Politieke partijen worden op verschillende manieren gefinancierd. Zij ontvangen ledencontributie, 'partijbelasting' van volksvertegenwoordigers, giften, sponsoring en (staats)subsidie. Zij doen soms aan fondsenwerving en beschikken soms over reserves. Een groot deel van de partijuitgaven gaat naar de verkiezingscampagne.
De Eerste Kamer nam op 5 maart 2013 een wetsvoorstel (kamerstuk 32.752) aan om het inzicht en toezicht op financiering van partijen te vergroten. Hiermee moet belangenverstrengeling worden voorkomen. De wet is op 1 mei 2013 in werking getreden. Bepaald is onder meer dat giften vanaf € 4500 openbaar moeten worden gemaakt. Aan het niet naleven hiervan, worden sancties verbonden.
Partijfinanciering
In politieke partijen gaat veel geld om. Zij hebben geld nodig voor de financiering van de organisatie en hun verkiezingscampagne. Politieke partijen hebben interne en externe inkomstenbronnen. De interne inkomsten zijn de inkomsten die de partij zelf door zijn activiteiten verwerft, zoals lidmaatschapsgelden, salarisafdracht van volksvertegenwoordigers (partijbelasting) en fondsenwerving. Externe bronnen zijn giften, sponsorinkomsten en overheidssubsidies. Sommige politieke partijen beschikken ook over reserves, afkomstig uit de tijd van de verzuiling.
Lidmaatschapsgelden
Eén van de belangrijkste inkomstenbronnen van een politieke partij is het lidmaatschapsgeld. Vroeger werd uit de ledencontributie bijna alles gefinancierd. Met de ontzuiling nam het aantal leden af en daarmee ook de ledencontributie als inkomstenbron.
In de meeste Europese landen is het lidmaatschapsgeld maar een kwart van de totale partij-inkomsten. Nederland is echter een uitzondering op deze regel, hier zorgen de lidmaatschapsgelden voor de helft van de partij-inkomsten. Lidmaatschapsgelden zijn voor de meeste partijen de belangrijkste bron van inkomsten. Uitzondering hierop is de Socialistische Partij.
De Nederlandse politieke partijen, behalve de Socialistische Partij kunnen financieel gezien daarom nog steeds als ledenpartijen worden gezien. Het lidmaatschapsgeld verschilt per politieke partij en is vaak inkomensafhankelijk.
Salarisafdracht
De tweede bron van inkomsten is de afdracht van volksvertegenwoordigers. Sommige partijen vragen of eisen dat hun volksvertegenwoordigers een deel van hun salaris afdragen aan de partij, door sommige afdragers wordt deze bron van inkomsten dan ook gezien als partijbelasting. Vaak is dit ongeveer tien procent van het salaris.
De uitzondering op deze regel is in Nederland de Socialistische Partij. De SP vindt het werk van vrijwilligers even veel waard als dat van volksvertegenwoordigers. Alle SP vertegenwoordigers zijn daarom verplicht om hun hele salaris aan de partij over te maken.
Om te voorkomen dat werken voor de SP nadelig is krijgen de volksvertegenwoordigers van de partij een vergoeding, zo ontvangen de Tweede Kamerleden van de SP een modaal salaris. Ongeveer 48 procent van de inkomsten van de SP zouden afkomstig zijn uit deze vorm van partijbelasting.
Ook bij andere partijen vormt de salarisafdracht een groot deel van de partij-inkomsten. Dit is vooral het geval bij linkse partijen,zoals GroenLinks en de Partij van de Arbeid. De VVD en het CDA kennen geen 'partijbelasting'. De giften van de volksvertegenwoordigers bedragen respectievelijk 1 tot 6 procent van het partij-inkomen.
Een wetsvoorstel om directe salarisafdracht aan partijen te verbieden, dat in november 2009 door minister Ter Horst werd ingediend (wetsvoorstel 32.221), is maart 2013 door minister Plasterk ingetrokken.
Fondsenwerving
Fondsenwerving is de derde interne bron van inkomsten van een politieke partij. Partijen mogen geld binnenhalen door fondsenwervende activiteiten, zoals met feesten en bazaars. Een partij die dit doet is de VVD. De VVD heeft het idee van fundraising diners overgenomen uit de Verenigde Staten en gebruikte het onder andere om een gedeelte van de campagne in 2002 te financieren. Voor 350 tot 500 euro kon men met VVD ministers en andere belangrijke VVD- leden dineren. Via deze weg haalde de VVD in 2001 15.000 euro op voor zijn campagne.
Giften en sponsoring
Een externe inkomstenbron van de partij zijn de giften en sponsoring die de partijen ontvangen. Natuurlijke personen of organisaties kunnen geld schenken aan een partij. Belangengroepen zijn bereid om politieke partijen te steunen wiens beleid gunstig voor hen is. Zo geeft het zakenleven vaak geld aan de rechtse partijen en de vakbonden vooral aan de linkse partijen. Bedrijven kunnen ook bepaalde zaken sponsoren. Het gaat vaak om organisaties die in het verleden tot dezelfde zuil behoorden en nu nog steeds sympathie voelen voor die politieke partijen.
