Dr. J.A. (Jos) van Kemenade

foto Dr. J.A. (Jos) van Kemenadevergrootglas Invloedrijke katholieke socialist met grote werkkracht. Uiteenlopende wetenschappelijke, bestuurlijke en maatschappelijke activiteiten. Kwam als Nijmeegse hoogleraar onderwijs-sociologie als minister van Onderwijs in het kabinet-Den Uyl. Was daarin een creatieve maar ook veel bekritiseerde bewindsman. Ontvouwde plannen voor de zgn. Middenschool en stimuleerde als tweedekansonderwijs de moedermavo en de Open Universiteit. In de periode 1978-1981 Tweede Kamerlid en fractiesecretaris. In 1981 weer minister in het kabinet-Van Agt II. Was toen dé 'kroonprins' van Joop den Uyl. Bracht later als Kamerlid een omvangrijke initiatiefwet tot stand over volwasseneneducatie. Na zijn 'Haagse' loopbaan universiteitsbestuurder, burgemeester van Eindhoven en Commissaris van de Koningin in Noord-Holland.

PvdA
in de periode 1973-2002: lid Tweede Kamer, minister, Commissaris van de Koning(in), minister van staat

voornamen (roepnaam)

Josephus Antonius (Jos)

personalia

geboorteplaats en -datum
Amsterdam, 6 maart 1937

levensbeschouwing
Rooms-Katholiek

partij/stroming

partij(en)
PvdA (Partij van de Arbeid), vanaf 1958

hoofdfuncties

  • wetenschappelijk medewerker Sociologisch Instituut, Katholieke Universiteit Nijmegen, van 1958 tot 1965 
  • parttime onderzoek-adviseur KASKI (Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut), van 1960 tot 1965 
  • directeur Instituut voor Toegepaste Sociologie te Nijmegen, van 1965 tot november 1970 (doceerde onderwijs-sociologie) 
  • buitengewoon hoogleraar onderwijs-sociologie, Katholieke Universiteit Nijmegen, van november 1970 tot 11 mei 1973 
  • lid College van Bestuur Katholieke Universiteit Nijmegen, van 1 december 1972 tot 11 mei 1973 (voornaamste taak: onderwijszaken) 
  • minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 11 mei 1973 tot 19 december 1977 
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 8 juni 1977 tot 8 september 1977 
  • buitengewoon hoogleraar onderwijskunde, Rijksuniversiteit Groningen, van september 1978 tot 11 september 1981 (1 dag per week) 
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 16 januari 1978 tot 11 september 1981 
  • minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 11 september 1981 tot 29 mei 1982 
  • buitengewoon hoogleraar algemene en vergelijkende onderwijskunde, Universiteit van Amsterdam, van 1 september 1982 tot 1 augustus 1984 
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 16 september 1982 tot 1 september 1984 
  • voorzitter College van Bestuur Universiteit van Amsterdam, van 1 september 1984 tot 1 maart 1988 
  • burgemeester van Eindhoven, van 1 maart 1988 tot 1 mei 1992 
  • Commissaris van de Koningin in Noord-Holland, van 1 mei 1992 tot 1 april 2002 
  • (onbezoldigd) hoogleraar algemene sociale wetenschappen, Universiteit van Amsterdam, van 1 maart 2000 tot 1 mei 2002 

ambtstitel
  • minister van staat, vanaf 5 april 2002 

partijpolitieke functies

vorige
  • lid curatorium WBS (Wiardi Beckman Stichting) 
  • voorzitter onderwijscommissie WBS 
  • fractiesecretaris PvdA Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 16 januari 1978 tot 11 september 1981 
  • lid fractiebestuur PvdA Tweede Kamer der Staten-Generaal, van september 1982 tot 1 september 1984 
  • lid partijbestuur PvdA, van april 1985 tot april 1987 
  • voorzitter commissie politieke strategie en partijcultuur PvdA, van 10 februari 1990 tot juli 1991 (bracht het rapport 'Een partij om te kiezen uit') 
  • voorzitter curatorium WBS (Wiardi Beckman Stichting), van 1 februari 1987 tot 1994 

