Parlementaire enquête woningcorporaties (2012-2014)

Op 31 oktober 2014 presenteerde een enquêtecommissie onder leiding van Roland van Vliet (ex-PVV) haar rapport 'Ver van huis'. Zij concludeerde dat ernstige tekortkomingen in het sociale huurstelsel incidenten in de corporatiesector in de hand hebben gewerkt.

Op 16 april 2013 besloot de Tweede Kamer een parlementaire enquête in te stellen naar de opzet en het functioneren van woningcorporaties. Aanleiding hiervoor waren de vele misstanden bij woningcorporaties, zoals de financiële problemen bij Vestia. Omdat de negatieve gevolgen hiervan vooral bij huurders terechtkomen, moet het onderzoek bijdragen aan een beter woningcorporatiestelsel.

Een in maart 2012 ingestelde Kamercommissie heeft tot de enquête geadviseerd en een plan van aanpak opgesteld. In november 2012 besloot de Tweede Kamer tot instelling van de tijdelijke commissie Woningcorporaties. Deze commissie had als opdracht voorstellen te doen voor de opzet van een parlementaire enquête over woningcorporaties. Deze tijdelijke commissie Woningcorporaties werd in december 2012 ingesteld.

In december 2014 vonden debatten met de commissie en met minister Blok voor Wonen en Rijksdienst plaats, waarin de analyse en hoofdconclusies van het enquêterapport werden onderschreven.

Voorgeschiedenis

Sinds begin jaren negentig zijn woningcorporaties steeds meer verzelfstandigd. Voor die tijd werden corporaties gesubsidieerd en werden alle activiteiten vooraf getoetst. Na de verzelfstandiging gebeurde de toetsing pas achteraf. Dit zou een doelmatig en effectief stelsel moeten opleveren. Inmiddels zijn er circa 400 woningcorporaties.

In januari 2012 kwam naar buiten dat er ernstige financiële problemen waren bij één van deze woningcorporaties, Vestia. De corporatie was door grote risico's in het financiële beheer in de problemen gekomen en kampte met een miljardentekort. Ook andere woningcorporaties, zoals De Kleine Meierij (DKM), Rochdale en SGBB, haalden het nieuws door financieel wanbeleid.

Hierop nam in 2012 het CDA het initiatief om een onderzoek aan te vragen naar het stelsel van woningcorporaties. Volgens de partij is het gebrekkige toezicht een belangrijke oorzaak van de problemen.

Instelling van de enquête

De Tweede Kamer nam op 20 maart 2012 unaniem de motie van Bas Jan van Bochove aan over het instellen van een parlementaire enquête. De aanleiding voor dit besluit waren de problemen bij Vestia. Het onderzoek richt zich op het stelsel van woningcorporaties, het beheer ervan en het toezicht erop. Vooral dit toezicht staat onder druk. Volgens de motie is 'laakbaar gedrag door het interne en externe toezicht onvoldoende en te laat is onderkend'.

In de motie werd geconstateerd dat de belangen van zowel huurders bij deze sociale verhuurders als het algemene belang van een integere en stabiele volkshuisvesting in het geding zijn. Er werd in de motie gewezen op de noodzaak om betrokken partijen onder ede te verhoren en dat daarom een enquête moet worden ingesteld (artikel 140 Reglement van Orde).

Vervolgens heeft het Presidium op 27 maart 2012 de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken per brief verzocht de motie uit te werken. De vaste commissie besloot in oktober 2012 om de opdracht aan een speciaal daartoe ingestelde tijdelijke commissie Woningcorporaties (TCW) te geven. Die commissie werd op 5 december 2012 ingesteld.

Onderzoeksvragen

Het doel van het onderzoek is inzicht verschaffen in de opzet en de werking van het stelsel van woningcorporaties. Om deze vraag te beantwoorden heeft de commissie een aantal onderzoeksvragen geformuleerd:

  • Hoe is het stelsel van woningcorporaties samengesteld? Uit welke actoren bestaat het stelsel en hoe heeft het stelsel zich sinds begin jaren ’90 ontwikkeld?
  • Wat zijn de taken, rollen, bevoegdheden, verantwoordelijkheden en prestaties van de woningcorporaties en hoe is daar invulling aan gegeven?
  • Hoe heeft het bestuur en toezicht van woningcorporaties zich ontwikkeld en wat is de invloed hiervan op het functioneren van het stelsel?
  • Hoe heeft de financiële situatie en het risicoprofiel van woningcorporaties zich ontwikkeld en wat is de invloed hiervan op het functioneren van het stelsel?
  • Wat is de invloed van de politieke besluitvorming en beleidsvorming op lokaal, nationaal, en Europees niveau op het functioneren van het stelsel?

