 | Organisatie regering/kabinet |
| De regering bestaat uit de Koning(in) plus de ministers, en het kabinet bestaat uit de ministers plus de staatssecretarissen. De Koning(in) zit dus niet in het kabinet, en staatssecretarissen zitten niet in de regering. De ministers maken deel uit van de ministerraad, waarvan de minister-president de voorzitter is.
|
 | Koning(in) |
| Nederland is een koninkrijk. Dat betekent dat de Koning het staatshoofd is. De positie van de Koning en de opvolging zijn geregeld in de Grondwet, vandaar dat in Nederland sprake is van een 'constitutionele monarchie'. Sinds 1890, na het overlijden van Koning Willem III, heeft Nederland alleen vrouwelijke nakomelingen van Willem III als Koningin op de troon gekend. Desalniettemin blijft de Grondwet over de Koning spreken.
|
 | Minister-president |
| De minister-president, ook wel premier, is voorzitter van de ministerraad. Hij coördineert in die functie het regeringsbeleid. Hoewel hij als 'primus inter pares' formeel geen bijzondere macht heeft, heeft hij als 'gezicht' van de regering en lid van de Europese Raad een bijzondere positie. Bij afwezigheid wordt de minister-president vervangen door de vice-minister-president of de oudste minister.
|
 | Minister |
| Ministers zijn politiek verantwoordelijk voor een bepaald beleidsterrein. Met uitzondering van ministers zonder portefeuille geven zij politieke leiding aan een departement. Daarbij kunnen zij terzijde worden gestaan door staatssecretarissen. Een minister, meestal lid van één van de partijen die in de Tweede Kamer het kabinet steunen, moet het vertrouwen van de Tweede Kamer hebben om zijn functie te kunnen vervullen.
|
 | Ministerraad |
| Alle ministers maken deel uit van de ministerraad en hebben daarin stemrecht. Staatssecretarissen hebben alleen toegang als zij zijn uitgenodigd. In de ministerraad wordt overlegd over het algemeen regeringsbeleid. De leden dragen hiervoor een collectieve verantwoordelijkheid.
|
 | Staatssecretaris |
| Een staatssecretaris staat een minister bij de politieke leiding van een ministerie bij. Staatssecretarissen komen vooral voor bij 'zware' ministeries. Daar krijgen zij een specifiek beleidsterrein onder hun hoede, maar de minister blijft medeverantwoordelijk. Net als de minister moet een staatssecretaris verantwoording afleggen aan het parlement. Staatssecretarissen kunnen sinds 1948 worden benoemd.
|
 | Kabinetscrises |
| Een kabinet kan vanwege een intern conflict of door een conflict met de Tweede Kamer (of Eerste Kamer) ten val komen.
|
 | de 'Ayaan-crisis'2006 |
| Op 30 juni 2006 bood minister-president Balkenende het ontslag aan van de bewindslieden van D66 en stelden hij en de overige bewindslieden hun portefeuilles ter beschikking. De D66-bewindslieden stapten op, nadat de D66-fractie een dag eerder het vertrouwen in minister Verdonk had opgezegd. Noch het kabinet, noch de fracties van CDA en VVD wilden daaraan echter de consequentie verbinden dat de minister zou opstappen.
|
 | LPF-crisis 2002 |
| Op woensdag 16 oktober 2002 kwam het kabinet-Balkenende ten val. Na wekenlange geruzie tussen de LPF-ministers Bomhoff en Heinsbroek hadden de overige ministers, inclusief de LPF-collega's, aangedrongen op hun vertrek. Hoewel Bomhoff en Heinsbroek woensdagochtend nog de premier hun ontslag hadden aangezegd, zegde de fractievoorzitters van VVD en CDA, Zalm en Verhagen, toch het vertrouwen in het kabinet op.
|
 | Srebrenica-crisis 2002 |
| Op 16 april 2002 boden de ministers en staatssecretarissen van het tweede kabinet-Kok hun ontslag aan naar aanleiding van het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) over het bloedbad bij Srebrenica.
|
 | Crisis 1999 |
| Op 18 mei 1999 kreeg een wetsvoorstel tot invoering van de mogelijkheid voor een correctief referendum in de Eerste Kamer niet de vereiste tweederde meerderheid. Daarop bood het kabinet een dag later zijn ontslag aan. Vooral D66 was zeer ontstemd en teleurgesteld over de verwerping, omdat zij het referendum als één van haar 'kroonjuwelen' beschouwde.