nevenfuncties

huidige
  • voorzitter jury prof.dr. J.A. van Kemenade-prijs, vanaf maart 2002 

vorige
  • voorzitter College van Curatoren School voor Journalistiek 
  • voorzitter werkgroep onderwijssociologie, SISWO (Stichting Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek) te Amsterdam 
  • lid Commissie Modernisering Leerplan Maatschappijleer, van januari 1971 tot 11 mei 1973 
  • vicevoorzitter Onderwijscommissie, Katholieke Universiteit Nijmegen 
  • lid Commissie Universitaire Lerarenopleiding, Academische Raad 
  • voorzitter Commissie Onderwijskunde, Academische Raad 
  • lid Onderwijscommissie, NVV (Nederlandse Verbond van Vakverenigingen) 
  • lid redactie "Sociologische Gids" 
  • lid redactie "Sociologica Neerlandica" 
  • lid redactieraad serie "Kerk van Morgen" 
  • voorzitter evaluatiecommissie Zweden van de OECB 
  • onderwijsadviseur UNESCO (United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation), 1979 
  • voorzitter selectiecommissie nieuwe voorzitter VARA, 1980 
  • lid evaluatiecommissie onderwijs in Israël, 1980 (voor de Bernard van Leer-Foundation in Jerusalem) 
  • informateur, van 10 juni 1982 tot 30 september 1982 
  • lid Raad van Bestuur ITS (Instituut voor Toegepaste Sociologie) 
  • voorzitter bestuur RVU (Radio Volksuniversiteit/Educatieve Omroep) 
  • lid Nationale UNESCO-Commissie 
  • lid redactie Handboek Basisonderwijs 
  • vicevoorzitter "Pax Christi", vanaf 20 oktober 1984 
  • voorzitter Samenwerkingsverband Agglomeratie Eindhoven, tot 1989 
  • buitengewoon hoogleraar Algemene en Vergelijkende Onderwijskunde, Open Universiteit te Heerlen 
  • voorzitter NUFFIC (Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs) te 's-Gravenhage, van 9 september 1988 tot 28 februari 1993 
  • ereprofessor Universiteit van Nanjing (Volksrepl. China), vanaf november 1988 
  • lid programmacommissie School voor Openbaar Bestuur te 's-Gravenhage, vanaf 1989 
  • lid Commissie onderwijs en arbeidsmarkt, vanaf 27 december 1989 
  • medewerker "School en Inzicht" 
  • lid curatorium dagblad "Het Vrije Volk" 
  • voorzitter klankbordgroep Reorganisatie Politie, vanaf juni 1990 
  • lid Raad van Commissarissen "De Nederlandsche Bank", vanaf juli 1990 (sinds 1994 tweede voorzitter) 
  • lid Raad van Commissarissen N.V. Koninklijke Ahold 
  • lid commissie functiewaardering leden Tweede Kamer, 1990 
  • voorzitter RBB (Raad voor het Binnenlands Bestuur), van 1 februari 1992 tot 1 januari 1997 
  • voorzitter NCB (Nederlands Centrum Buitenlanders), vanaf 1 juni 1992 
  • lid College van Adviseurs KPMG (accountants, belastingadviseursen consultants), vanaf april 1993 
  • voorzitter Stichting "Max Havelaar", van 27 februari 1996 tot december 1997 
  • lid Stuurgroep herstructurering personeelsbeleid burgemeesters, vanaf juli 1996 
  • voorzitter externe commissie project Criminaliteit en Integratie van Etnische Minderheden, van september 1996 tot 1998 
  • voorzitter Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog (commissie-Van Kemenade), van 10 maart 1997 tot 26 januari 2000 
  • voorzitter IPO (Inter Provinciaal Overleg), van 1 november 1997 tot 26 september 2001 
  • belast met onderzoek naar de gang van zaken rond het optreden van Nederlandse militairen in Srebenica, van augustus 1998 tot september 1998 
  • voorzitter werkgroep over juridisering van het openbaar bestuur, 1998 (rapport: 'Bestuur in geding') 
  • voorzitter Raad KLPD (Korps Landelijke Politiediensten), vanaf september 2000 
  • voorzitter bestuur Bouwfonds Fondsenbeheer, vanaf 1999 
  • voorzitter bestuur IMD (Institute for Multiparty Democracy), vanaf 2001 
  • voorzitter ROB (Raad voor het Openbaar Bestuur), van 1 juni 2001 tot 1 juli 2009 
  • voorzitter Raad van Toezicht Wageningen Universiteit en Wageningen Universiteit Researchcentrum, vanaf november 2001 
  • voorzitter RPC (Rijksplanologische Commissie), van 1 april 2002 tot 1 mei 2007 
  • voorzitter RMC (Rijksmilieuhygiënische Commissie), van 1 april 2002 tot 1 mei 2007 
  • buitengewoon hoogleraar sociale wetenschappen, Open Universiteit te Heerlen, vanaf september 2002 
  • lid Nationaal Comité Zilveren Regeringsjubileum Koningin Beatrix, van 21 februari 2004 tot april 2005 
  • lid Ambassadeursnetwerk Besturen, vanaf oktober 2004 (bevorderen van deelname van vrouwen in besturen van maatschappelijke en politieke organisaties) 

