Afwijkend stemgedrag in de Tweede Kamer

Sinds er eind negentiende/begin twintigste eeuw in de Tweede Kamerfracties zijn ontstaan, kunnen we spreken van afwijkend of dissident stemgedrag. Daarbij stemt één lid of een een deel van een fractie anders dan de meerderheid.

Afwijkend stemgedrag kwam aanvankelijk regelmatig voor, maar het nam zeker na 1970 steeds meer af. Er waren altijd al verschillen per fractie. Bij de CHU kwam het vaak voor, bij bijvoorbeeld de VVD nauwelijks. Tegenwoordig komt afwijkend stemgedrag nog slechts bij hoge uitzondering voor. In enkele gevallen leidde afwijkend stemgedrag tot ministers- of kabinetscrises en soms was het de inleiding tot afsplitsingen.

Verdeeld stemmen kwam in het verleden vooral voor bij enkele specifieke onderwerpen (vooral kernbewapening en medisch-ethische zaken) en meer bij moties dan bij wetsvoorstellen.

Inhoudsopgave van deze pagina:


1.

Eerste helft van de 20e eeuw

In de eerste decennia van de 20e eeuw waren er al wat duidelijker verbanden (fracties) zichtbaar in de Tweede Kamer. Met name ARP en SDAP waren goed georganiseerd, terwijl ook de katholieken een eigen club hadden. ARP en katholieken kregen al direct met dissidenten te maken. De antirevolutionair Staalman bleef buiten de AR-club en hetzelfde gold enige jaren voor de katholieke arbeidersafgevaardigde Passtoors.

Hoewel er partijen waren ontstaan, die ook een programma opstelden, bleven er verschillen in stemgedrag. De sociale- en arbeidswetgeving van minister Talma (ARP) werd bijvoorbeeld deels gedwarsboomd door zijn eigen geestverwanten en door een deel van de katholieke fractie.

Een belangrijk aspect bij de fractievorming was ook het overleg tijdens kabinetsformatie. In de negentiende eeuw kwam dat bij de liberalen al sporadisch voor (zonder al te veel succes overigens), maar met name de fracties van ARP en katholieken speelden al in 1901 en 1908 een belangrijke rol bij de vorming van een nieuw kabinet. Van directe binding tussen fracties en kabinet was echter nog geen sprake.

In 1913 nodigde de koningin voorzitters van Kamerfracties (onder wie Troelstra) uit om haar te adviseren over de kabinetsvorming.

De vorming van het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck kwam in nauw overleg met de fracties van ARP, RKSP en CHU tot stand en dat was eveneens het geval met de opvolgende kabinetten in 1922 en 1925.

2.

Afwijkend stemgedrag tijdens het Interbellum

De band die zo ontstond tussen fracties en kabinet betekende nog niet dat fracties altijd de 'eigen' bewindsman of het 'eigen' kabinet steunden. In 1919 moest minister Bijleveld (ARP) van Marine aftreden, nadat een deel van de ARP-fractie tegen zijn begroting had gestemd. In 1921 leidde dissident-stemgedrag zelfs tot een tijdelijke kabinetscrisis.

In 1923 stemden tien katholieken tegen de omstreden ontwerp-Vlootwet, waardoor dat voorstel met 50 tegen 49 stemmen werd verworpen en het kabinet viel. In 1925 stemden naast de CHU-fractie twee ARP-Kamerleden vóór het amendement-Kersten over schrappen van de gelden door het gezantschap bij de paus, waardoor het kabinet-Colijn viel.

Het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Verdrag met België leidde in 1927 tot verdeeldheid in vrijwel alle partijen en fracties.

Ten tijde van de kabinet-Colijn in de jaren dertig waren er bij de katholieken soms enkelen die op onderdelen tegen het financieel-economische beleid stemden.

3.

Na 1945

In de eerste naoorlogse jaren was met name het dekolonisatiebeleid omstreden. In de PvdA bestonden grote bezwaren tegen het militaire ingrijpen. Bij de KVP waren enkelen daarentegen vóór een hardere aanpak. In 1946 stemde bijvoorbeeld één KVP-lid tegen een motie van zijn eigen fractievoorzitter over het Akkoord van Linggadjati.

De Soevereiniteitsoverdracht werd slechts met krappe meerderheid aanvaard, omdat een deel van de CHU-fractie (een regeringsfractie) daar tegen stemde.

Ook in latere jaren (bij de Nieuw-Guineakwestie) bleef dissident-stemgedrag voorkomen. Zo stemden enkele ARP'ers tegen de overdracht van Nieuw-Guinea aan de VN en waren eveneens de KVP'ers Van Rijckevorsel en Moorman, alsmede de in 1955 in de KVP teruggekeerde Welter, daar tegen. Bij de PvdA nam Scheps op dit punt een afwijkend standpunt in.