|
 | Crisis 1989 |
| Op 3 mei 1989 kwam er een einde aan bijna zeven jaar samenwerking tussen CDA en VVD onder minister-president Lubbers. De VVD-fractie kon zich niet vinden in het door het kabinet genomen besluit over afschaffing van het reiskostenforfait.
|
 | Crises 1981/1982 |
| Op 12 mei 1982 kwam er een einde aan het acht maanden eerder gevormde tweede kabinet-Van Agt. De PvdA-ministers konden zich niet vinden in het financieel-economisch beleid, meer in het bijzonder in de financiering van het werkgelegenheidsbeleid.
|
 | Crisis 1977 |
| Op 22 maart 1977 viel het kabinet-Den Uyl. Het conflict ontstond in het kabinet, maar vond zijn oorsprong in de Tweede Kamer. Door de fracties van KVP en ARP waren namelijk amendementen ingediend op wetsvoorstellen inzake de grondpolitiek. CDA-minister van Justitie en lijsttrekker Van Agt wilde daaraan tegemoetkomen. Het kabinet kon het echter in diverse vergaderingen niet eens worden over die wijzigingen.
|
 | Crises 1951-1972 |
| In de periode 1951-1972 was er zeven keer sprake van een kabinetscrisis. Onder deze crises bevinden zich de de bouwcrisis (1960), de omroepcrisis (1965) en de Nacht van Schmelzer (1966). In 1955 en 1960 kon de breuk worden 'gelijmd'.
|
 | Procedure |
| Na Tweede-Kamerverkiezingen en na de val van een kabinet moet een nieuw kabinet worden gevormd. De Grondwet bevat hier nauwelijks regels over. Dit betekent dat de procedure voor de vorming van een nieuw kabinet voornamelijk berust op het ongeschreven recht en politieke spelregels. De Koningin heeft daarbij nog een belangrijke rol, omdat zij het initiatief moet nemen.
|
 | (In)formateur |
| De kabinetsformatie is in vier fasen te onderscheiden: onderzoeken welke coalitie mogelijk is, programvorming (opstellen regeerakkoord), de portefeuilleverdeling en de invulling van de personele bezetting. Er is niet noodzakelijk een duidelijke scheidslijn waar de ene fase ophoudt en de andere begint. Hetzelfde geldt voor het werk van de informateur en de formateur.
|
 | Coalitie |
| We spreken van een coalitie als twee of meer partijen in de Tweede Kamer het kabinet steunen. Dat is nodig omdat het kabinet het vertrouwen van de Tweede Kamer moet hebben om goed te kunnen functioneren. Dat noemt men het parlementair stelsel. De bewindslieden in een kabinet zijn afkomstig uit de partijen die de coalitie vormen. In Nederland worden meestal coalities gevormd met een ruime meerderheid in de Tweede Kamer.
|
 | Formatie najaar 2006 |
| Op 22 november 2006 waren er Tweede Kamerverkiezingen. Nadat het CDA, PvdA en ChristenUnie onder leiding van informateur Herman Wijffels een regeerakkoord onder het motto 'Samen werken, samen leven' hadden opgesteld, benoemde de Koningin op 9 februari 2007 Jan Peter Balkenende tot formateur. Op 22 februari 2007 presenteerde hij zijn nieuwe kabinet, het kabinet-Balkenende IV.
|
 | Formatie juli 2006 |
| Nadat op 29 juni 2006 D66 het vertrouwen in het kabinet-Balkenende II had opgezegd trokken de D66-ministers zich terug uit het kabinet. De andere ministers stelden hun portefeuille ter beschikking. Op 30 juni 2006 werd het kabinet-Balkenende demissionair.
|
 | Formatie 2003 |
| In deze periode regeren twee kabinetten onder leiding van Wim Kok met vertegenwoordigers uit PvdA, VVD en D66. De vorming van het eerste kabinet komt in 1994 tot stand nadat de zittende coalitie van CDA en PvdA haar meerderheid heeft verloren. Beide partijen verliezen fors. Winnaars zijn D66 en VVD.
|
 | Formatie 2002 |
| Onmiddellijk na de verkiezingen op 15 mei 2002 ontving Koningin Beatrix eerst haar adviseurs en vervolgens de fractievoorzitters van de Tweede Kamer. Op basis van de haar gegeven adviezen benoemde zij Donner (CDA) tot informateur. Na onderhandelingen met de fractievoorzitters van CDA, LPF en VVD kwam een 'strategisch akkoord' tot stand.