afgeleide functies, presidia etc.
  • plaatsvervangend lid Presidium (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 19 september 1979 tot 11 september 1981 
  • voorzitter vaste commissie voor de betrekkingen met de Nederlandse Antillen (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 30 juni 1983 tot 1 september 1984 

opleiding

voortgezet onderwijs
  • gymnasium-b, R.K. "Sint Nicolaas Lyceum" te Amsterdam, tot 1955 

academische studie
  • sociologie: onderwijs-sociologie, Katholieke Universiteit Nijmegen, van 1955 tot mei 1960 (cum laude) 

promotie
  • sociale wetenschappen, Katholieke Universiteit Nijmegen, 10 mei 1968 

eredoctoraten
  • pedagogische wetenschappen, Rijksuniversiteit Gent, 15 maart 1991 

activiteiten

als parlementariër
  • Was vanaf 1977 woordvoerder algemeen onderwijsbeleid van de PvdA-Tweede Kamerfractie. Hield zich verder bezig met wetenschapsbeleid, Koninkrijkszaken en het functioneren en de organisatie van de Tweede Kamer en was in 1981 woordvoerder bij de behandeling van het wetsvoorstel Kaderwet Specifiek Welzijn. 
  • Diende in 1978 met zijn fractiegenoten Stan Poppe en Joop Worrell een initiatiefwetsvoorstel in om medezeggenschap in het onderwijs te regelen. Dit voorstel werd in 1981 door de Tweede Kamer verworpen. 
  • Interpelleerde op 15 februari 1979 minister Pais over de problemen rond de open-school 
  • Diende in 1980 samen met zijn fractiegenoten Piet Stoffelen en David van Ooijen een initiatiefwetsvoorstel in waardoor het raadslidmaatschap werd opengesteld voor onderwijsgevenden aan gemeentescholen. Dit voorstel werd in 1982 wet. 
  • Diende in 1981 samen met zijn fractiegenoten Wim Meijer en Joop Worrell een initiatiefwetsvoorstel in inzake voorzieningen voor de opleiding van volwasseneneducatie (Kaderwet volwasseneneducatie). In 1981 nam Jacques Wallage, met Worrell, de verdediging van dit uitgebreide voorstel over. Na beëindiging van zijn ministerschap werd hij wederom de eerste ondertekenaar en bracht het voorstel met Worrell en Wallage in 1985 in het Staatsblad. De wet regelt de vorming en opleiding van volwassenen die gericht is op de bevordering van de persoonlijke ontplooiing en van het maatschappelijk functioneren van volwassenen door ontwikkeling van kennis van sociale, culturele, technische en huishoudelijke vaardigheden. Jaarlijks moet de minister een plan indienen over de stand van zaken van de volwasseneneducatie. Er komt een landelijk ontwikkelingscentrum en een educatief centrum. 
  • Interpelleerde op 29 januari 1981 staatssecretaris Hermes over het openbaar maken van het voorontwerp van wet op de onderwijsverzorging 