Naast deze overkoepelende onderzoeksvragen, zijn er ook onderzoeksvragen naar specifieke woningcorporaties. Dit zijn de zogenaamde casusonderzoeken naar woningcorporaties:

  • Hoe zijn de problemen bij Vestia ontstaan en aangepakt en hoe hebben betrokken actoren daarbij gehandeld? Is dit een incident of een symptoom van meer structurele tekortkomingen in het stelsel?
  • Wat is de taakopvatting en taakinvulling van de door de enquêtecommissie onderzochte corporaties? Hoe functioneert het toezicht en bestuur bij deze casussen? Zijn geconstateerde problemen incidenten of een symptoom van meer structurele tekortkomingen in het stelsel?

Het onderzoek

Het onderzoek zal zich richten op de periode van de verdere privatisering van woningcorporaties begin jaren negentig tot het moment dat de Kamer besloot tot het instellen van de motie. Hiermee zal het eindpunt van de te onderzoek periode liggen in maart 2012. Ontwikkelingen daarna worden ook in ogenschouw genomen, maar zijn geen onderdeel van het onderzoek.

Het onderzoek bestond uit de volgende vijf fasen:

  • 1. 
    Uitvoering deelonderzoeken
  • 2. 
    Besloten voorgesprekken
  • 3. 
    Openbare verhoren
  • 4. 
    Opstellen eindrapport
  • 5. 
    Behandeling eindrapport Tweede Kamer

Samenstelling enquêtecommissie

voorzitter:

Roland van Vliet (fractie-Van Vliet)

leden:

Anne Mulder (VVD)

Ed Groot (PvdA), ondervoorzitter

Farshad Bashir (SP)

Peter Oskam (CDA)

Wassila Hachchi (D66)

Griffier

  • M. 
    Esmeijer

Conclusies

In de corporatiesector was er sprake van wanbestuur, bestuurscrises of ernstig financieel mismanagement, soms ook in combinatie. In alle casussen bleek er sprake te zijn van falende corporatiebestuurders. Dit heeft geleid tot doorgeslagen ambities, gigantische projecten, speculatieve vastgoed- en grondtransacties, creatief boekhouden, of zelfs frauduleus handelen.

Ook het toezicht op de corporaties faalde, de publieke financiële toezichthouder had onvoldoende zicht op de risicovolle financiële producten bij de corporaties. Hierdoor konden binnenlandse en buitenlandse banken het gebruik van complexe derivaten bij corporaties actief en soms agressief promoten. Maar ook het volkshuisvestelijktoezicht is de afgelopen jaren onder de maat geweest.

Verder constateert de commissie dat ook het toezicht op de volkshuisvestelijke prestaties door de jaren heen niet op een actieve en volwaardige manier is ingevuld. Van monitoring van de prestaties van woningcorporaties was geen sprake. Als laatste stelt de commissie dat ook het overheidstoezicht afwachtend en reactief is.

Er was ook sprake van een falende politiek. De commissie constateert dat de Tweede Kamer en de regering, nadat zij eind jaren negentig de woningcorporaties verzelfstandigd heeft, lange tijd geen betekenisvolle correcties heeft aangebracht in de ordening van de corporatiesector. Serieuze pogingen tot aanpassingen in het stelsel halen de eindstreep niet. hierbij volgt de commissie de conclusie van het in 2005 ingestelde parlementaire onderzoek naar het corporatiestelsel: de Tweede Kamer en de regering waren onvoldoende in staat om te waarborgen dat woningcorporaties effectief en efficiënt presteren.

Verder heeft de commissie grote vraagtekens bij de doeltreffendheid en doelmatigheid van de corporatiesector. Ook trekt zij de controleerbaarheid en de legitimiteit van het stelsel van woningcorporaties in twijfel.

Ondanks de bevindingen over wat er allemaal misging de de corporatiesector, prijst de commissie de sector om de inzet en de bevlogenheid. Volgens de commissie hebben de woningcorporaties in de afgelopen 20 jaar essentiële bijdragen geleverd aan de sociale huisvesting in Nederland. Zij hebben er mede aan bijgedragen dat er van omvangrijke gettovorming en verpauperende woonwijken in Nederland nagenoeg geen sprake is. Ook is volgens de commissie de kwaliteit van de Nederlandse sociale woningvoorraad hoog.

Hoe nu verder?

Volgens de commissie moet het corporatiestelsel steviger neer worden gezet. Zij willen dit doen door middel van de 4 G's: Gedrag, Governance, Geld, Grenzen. Elk van deze G's heeft zijn eigen verbeteringen.

Het gedrag moet worden verbeterd, de cultuur van het corporatiestelsel moet worden veranderd. Dit moet gebeuren door strenge gedragsregels voor de corporatiesector, en het harder aanpakken van fraude.

