkelijk het vertrouwen in haar uit te spreken. Omdat de fractievoorzitters Wallage (PvdA), Bolkestein (VVD) en Wolffensperger (D66) dat vertrouwen schonken, verbond de minister geen consequenties aan de aanvaarding van de motie-Wallage c.s.


- Motie-Den Uyl (1984) over de uitkomst van de RSV-enquête. De motie sprak uit dat de Tweede Kamer de conclusies van de enquêtecommissie deelde. Daardoor werd tevens afkeuring uitgesproken over het door minister Van Aardenne onvolledig informeren van de Tweede Kamer. De politieke lading die Den Uyl aan zijn motie gaf, was voor het kabinet en voor de regeringspartijen reden om de motie af te wijzen.


- Amendement-Scholten (1975) op het wetsvoorstel Wet huurprijsontwikkeling woonruimte. Het amendement van de ARP-fractie beoogde de trendmatige huurverhoging op negen procent te stellen, terwijl staatssecretaris Marcel van Dam vasthield aan acht procent. Het door minister Gruijters namens het kabinet uitgesproken onaanvaardbaar, leidde tot intrekking van het amendement.


- Amendement-Kieft/Goudzwaard (1969). In 1969 diende de ARP-fractie een amendement in bij de behandeling van het belastingplan voor 1970. De ARP keerde zich tegen een aanpassing van de belastingen aan de inflatie, omdat zij vreesde dat dit prijsstijgingen in de hand zou werken. Minister Witteveen verklaarde het amendement 'onaanvaardbaar', waarop het werd ingetrokken.

[ V ][ ^^ ]

Geen crisis na het stellen van de vertrouwenskwestie in de Eerste Kamer

- In 1991 dreigde minister van Financiën Kok met een kabinetscrisis als de Eerste Kamer een wetsvoorstel over aanpassingen in de AAW zou verwerpen. Verwerping had volgens Kok te grote financiële consequenties. Het CDA, dat zich aanvankelijk tegen het voorstel had gekeerd, stemde toen alsnog voor.


- In 1991 sprak de CDA-fractie zich uit tegen verhoging van het huurwaardeforfait. Die verhoging was afgesproken, nadat coalitiepartij PvdA akkoord was gegaan met een huurverhoging. Staatssecretaris Van Amelsvoort en minister-president Lubbers dreigden met een kabinetscrisis als het voorstel verworpen zou worden. Voor die politieke druk zwichtte de CDA-fractie.


- In 1988 zette minister Deetman buiten de vergadering om de regeringsfracties (VVD en CDA) onder druk toen die overwogen tegen het wetsvoorstel Harmonisatiewet HBO/WO te stemmen. Daardoor zou onder meer de duur van het recht op studiefinanciering worden beperkt. De Eerste Kamer vreesde aantasting van bestaande rechten, doordat de wet terugwerkende kracht had. Onder dreiging van een kabinetscrisis gingen CDA en VVD om.


Over het buiten de vergadering om stellen van de kabinetscrisis werd enige tijd later in de Eerste Kamer door de leden Vis (D66) en De Gaaij Fortman (PPR) een interpellatie gehouden.

- In 1972 was er in de regeringsfracties van KVP, ARP en CHU verzet tegen een wetsvoorstel van minister De Brauw (DS'70) om het collegegeld te verhogen. De minister stelde, in aanwezigheid van minister-president Biesheuvel, de vertrouwenskwestie. Het wetsvoorstel verkreeg hierna alsnog een meerderheid. Verhoging van de bijdrage van studenten aan de bekostiging van hun studie, werd als essentieel onderdeel van het kabinetsbeleid beschouwd.


- In 1958 dreigde minister Suurhoff van Sociale Zaken met een crisis toen de Eerste Kamer dreigde een wetsvoorstel over een tijdelijke andere verdeling van de werkloosheidspremies. Deze maatregel moest de overheid een besparing van 23 miljoen gulden opleveren. Het kabinet achtte verwerping onaanvaardbaar.


- In 1949 dreigde de Eerste Kamer een wetsvoorstel over grenscorrecties met Duitsland te verwerpen. Enkele Duitse gebieden gingen, als genoegdoening van de oorlogsschade, over van Duitsland naar Nederland. Minister Stikker zei dat er een kabinetscrisis zou ontstaan bij verwerping, waarna het voorstel werd aangenomen. Verwerping tastte volgens het kabinet de Nederlandse internationale positie te veel aan.


Crises na het stellen van de vertrouwenskwestie in de Tweede Kamer
Geen crisis na het stellen van de vertrouwenskwestie in de Tweede Kamer
Geen crisis na het stellen van de vertrouwenskwestie in de Eerste Kamer
TXT/Print-versie voor correct en passend afdrukken (verschijnt in een nieuw venster)Reageer op deze pagina. Aanvullingen en suggesties zijn altijd welkom!
homeHome           Route