opvallend stemgedrag
  • Behoorde in 1980 tot de minderheid van zijn fractie die vóór een Nederlandse boycot van de Olympische Spelen in Moskou was 

als bewindspersoon (beleidsmatig)
  • Stelde in december 1973 de Innovatiecommissie middenschool in, die experimenten met de middenschool moet begeleiden 
  • Bracht in 1974 beleidsvoornemens uit betreffende het twee vakken-systeem van de Nieuwe Lerarenopleiding. Studenten moeten een hoofd- en bijvak kiezen, maar krijgen wel een dubbele onderwijsbevoegdheid. De eerste Nieuwe Lerarenopleidingen gaan in 1977 van start. (12.376, nr. 5) 
  • Stelde in mei 1974 de Interdepartementale Werkgroep Regeling Rijksuitkeringen Kleuter- en Lager Onderwijs in (werkgroep-Londo), die onderzoek moest doen naar de problemen met betrekking tot de uitgaven van het kleuter- en lager onderwijs en naar de van rijkswege te verstrekken vergoedingen 
  • Bracht in 1974 samen met staatssecretaris Klein de Nota Studiefinanciering uit. Het totale bedrag aan studiefinanciering blijft onveranderd, maar er zal een verschuiving plaatsvinden ten gunste van studenten uit lagere inkomensgroepen. Er komt een basisbeurs die gelijk is aan het bedrag van de kinderbijslaguitkering en kinderaftrek in de inkomstenbelasting. Uitwonende studenten krijgen een hogere beurs dan thuiswonende. Daarnaast kunnen rentedragende leningen onder staatsgarantie worden afgesloten. (12.778) 
  • Bracht in 1974 het beleidsplan voor het onderwijs aan groepen in achterstandsituaties uit. Hierin wordt invoering van onderwijsstimuleringsbeleid voor kinderen in achterstandssituaties aangekondigd. (13.240) 
  • Bracht in 1974 de Nota "de groepsgrootte in het onderwijs" uit. Hierin wordt verlaging van de klassen in het kleuter- en lager-onderwijs aangekondigd. De verlaging werd per 1 augustus 1977 doorgevoerd. (13.241) 
  • Stelde in 1975 de Stichting Leerplanontwikkeling in. Dit is een overkoepelend orgaan voor diverse adviescommissies leerplanontwikkeling die per vak adviseren over het leerplan. De SLO wordt in Enschede gevestigd. (13.246) 
  • Stelde in 1974 samen met minister Van Doorn de Commissie Open School in en in 1975 de Commissie Bevordering Plaatselijke Educatieve Netwerken. Er werden proefprojecten gestart met tweedekansonderwijs. 
  • Bracht in 1975 samen met staatssecretaris Klein de Nota 'Planning van het Hoger Onderwijs' uit. Hierin wordt uiteengezet hoe de opbouw van het planningsysteem weer in gang is gezet. 
  • Bracht in 1975 de nota "Naar het participatie-onderwijs" uit, waarin de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de ontwikkeling van nieuwe onderwijsmogelijkheden voor werkende jongeren werden geschetst. Ingegaan wordt onder meer op de integratie van het vormingswerk en het beroepsbegeleidend onderwijs, de functie van de stage, de koppeling van leerovereenkomst en arbeidsovereenkomst, de rol van bedrijfsleven en overheid, de problematiek van samenwerking van scholen en instituten met afwijkende levensbeschouwing en de regionale organisatiestructuur. (13.415) 
  • Bracht in 1975 samen met de staatssecretarissen Veerman en Klein de Nota 'Contouren van een toekomstig onderwijsbeleid' (de zgn. Contourennota) uit. Daarin wordt onder meer de invoering van een basis- en middenschool voorgesteld. De nota is bedoeld als discussiestuk over het onderwijs in de komende 25 jaar. Na commentaren uit het onderwijsveld moet een tweede versie verschijnen. Het voorgestelde onderwijsstelsel gaat uit van een basisschool voor vier- tot twaalfjarigen, gevolgd door een vierjarige middenschool. Daarna volgt een bovenschool met een twee-, drie- of vierjarige opleiding. Dit kan voorbereidend onderwijs zijn voor het wetenschappelijk onderwijs of hoger-beroepsonderwijs of diverse vormen van voortgezet beroepsonderwijs. Er moet tweede-weg- en kansonderwijs komen voor mensen die al werken of zich later verder willen scholen. (13.432) 