De PvdA had vanaf eind jaren vijftig tevens enkele zogenaamde atoompacifisten in haar fractie (onder anderen Fedde Schurer en Jo Koopman), die steeds tegen (onderdelen van) de defensiebegroting stemden.

Overigens kwam, behalve bij de CHU, afwijkend stemgedrag slechts in uitzonderlijke gevallen voor. De Leidse wetenschapper Visscher meldt in zijn proefschrift over parlementaire activiteiten in de periode 1963-1986 dat bij de KVP slechts in één procent van alle stemmingen afwijkend stemgedrag voorkwam.

Dat nam niet weg dat juist bij de KVP in 1966 in de Nacht van Schmelzer vier leden tegen de door hun fractievoorzitter Schmelzer ingediende motie stemden. Daarmee werd de kiem gelegd voor de scheuring in de KVP van 1968, waaruit de PPR zou ontstaan.

4.

Specifieke onderwerpen

Naast de dekolonisatiepolitiek, waarover met name in de KVP afwijkende opvattingen bestonden en waarover de CHU ernstig verdeeld was, waren er enkele onderwerpen die steeds tot afwijkend stemgedrag leidden.

In de jaren zeventig en tachtig was dat bijvoorbeeld het geval bij de vredes- en veiligheidspolitiek. Een deel van de PvdA-fractie was kritisch over het Nederlandse lidmaatschap van de NAVO en een deel van de CDA-fractie maakte bezwaren tegen verdere kernbewapening.

De nasleep van de Tweede Wereldoorlog leidde in 1972 en 1989 tot verdeeldheid in vrijwel alle fracties. In beide jaren betrof het het voornemen om drie (later twee) tot levenslang veroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers vrij te laten.

Ook ethische vraagstukken zoals de regeling van abortus, euthanasie en het homohuwelijk leidden tot verdeeldheid in sommige fracties.

5.

Per partij: KVP

Behalve over de Nieuw-Guineapolitiek was de KVP-fractie ook verdeeld over de omroep-politiek. Een deel van de fractie steunde in 1963 een motie van de VVD om een nieuw commercieel tv-net mogelijk te maken. In hetzelfde jaar stemden enkele KVP-leden, onder wie KRO-voorzitter Van Doorn, vóór een motie die zich richtte tegen het kabinetsbesluit om een KRO-uitzending met de Franse dissident Bidault te verhinderen.

In de jaren zestig was er (vrij grote) verdeeldheid over de instelling van Openbaar Lichaam Rijnmond en over de vorming van een nieuwe gemeente Bijlmer. Ook over de beperking van de toegang tot enkele universitaire studies was de KVP-fractie verdeeld. In 1969 keerden tien (vooral Brabantse) KVP'ers zich tegen vestiging van een nieuwe universiteit in Maastricht, omdat zij een voorkeur hadden voor Eindhoven of Tilburg.

Enkele keren was er afwijkend stemgedrag van leden die tot de zgn. vakbondsvleugel behoorden. Begin jaren '60 verzette KVP-Kamerlid Weijters, voorzitter van de Katholieke Ambtenarenbond, zich tegen maatregelen in de sfeer van de ambtenarensalarissen. In 1970 stemden onder andere de NKV-bestuurders Van Schaik, Hermsen en Weijters tegen de Wet op de loonvorming die ingrijpen in de lonen mogelijk maakte.

In 1972 stemden enkele leden tegen de verhoging van het collegegeld.

Tijdens het kabinet-Den Uyl was een deel van de KVP-fractie tegen de aanleg van de pijlerdam in de Oosterschelde, vóór beperking van de huurstijging en tegen een motie-Kosto om vrouwen en mannen meer gelijke rechten te geven. Twee leden (Bremen en Hutschemaekers) stemden in 1976 vóór een motie van afkeuring van de oppositie.

6.

Per partij: ARP

In de jaren vijftig trad Gerbrandy geregeld onafhankelijk op, zowel door andere opvattingen uit te dragen als door afwijkend stemgedrag.

De ARP-fractie kende net als de KVP een vakbondsvleugel. In 1960 verzetten drie leden die daartoe behoorden, Van Eibergen, Van Nierop en Hazenbosch, zich - anders dan de meerderheid - tegen de loonpolitiek van het kabinet-De Quay. In 1970 waren Boersma en Van Leeuwen tegen het ingrijpen in de lonen door ARP-minister Roolvink.