|
 | Centrum-rechts (2002-heden) |
| Na acht jaar kwam er een eind aan Paars. Economische teruggang en kritiek vanwege problemen op het gebied van veiligheid, zorg en onderwijs creëerden een klimaat waarin nieuwkomer LPF samen met CDA en VVD de 'puinhopen van Paars' zouden gaan opruimen.
|
 | Paars (1994-2002) |
| In deze periode regeren twee kabinetten onder leiding van Wim Kok met vertegenwoordigers uit PvdA, VVD en D66. De vorming van het eerste kabinet komt in 1994 tot stand nadat de zittende coalitie van CDA en PvdA haar meerderheid heeft verloren. Beide partijen verliezen fors. Winnaars zijn D66 en VVD.
|
 | Lubbers (1982-1994) |
| Deze periode wordt gedomineerd door het CDA van premier Lubbers. Na het mislukte kabinet-Van Agt/Den Uyl/Terlouw komt er in november 1982 een centrum-rechts kabinet onder leiding van de opvolger van Van Agt. Dat kabinet neemt de sanering van de overheidsfinanciën krachtig ter hand, waarbij onder meer wordt bezuinigd op ambtenarensalarissen en uitkeringen.
|
 | Polarisatie (1966-1982) |
| Deze periode wordt gekenmerkt door een scherpe tegenstelling tussen partijen. Met name de progressieve partijen (PvdA, D66 en PPR) vinden eind jaren zestig dat kiezers een duidelijker keuze moeten kunnen maken. Zij benadrukken daarom de verschillen met andere partijen, bepleiten directe verkiezing van de minister-president en stellen voorwaarden aan regeringsdeelname.
|
 | Welvaartsstaat (1958-1966) |
| In deze periode wordt verder gewerkt aan uitbouw van de welvaartstaat. Er komen nieuwe regelingen voor kinderbijslag en arbeidsongeschiktheid, er wordt een sociaal minimum ingevoerd, de Algemene Bijstandswet vervangt de Armenwet en de vrije zaterdag wordt ingevoerd. Ook de lonen gaan, mede onder druk van krapte op de arbeidsmarkt, omhoog. De welvaartsstijging is mede te danken aan grote aardgasvondsten. Keerzijde van de welvaart zijn toenemende milieuvervuiling en een steeds verdere verstedelijking.
|
 | Rooms-rood (1945-1958) |
| Deze periode wordt gekenmerkt door de samenwerking van KVP en PvdA ('Rooms-Rood'), die de kern vormen van kabinetten waaraan ook andere partijen deelnemen. We spreken ook wel van kabinetten-op-brede-basis. Die brede basis is nodig vanwege de wederopbouw na de Duitse bezetting, die tot enorme economische schade heeft geleid. Verder krijgt Nederland te maken met de Indonesische vrijheidsstrijd die in 1949 tot losmaking van Nederlands-Indië uit het koninkrijk leidt.
|
 | Oorlogskabinetten (1939-1945) |
| Deze periode wordt geheel beheerst door de internationale toestand. De herbewapening en annexatiedrift van Nazi-Duitsland mondt in 1939 uit in de Tweede Wereldoorlog. Na de val van het vijfde kabinet-Colijn is een kabinet-De Geer aangetreden waarin voor het eerst sociaal-democraten zijn opgenomen. Kort na het aantreden van het kabinet wordt het Nederlandse leger gemobiliseerd. Een paar weken later breekt de oorlog uit.
|
 | Interbellum (1918-1939) |
| De tijd tussen de twee wereldoorlogen (het Interbellum) heeft twee belangrijke kenmerken. Ten eerste is dat de verzuiling van de samenleving. En tweede het overwicht van de drie confessionele partijen, RKSP, ARP en CHU. Zij hebben steeds een meerderheid in beide Kamers. Ondanks dat overwicht vinden diverse kabinetscrises plaats en worden veelal extra-parlementaire kabinetten gevormd.
|
 | Voor 1918 |
| Pas sinds 1848 kennen we kabinetten. Daarvoor waren de ministers op de eerste plaats dienaren van de koning die slechts zelden gezamenlijk vergaderden. Pas in 1842 werd er een geregelde kabinetsvergadering in het leven geroepen. In 1848 werd voor het eerst een kabinet geformeerd.
|