  • Bracht in 1975 samen met staatssecretaris Klein de Nota 'Hoger onderwijs in de toekomst' uit. Hierin staat de mogelijke ontwikkeling op lange termijn en de aanzetten voor de eerstvolgende jaren. De nota gaat uit van de verwachting dat de komende 25 jaar de behoefte aan hoger onderwijs toeneemt. Er moet daarom één stelsel van hoger onderwijs komen, met daarin vier typen van programma's: voorbereiding van wetenschappelijke onderzoekers, voorbereiding van beroepen waarvoor wetenschappelijke vorming vereist is, voorbereiding voor beroepen die specifieke wetenschappelijke kennis vereisen, en algemeen toepasbare programma's. Er komen instellingen van wetenschappelijk onderwijs en instellingen van hoger-beroepsonderwijs. Ook de technische hogescholen en de landbouw-hogeschool worden universiteit. De wederzijdse doorstroming van hbo en w.o. zal worden bevorderd. (13.733) 
  • Bracht in 1976 de Beleidsnota Nascholing aan onderwijsgevenden uit. Er moet een meerjarenplan voor nascholing aan onderwijsgevenden. Er komen adviesraden voor de nascholing bij het kleuter- en lager onderwijs en voor het voortgezet onderwijs. De kosten voor nascholing komen grotendeels voor rekening van de overheid. Alleen als nascholing tot een extra onderwijsbevoegdheid leidt, zal een eigen bijdrage worden gevraagd. Nascholing moet plaatsvinden tijdens werktijd. 
  • Bracht in 1977 samen met staatssecretaris Klein de Nota Open Universiteiten uit. Daarin wordt uitbreiding van het aanbod van deeltijd hoger onderwijs voorgesteld, waardoor iedereen die eerder niet in de gelegenheid was alsnog een mogelijkheid moet worden geboden die vorm van onderwijs te volgen. Een commissie-De Moor moest adviseren over organisatorische opzet, onderwijskundige vormgeving en financiering. (14.400) 
  • Bracht in 1977 samen met staatssecretaris De Jong de Nota speciaal onderwijs uit. Er wordt een aparte wet aangekondigd voor onderwijs aan kinderen met een handicap. De term buitengewoon onderwijs verdwijnt en wordt vervangen door speciaal onderwijs. Het streven is om kinderen zo veel mogelijk onderwijs te geven in reguliere scholen voor basis- en voortgezet onderwijs. Daarvoor moeten extra (financiële) middelen komen. (14.415) 
  • Bracht in 1977 samen met staatssecretaris De Jong de Vervolgnota Contouren van een toekomstig onderwijsbeleid uit (14.425) 
  • Diende in 1977 een ontwerp-Wet op het basisonderwijs in, waardoor kleuter- en basisonderwijs geïntegreerd zouden worden. Zijn opvolger bracht de wet in het Staatsblad. (14.428) 
  • Verhoogde in 1981 de door zijn voorganger Pais ingediende begroting voor 1982 met per saldo f 97 miljoen (f 36 miljoen extra bezuinigingen en f 133 miljoen investeringen). Bezuinigingen zijn er op academische ziekenhuizen en universiteiten, tevens worden examen- en cursusgelden verhoogd. Er komt meer geld voor onder meer onderwijsvoorrangsbeleid, emancipatie en volwassenenonderwijs. 
  • Diende in 1982 samen met staatssecretaris Deetman de Nota 'Verder na de basisschool' in over de eerste drie jaar van het voortgezette basisonderwijs (middenschool). Deze vorm van vervolgonderwijs na de basisschool geldt voor iedereen en moet drie jaar duren en kan in bepaalde gevallen met een jaar worden verlengd. In een tweede fase kan worden gekozen uit beroepsonderwijs, algemeen onderwijs en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. 