Giften en sponsoring zijn slechts in beperkte mate gewenst. Partijen moeten voorkomen dat de schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. De giften zijn slechts een beperkt deel van het partij-inkomen, uitzondering hierop is de VVD. Sinds 1999 moeten giften aan een politieke partij van 4537,80 euro of meer, die niet afkomstig zijn van een natuurlijk persoon openbaar moeten worden gemaakt. Dit gebeurt door het te vermelden in het financieel verslag van de politieke partij. Er volgen echter geen sancties wanneer partijen dit niet doen.
In 2002 laaide de discussie over openheid van partijgiften op nadat Fortuyn aankondigde 4 miljoen euro te kunnen bemachtigen uit zijn netwerk in de zakenwereld. Veel partijen hebben hun eigen beleid op het gebied van giften en sponsoring. Nederlandse politieke partijen die gebruik maken van sponsoring zijn bijvoorbeeld het CDA en de VVD. Zij laten al enkel jaren partijactiviteiten als congressen en studiebijeenkomsten sponsoren door bedrijven.
Ook de financiering van de PVV, wat in feite geen partij is, maar een Vereniging met één lid, riep vragen op.
Sinds 2013 zijn de regels over giften aangescherpt en gelden ze ook voor financiële steun aan gelieerde instellingen van partijen en voor personen. Ook giften in natura vallen onder de strengere regels.
(Overheids)subsidie
In het algemeen zijn er veel redenen voor subsidiëring door de overheid. Partijen hebben een essentiële functie in een vertegenwoordigende democratie, maar zijn niet in staat om zichzelf geheel te financieren. Subsidies maken partijen minder afhankelijk van bijdragen van belangengroepen en dus reduceert het de kans op corruptie. Er zijn verder partijen die niet in staat zijn om investeringen van belangengroepen aan te trekken.
In de meeste Europese landen ontvangen politieke partijen geld van de overheid. Duitsland was het eerste Europese land dat subsidie van de overheid ontving. In Nederland ontvangen de politieke partijen subsidie, afhankelijk van het aantal Kamerzetels en leden van de partij. Vergeleken met andere Europese landen, met uitzondering van Groot Brittannië, is de Nederlandse overheid erg terughoudend geweest met het verstrekken van subsidies, lange tijd ontvingen de partijen in Nederland enkel indirecte subsidies.
Elk land kent vormen van indirecte subsidies voor politieke partijen, zoals gratis zendtijd of advertentiemogelijkheden. In Nederland kennen we de Zendtijd voor Politieke Partijen. Zeer lang was het zo dat de partijen in Nederland alleen werden gesteund door gratis zendtijd op radio en tv en een kleine bijdrage voor de productiekosten van de programma's. Nu wijst het Commissariaat voor de Media de zendtijd voor de landelijke omroep toe aan partijen die zijn vertegenwoordigt in de Tweede of Eerste Kamer en meedoen in alle kieskringen aan de verkiezingen. De SGP is de enige partij die hiervan nooit gebruik van gemaakt heeft.
In 1971 ving de Nederlandse overheid aan met het subsidiëren van aan de partij gelieerde organisaties, die zich bezighielden met onderzoek, jongerenwerk, onderwijs en training. Na 1990 ontstond ook de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor scholing van nieuwe leiders in Midden en Oost Europa en waren er Europese subsidies beschikbaar voor de campagne voor het Europese Parlement. Op 1 juli 1999 trad de wet in werking die subsidies verstrekt aan de politieke partijen zelf.
Verkiezingscampagne
De verkiezingscampagne wordt gefinancierd uit dezelfde bronnen als waaruit de partij gefinancierd wordt. In Nederland was het zo dat politieke partijen de subsidie niet mochten gebruiken om de verkiezingscampagne te financieren. Recent is dit veranderd.
De partijen zetten een deel van hun inkomsten opzij voor de campagne. Als de campagne eens in de vier jaar gevoerd wordt is hiervoor genoeg geld verzameld. Echter wanneer de verkiezingen onverwacht vroeg vallen dan moet er flink gesneden worden in de campagne, dit was ook het geval bij de verkiezingen in 2003, een jaar na de verkiezingen in 2002
Uit onderzoek is gebleken dat de Nederlandse verkiezingscampagnes behoren tot de goedkoopste campagnes in de wereld. Jarenlang hebben de politieke partijen in Nederland dit niet als een beperking ervaren. Maar sinds de verkiezingen in 1998 is het voor politieke partijen ook toegestaan om reclamezendtijd bij landelijke tv-zenders in te kopen. De politieke partijen ervaren sinds dat moment hun beperkte campagnebudget als een probleem. Ze zijn steeds meer op zoek naar nieuwe inkomstenbronnen en middelen als sponsoring, giften en fondsenwervende activiteiten worden meer benut dan tevoren. Sinds 1998 zijn de campagne-uitgaven dan ook gestegen.
meer over
