Geschiedenis kiesstelsel Eerste Kamer

Sinds 1983 worden de 75 leden van de Eerste Kamer iedere vier jaar gekozen middels 'getrapte verkiezingen'. Burgers kiezen de leden van de Provinciale Staten en zij kiezen op hun beurt de leden van de Eerste Kamer. De gedachte is dat Eerste Kamerleden daardoor wat verder af staan van de dagelijkse politiek en zich wat onafhankelijker kunnen opstellen.

De manier waarop de Eerste Kamer verkozen wordt, is meerdere malen gewijzigd. De termijn van Eerste Kamerleden is bijvoorbeeld een aantal keren gewijzigd. De laatste wijziging van Eerste Kamerverkiezingen dateert uit 2010.

Veranderingen in wijze van verkiezen Eerste Kamer

Sinds 1848 wordt de Eerste Kamer gekozen door de leden van Provinciale Staten, en vanaf 1922 gebeurt dat op basis van evenredige vertegenwoordiging. In 1956 werd het aantal leden uitgebreid van 50 naar 75.

Het ledental van de Eerste Kamer was niet altijd hetzelfde. Tussen 1815 en 1848 was er geen vast aantal leden (tussen 1815 en 1830 lag het aantal tussen de 40 en 55, na 1830 waren er ongeveer 30 leden). In de periode 1848-1888 waren er 39 leden. Vanaf 1888 werd het aantal 50 en in 1956 volgde de uitbreiding tot 75 leden.

Periode 1848-1922

Tot 1848 benoemde de koning de Eerste Kamerleden voor het leven. In 1848 pleitte Thorbecke voor rechtstreekse verkiezing, maar een meerderheid van de overwegend conservatieve Tweede Kamer was daar tegen. Gevreesd werd dat de Tweede en Eerste Kamer te veel op elkaar zouden lijken. Als politieke reden wordt aangevoerd dat Eerste Kamerleden wat verder af moeten staan van de dagelijkse politiek en dus beter niet zelf campagne kunnen voeren. Door de grotere afstand tot de politieke actualiteit - zo is de redenering - kunnen zij zich wat onafhankelijker opstellen. Daarop werd bepaald dat de Provinciale Staten de leden van de Eerste Kamer zouden kiezen (geen rechtstreekse maar 'getrapte verkiezingen').

Iedere provincie had een vast aantal afgevaardigden (Zeeland bijvoorbeeld twee en Noord-Holland bijvoorbeeld zes). Tot 1922 werden de leden voor negen jaar gekozen, waarbij om de drie jaar eenderde deel van de Kamer werd vernieuwd. Tot 1922 werd iemand verkozen als hij in de Provinciale Staten de absolute meerderheid behaalde.

Periode 1922-1983

In 1922 werd overgestapt naar het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Alle stemmen tellen sindsdien mee voor de bepaling van de zetelverdeling.

In 1923 werd een ander stelsel voor de verkiezingen ingevoerd. Er werden vier groepen van provincies ingesteld. Om de drie jaar kozen twee van deze groepen de helft van het aantal Eerste Kamerleden. De zittingsduur van de leden was zes jaar.

Vanaf 1983

Sinds de grondwetsherziening van 1983 worden Eerste Kamerleden niet meer voor zes jaar gekozen. In dat jaar werd besloten dat alle leden voortaan om de vier jaar tegelijkertijd door alle provincies worden gekozen.

2010

Sinds een wijziging van de Kieswet in 2010 kunnen partijen geen lijstverbindingen meer aangaan. Om met een voorkeurstem te worden gekozen, is sinds de wijziging van de Kieswet in 2010 de gehele kiesdeler nodig. Daarvoor was slechts een halve kiesdeler nodig. Dat betekende toen dat bijvoorbeeld in de Staten van die provincie twee stemmen voldoende waren om iemand met voorkeurstemmen in de Eerste Kamer te brengen.

Eilandraden

In 2010 werden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba na de ontmanteling van de Nederlandse Antillen als apart land binnen het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere openbare lichamen van Nederland. Op het moment dat deze verandering ook in een grondwetswijziging is vastgelegd zullen ook de leden van de Eilandsraden van deze eilanden aan de verkiezingen voor de Eerste Kamer deelnemen.


Meer over

Website Eerste Kamer