als bewindspersoon (wetgeving)
  • Bracht in 1974 een omvangrijke technische herziening van de Lager-onderwijswet en de Kleuteronderwijswet in het Staatsblad (Stb. 271). Die herziening betrof vooral de wijziging van bekostiging. Verder werd de vijfdaagse schoolweek wettelijk vastgelegd en werd het Fries als verplicht vak op de lagere scholen in Friesland ingevoerd. De herziening was in 1969 ingediend door staatssecretaris Grosheide en in 1973 in de Tweede Kamer verdedigd door minister Van Veen. (10.384) 
  • Bracht in 1975 een wijziging (Stb. 387) van de Leerplichtwet tot stand, waarbij de leerplicht werd verlengd van 9 naar 10 jaar. Ook 15-jarigen zijn hierdoor leerplichtig; voor 16-jarigen wordt de partiële leerplicht verlengd van één naar twee dagen per week. (13.410) 
  • Bracht in 1975 een wijziging (Stb. 391) van de Kleuteronderwijswet tot stand, waardoor voor het kleuteronderwijs geen schoolgeld meer wordt geheven en kinderen twee maanden voor hun vierde jaar kleuteronderwijs kunnen gaan volgen (13.394) 
  • Bracht in 1975 samen met staatssecretaris Klein de Wet Herstructurering wetenschappelijk onderwijs (Stb. 656) tot stand. Deze had als uitgangspunt verkorting van de doctorale opleiding van alle studenten en een uitbreiding van de mogelijkheden tot wetenschappelijk onderzoek na het doctoraal examen. Door de kortere opleiding moest ook de inschrijvingsduur worden teruggebracht. Er zou een assistent-onderzoekerschap komen. Zowel in de propedeuse als doctorale fase was één jaar overschrijding toegestaan. De mogelijkheden voor post-academisch onderwijs werden uitgebreid. Er moest nauwere samenhang komen tussen wetenschappelijk en hoger-beroepsonderwijs. Het wetsvoorstel was in 1971 door minister Veringa ingediend. De wet werd in 1981 door minister Pais gewijzigd (wetsvoorstel 16.106) en als Wet twee-fasenstructuur wetenschappelijk onderwijs ingevoerd. (11.281) 

als (in)formateur
  • Werd op 10 september 1982 gevraag de mogelijkheden te onderzoeken van de vorming van een kabinet, dat zich verzekerd zou weten van een brede, dan wel zo breed mogelijke steun in de volksvertegenwoordiging. Voerde overleg met de fractievoorzitters van PvdA, CDA en VVD om te bezien of een regeringscombinatie van PvdA en CDA dan wel PvdA en VVD mogelijk zou zijn. Op 16 september 1982 liet VVD-fractievoorzitter Nijpels weten een onderzoek van de combinatie PvdA-VVD niet zinvol te vinden. Vanwege tegenstellingen over met name het financieel-economisch beleid en de kernbewapening trok Van Kemenade op 30 september de conclusie dat er evenmin een basis was voor een kabinet van PvdA en CDA. Velen beschouwden de informatieronde als een 'rituele dans', die alleen voortvloeide uit feit dat de PvdA bij de verkiezingen de grootste partij was geworden. 