Er was eveneens sprake van een onmiskenbare rechtervleugel, waarvan aanvankelijk ook Willem Aantjes deel uitmaakte. Die rechtervleugel stemde tegen de Algemene Bijstandswet, tegen invoering van een sociaal minimum en tegen steun aan de anti-apartheidsbeweging.

Verdeeld werd er begin jaren zestig door de AR-fractie ook gestemd bij enkele belangrijke wetsvoorstellen, zoals de Mammoetwet, de Loterijwet (Biesheuvel stemde daar als enige vóór) en de Drank- en Horecawet.

7.

Per partij: CHU

Bij de CHU kwam verdeeld stemmen regelmatig voor, vooral in de jaren vijftig en zestig. Freule Wttewaall van Stoetwegen steunde bijvoorbeeld de motie-Tendeloo over opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de vrouw. In de jaren '70 namen onder andere Van Leijenhorst en Tolman soms behoudender standpunten in dan de meerderheid.

8.

Per partij: CDA

Verdeeldheid in de CDA-fractie kwam vooral tot uiting bij stemming op het gebied van de buitenlandse politiek.

In 1978 gaf een minderheid van de fractie (enkele voormalige CHU'ers, maar ook bijvoorbeeld Hans van den Broek) geen steun aan een motie-Terlouw die zich keerde tegen introductie van de Neutronenbom.

Een deel van de fractie keerde zich tegen (verdere) kernbewapening. Daartoe behoorden onder andere De Boer, Scholten en Laning-Boersema. Een groter deel (o.a. Couprie, De Kwaadsteniet, Faber, Beinema) steunden moties die zich keerden tegen plaatsing van kruisraketten in Nederland.

In 1980 steunde enkele CDA'ers een (verworpen) voorstel om een olieboycot tegen Zuid-Afrika in te stellen. Ook het opzeggen van het culturele verdrag met dat land leidde tot dissident stemgedrag.

Twee leden (Couprie en Van Leijenhorst) keerden zich in 1980 tegen de liberalere abortuswet. Van Leijenhorst stemde ook tegen de anti-discriminatiewet en tegen de regeling van euthanasie in 1993. De instelling van het homohuwelijk kreeg juist wel weer steun van enkele CDA-leden, onder wie Joop Wijn.

In 2007 stemden drie fractieleden tegen een wetsvoorstel om adoptie door ouders van gelijk geslacht mogelijk te maken.

9.

Per partij: PvdA

Ook bij de PvdA was de buitenlandse politiek vaak reden tot verdeeld stemmen. Eind jaren zestig steunde een deel van de fractie een motie waarin om steun aan Noord-Vietnam en erkenning van de DDR werd gevraagd. Verder steunde een minderheid een motie van de PSP die aandrong op opzegging van het NAVO-verdrag.

Enkele PvdA'ers wezen (verdere) kernbewapening af en sommigen van hen stemden stelselmatig tegen onderdelen van de defensiebegroting.

Ernstige verdeeldheid was er in 1980 bij de vraag of Nederland een boycot moest instellen van de Olympische Spelen in Moskou. In 1986 stemden liefst tien PvdA-Kamerleden tegen de leverantie van onderzeeboten aan Saoedi-Arabië. Later keerden enkele PvdA'ers zich tegen Nederlandse deelname aan de Golfoorlog.

Op het medisch-ethisch gebied waren er bij ook bij de PvdA soms dissidenten. In 1976 stemde één lid tegen het PvdA/VVD-initiatiefvoorstel over abortus en later stemde het lid Apostolou tegen het homohuwelijk en tegen regeling van de euthanasie. Van der Vaart stemde in 1993 als enige tegen de Euthanasiewet van het kabinet-Lubbers/Kok.

Een kleine linkervleugel (Drenth, Poppe) verzette zich tijdens het kabinet-Den Uyl tegen loonmaatregelen. De Wet arbeid buitenlandse werknemers werd door een iets groter deel van de PvdA-fractie afgewezen. Later keerden de leden Moor en De Visser zich tegen voorstellen op sociaal gebied van het kabinet-Lubbers/Kok.

Tijdens de Paarse kabinetten werd er onder meer verdeeld gestemd over de privatisering van de Ziektewet (waar Ruud Vreeman en José Smits tegen waren), in de kwestie-Gümüs, bij de Invoering van de prestatiebeurs en bij de uitvoeringswet van het Verdrag van Schengen. Na de enquêtecommissie-Bijlmermeer was er afwijkend stemgedrag van Oudkerk en Van Gijzel. Zij steunden, anders dan de meerderheid, een door de oppositie ingediende motie van afkeuring.

Bij de besluitvorming over Nederlandse deelname aan missies in Irak en Afghanistan stemde steeds één lid anders dan de meerderheid.