Het governance moet versterkt worden, dit moet er toe leiden dat de tegenkrachten zich beter organiseren. De aanbevelingen hierbij zijn dat de minister van Wonen de commissarissen van een corporatie kan wegsturen. Verder dient er een Onafhankelijke Woonautoriteit te komen als toezichthouder op de corporaties. Ook moeten er verplichte prestatieafspraken komen tussen gemeenten en corporaties, en dienen huurders meer zeggenschap krijgen.

Door grenzen te stellen moeten de corporaties terug naar hun kerntaak. Hieronder valt het bouwen en verhuren van sociale huurwoningen. Commerciële nevenactiviteiten zouden uit den boze dienen te zijn en leefbaarheidsuitgaven moeten worden ingeperkt.

Als laatste staat geld centraal. Risico's moeten beter worden gespreid. Dit moet gebeuren door het borgingsstelsel te reorganiseren, en het instellen van een eigen risico voor banken.

Reacties uit de politiek

Minister van Wonen Stef Blok vindt het goed dat de commissie pleit voor een scherpere afbakening van de corporatietaken. Hij is blij dat de Tweede Kamer na het debat over het rapport zijn eigen herzieningswet snel wil behandelen. het kabinet zal de aanbevelingen van de commissie betrekken bij de behandeling van de stelselherziening, maar wacht eerst het debat in de Kamer over het rapport af.

De VVD vindt dat het rapport goed laat zien hoe het uit de hand kon lopen, en dat toen het verkeerd ging niemand iets deed. Vooral de aanbeveling om terug te gaan naar de kerntaken komt overeen met wat de VVD wil.

De commissie heeft volgens de PvdA goed werk geleverd. De PvdA steunt de aanbevelingen van de commissie om meer macht aan huurders te geven, corporaties weer dienstbaar te maken aan de samenleving en het toezicht veel steviger te maken. Hiermee kunnen de corporaties zich weer richten op hun kerntaken.

De SP vindt dat de politiek lessen moet trekken uit het rapport van de commissie. Er is publiek toezicht nodig en huurders en gemeenten moeten meer zeggenschap krijgen.

D66 voelt zich gesteund door de aanbeveling van de commissie voor één sterke onafhankelijke toezichthouders. Bij de behandeling van de corporatiewet gaat D66 een voorstel indienen voor één sterke woonautoriteit. Deze autoriteit moet enerzijds dwingend optreden om financiële uitspattingen te voorkomen. Anderzijds bewaakt deze toezichthouder de integriteit en het goede bestuur.

Het CDA onderschrijft dat er een cultuuromslag noodzakelijk is binnen de corporatiesector. Het CDA wil meer waakzaamheid ten aanzien van de extra regelgeving. Het stelsel moet transparanter en verantwoordelijker worden georganiseerd. Ook wil het CDA het debat aangaan over de aanbeveling dat de corporatiesector zich moet beperken tot het minimale huuraanbod voor de onderste laag van de markt. Zij willen de ruimte behouden voor maatschappelijk maatwerk naar behoeftes in de regio's.

Volgens de PVV moet het corporatiebestel grondig herzien worden. Zij streeft naar kleinschalige woningcorporaties met betrokken bestuurders met een bescheiden salaris die zich enkel bezighouden met de kerntaken. Volgens de PVV moet het rapport de basis zijn van een gezonde corporatiesector waarin de huurder centraal staat.

GroenLinks vindt dat het hoog tijd is dat huurders meer te zeggen krijgen over de besteding van huuropbrengsten en het onderhoud van hun woningen. De minster moet ruimte creëren zodat groepen huurders zelf een woningcorporatie kunnen starten.

Volgens de ChristenUnie zijn de conclusies van de commissie confronterend. De aanbevelingen vragen om een zorgvuldige weging hoe excessen worden voorkomen en de woningcorporaties tegelijk wel de ruimte blijven houden om binnen duidelijke grenzen bij te dragen aan de leefbaarheid van de woonomgeving. De ChristenUnie wil meer inspraak voor de huurders bij corporaties en vindt de ideeën voor nieuwe rechtsvormen waarin de huurder mede-eigenaar wordt aansprekend.

Volgens 50PLUS is er sprake geweest van falen op alle niveau's. De achtereenvolgende kabinetten waar CDA, VVD, PvdA, D66 en ChristenUnie deel van uitmaakten zijn mede verantwoordelijk geweest voor de grondige en langdurige ontsporing van woningcorporaties. 50PLUS noemt het onthutsend dat door gebrek aan controleerbaarheid van woningcorporaties het onmogelijk is om uitspraken te doen over omvang, aanwending en het mogelijke maatschappelijke vermogen van de sector.


Meer over