wetenswaardigheden

algemeen
  • Was in november 1972 kandidaat-minister van Onderwijs in het deelkabinet-Den Uyl/Van Mierlo 
  • Behoorde in 1982 tot de voornaamste kandidaten voor de opvolging van Den Uyl als partijleider van de PvdA 
  • In juli 1991 bracht een partijcommissie die onder zijn leiding stond een rapport uit over de partijorganisatie. Op basis hiervan wordt besloten de besluitvorming in de partij en de kandidaatstelling meer te centraliseren en de rol van de gewesten te beperken. 
  • Van juni tot september 1997 afwezig als Commissaris van de Koningin in verband met een operatie aan de aorta 

uit de privésfeer
  • Promotor was Prof. E.J. Leemans 
  • Zijn vader was boekhouder 

niet-aanvaarde politieke functies
  • minister van Binnenlandse Zaken, november 1989 (geweigerd op medische gronden) 
  • minister van Binnenlandse Zaken, augustus 1994 (geweigerd op medische gronden) 

woonplaats
Heiloo

ridderorden
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 11 april 1978 
  • Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, 9 september 1982 

overige onderscheidingen en prijzen
  • zilveren penning, provincie Noord-Holland, maart 2002 
  • Zilveren medaille, stad Amsterdam, maart 2002 

publicaties/bronnen

publicaties
  • "De katholieken en hun onderwijs" (dissertatie, 1968) 
  • "Als de smalle weegbree bloeit. Opstellen over onderwijs en onderwijsbeleid" (1979) 
  • "Onderwijs, bestel en beleid" (1981) 
  • "Vragen staat vrij" (1981) 
  • "Over onderwijs gesproken" (1983) 
  • Co-auteur van "Om een werkbare toekomst" (samen met Wöltgens en Ritzen) 
  • "Geloven in de Oogst. Opstellen over onderwijs, politiek en openbaar bestuur" (1991) 
  • "Vanuit Eindhoven belicht" (1992) 
  • "Ceders in de tuin. Over onderwijsbeleid voor allochtonen" (1992) 
  • "Democratie als opgave" (2002) 
  • "Wakken in het kroos" (2003) 

literatuur/documentatie
  • Y. van Baarle (red.), "De aanhoudende zorg van Jos van Kemenade: Zijn denkbeelden over onderwijs en onderwijsbeleid, verwoord tijdens kamerbehandelingen, redevoeringen, interviews en dergelijke" (Amsterdam, 1976) (met een voorwoord van Wouter Gortzak) 
  • Cees Banning en Bas Blokker, "De oplossingen van Jos van Kemenade" in: NRC Handelsblad, 15 april 2002 
  • H. Visser, "Wie is Wie in de Tweede Kamer?" (1983) 

archivalia via site Nationaal Archief
vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief

familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm
gehuwd, 16 mei 1961

kinderen
2 zoons en 1 dochter

vader
E.A.M. van Kemenade, Everardus Albertus Maria

moeder
M. Obée, Margaretha

beroep grootvader (vaderskant)
timmerman

beroep grootvader (moederskant)
arbeider broodfabriek

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan het biografisch archief van het Parlementair Documentatiecentrum (PDC) van de Universiteit Leiden en betreffen vooral de periode waarin iemand politiek en bestuurlijk actief is of was.
Aanvullingen en gemotiveerde correcties ontvangt PDC graag. U kunt hiervoor de "reageer-keuze" aan de rechterzijde van deze pagina gebruiken of uw aanvullingen per post sturen naar PDC, antwoordnummer 10801, 2501 BW Den Haag of per email aan info@biografieen.com.