In 2004 stemden enkele leden tegen het voorstel om de kroonbenoeming van burgemeesters uit de Grondwet te halen. Lutz Jacobi stemde in 2013 als enige tegen een motie over aanschaf van de JSF en in 2014 stemde Selçuk Öztürk als enige vóór een SP-motie over de mogelijke nadelige gevolgen van accijnsverhoging voor pomphouders in de grensstreek.

Jacques Monasch stemde in 2015 als enige voor een initiatiefvoorstel over een zwaardere eis voor aanvaarding van goedkeuring van EU-verdragen en in 2016 voor een motie-Van Bommel over spoedige intrekking van de goedkeuringswet voor het EU-associatieverdrag met Oekraïne.

10.

Per partij: VVD

Van de sporadische keren dat de VVD-fractie verdeeld stemde, kunnen worden genoemd: een motie over het rechtspersoonlijkheid verlenen aan het COC, een motie-Van der Stoel over de bombardementen op Vietnam en een amendement over het recht van een verdachte om te zwijgen tijdens de voorlopige hechtenis.

Bij een wetsvoorstel tot invoering van de voetbaltoto stemde in 1960 een deel (onder wie Oud) tegen van de fractie tegen een onder anderen door Berkhouwer ingediend amendement om de maximumprijs te verdubbelen. Tegen het wetsvoorstel zelf stemde alleen Geertsema.

De liberalisering van de Opiumwet in 1976 waardoor een onderscheid zou worden gemaakt tussen soft- en harddrugs was voor enkele VVD-leden onaanvaardbaar. Zij stemden, anders dan de meerderheid, tegen het betreffende wetsvoorstel.

In de discussie in 1985 over het niet verlenen van de P.C. Hooftprijs aan de satiricus Brandt Cortius weken enkele leden van de fractielijn. Deze minderheid vond dat de minister zich ten onrechte met deze prijsverlening had bemoeid.

Erica Terpstra stemde in 2001 als enige van haar fractie vóór aanscherping van de Tabakswet.

Onderwijs-woordvoerder Cornielje stemde in 2004 als enige tegen moties die aandrongen op het bemoeilijken van de stichting van islamitische scholen. In 2015 stemde Joost Taverne als enige van zijn fractie vóór een (verworpen) motie tegen het derde steunpakket voor Griekenland.

11.

Per partij: D66, PPR, GroenLinks, SP

Bij D66 kwam verdeeld stemmen slechts enkele voor. Een deel van de fractie keerde zich tegen de wetjes die radio-uitzendingen vanaf de Noordzee moeilijker moesten maken. Enkele leden keerden zich verder tegen uitbreiding van de reclamezendtijd op tv. In de abortuskwestie week één lid af van de meerderheid.

Marijke Augusteijn, lid van de enquêtecommissie Bijlmermeer, ondersteunde als enige van haar fractie een motie van afkeuring.

In 2003 stemde één lid (Giskes) tegen uitzending van Nederlandse militairen naar Irak.

Bij CPN en PSP kwam verdeeld stemmen niet voor, en dat gold eveneens voor SGP, GPV, RPF en ChristenUnie, en voor de SP. Bij de PPR keerden twee leden zich in 1976 tegen de loonmaatregel en stemde De Gaay Fortman tegen het initiatiefvoorstel over abortus.

De fractie GroenLinks stemde vrijwel nooit verdeeld. Wel stemden enkele GroenLinks-Kamerleden tegen het wetsvoorstel over het verlenen van toestemming aan prins Willem-Alexander om met Máxima te trouwen.

Bij de SP stemde de fractie altijd in unanimiteit.

12.

Per partij: PVV

Ook voor de PVV-fractie geldt dat die vrijwel altijd eensgezind stemt. Als enige stemde in 2011 Wim Kortenoeven tegen het initiatiefwetsvoorstel-Thieme over het ritueel slachten.


Meer over

J.Th.J. van den Berg, " Was de CHU wel zo achterlijk " (column, 8 augustus 2014)

J.Th.J. van den Berg, " De noodzaak van fractiediscipline " (column, 6 september 2013)

Bent u als journalist of wetenschapper op zoek naar statistische gegevens over moties, stemgedrag, Kamervragen of andere parlementaire activiteiten? PDC, partner van het Montesquieu Instituut, kan deze gegevens onder voorwaarden beschikbaar stellen voor wetenschappelijk onderzoek en journalistieke publicaties. Neem voor meer informatie contact op.

Op bovenstaande tekst en gegevens zijn auteursrechten van PDC van toepassing; overname, in welke vorm dan ook, is zonder expliciete goedkeuring niet toegestaan. Ook de afbeeldingen zijn niet rechtenvrij.