Jhr.Mr. D.J. (Dirk) de Geer

foto Jhr.Mr. D.J. (Dirk) de Geervergrootglas Belangrijk staatsman in de eerste helft van de twintigste eeuw. Diverse malen Tweede Kamerlid, en tevens raadslid in Rotterdam, gedeputeerde van Zuid-Holland en burgemeester van Arnhem. Stond in de CHU aanvankelijk als vooruitstrevend te boek. Tussen 1921 en 1940 enkele malen minister, vooral van Financiën. Een belangrijk wetgevend succes was zijn Financiële-Verhoudingswet. In 1939 leider van het eerste kabinet met sociaaldemocraten. Moest zijn langdurige politieke loopbaan in 1940 gedesillusioneerd beëindigen, omdat koningin Wilhelmina het vertrouwen in hem verloor vanwege zijn volgens haar te defaitistische houding. Na de oorlog werd hem de titel 'minister van staat' ontnomen. Harde werker en scherpzinnig jurist, maar solistisch en tamelijk wereldvreemd. Verloor zich vaak in detailkwesties en was erg overtuigd van eigen gelijk.

CHP, CHU
in de periode 1907-1940: lid Tweede Kamer, fractievoorzitter TK, minister, minister-president, minister van staat

voornamen (roepnaam)

Dirk Jan (Dirk)

personalia

geboorteplaats en -datum
Groningen, 14 december 1870

overlijdensplaats en -datum
Soest, 27 november 1960

begraafplaats en -datum
Jutphaas, 1 december 1960

levensbeschouwing
Hervormd: midden-orthodox

partij/stroming

partij(en)
  • CHK (Christelijk-Historische Kiezersbond), tot 16 april 1903 (mogelijk alleen lid CH-kiesvereniging)
  • CHP (Christelijk-Historische Partij), van 16 april 1903 tot 9 juli 1908
  • CHU (Christelijk-Historische Unie), vanaf 9 juli 1908

hoofdfuncties en beroepen

  • redacteur C.H.-dagblad "De Nederlander", van 1892 tot 1908
  • lid gemeenteraad van Rotterdam, van 12 september 1901 tot 20 februari 1908
  • lid Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 2 juli 1902 tot 8 mei 1920 (1902-1919 voor het kiesdistrict Ridderkerk)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 4 november 1907 tot 30 augustus 1921 (1907-1918 voor het kiesdistrict Schiedam)
  • lid Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, van 11 februari 1908 tot 8 mei 1920
  • burgemeester van Arnhem, van 8 mei 1920 tot 28 juli 1921 (benoemd bij K.B. van 8 maart 1920)
  • minister van Financiën, van 28 juli 1921 tot 11 augustus 1923
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 juli 1922 tot 18 september 1922
  • minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, van 4 augustus 1925 tot 8 maart 1926
  • minister van Financiën, van 8 maart 1926 tot 26 mei 1933
  • voorzitter van de ministerraad, van 8 maart 1926 tot 8 augustus 1929
  • fractievoorzitter CHU Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 28 april 1933 tot 10 augustus 1939
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 9 mei 1933 tot 10 augustus 1939
  • lid Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 2 juli 1935 tot 10 augustus 1939
  • minister van Financiën, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940
  • minister van Algemene Zaken ad interim, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940
  • voorzitter van de ministerraad, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940

ambtstitel
  • minister van staat, van 31 augustus 1933 tot 12 november 1947 (titel ontnomen)

partijpolitieke functies

  • lid partijbestuur CHU, tot 1914
  • lid partijbestuur CHU, van 1918 tot 1921
  • penningmeester CHU, van juni 1924 tot maart 1926
  • politiek leider CHU, van 8 juli 1929 tot 3 september 1940
  • lid hoofdbestuur CHU, van september 1933 tot november 1933
  • voorzitter CHU, van 29 november 1933 tot 10 augustus 1939

lijsttrekkerschap etc.
  • lijsttrekker CHU Tweede Kamerverkiezingen 1933
  • lijsttrekker CHU Tweede Kamerverkiezingen 1937

nevenfuncties

  • lid Staatscommissie inzake de evenredige vertegenwoordiging (Staatscommissie-Oppenheim), van 19 november 1913 tot 25 mei 1914
  • lid Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening, vanaf 25 juni 1916 (nog in 1921)
  • voorzitter commissie tot huldiging van jhr. A.F. de Savornin Lohman vanwege diens 80e verjaardag, juni 1917
  • lid Centraal Stembureau, van 1918 tot 1920
  • lid Staatscommissie inzake algehele herziening der Gemeentewet (Staatscommissie-Oppenheim), van 6 december 1918 tot september 1920
  • lid Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening (Staatscommissie-Ruys de Beerenbrouck), van 20 december 1918 tot 27 december 1920
  • lid Centrale Commissie voor de Statistiek, omstreeks 1920
  • informateur, van 19 juli 1922 tot 22 juli 1922 (geheime opdracht)
  • kabinetsformateur, van 1 maart 1926 tot 4 maart 1926
  • kabinetsformateur, van 4 augustus 1939 tot 9 augustus 1939
  • lid College van Curatoren Rijksuniversiteit Groningen, van 12 september 1935 tot 19 augustus 1939
  • lid Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening (Staatscommissie-De Wilde), van 24 januari 1936 tot 8 juni 1936
  • lid Staatscommissie inzake concentratie van scholen voor bijzonder lager onderwijs, van 4 april 1936 tot 16 december 1936
  • voorzitter Staatscommissie inzake toezicht op particuliere banken, van 7 maart 1937 tot 11 oktober 1939

afgeleide functies, presidia etc.
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van november 1915 tot februari 1915 (voorzitter eerste afdeling)
  • ondervoorzitter van de ministerraad (kabinet-Ruijs de Beerenbrouck III), van 10 augustus 1929 tot 26 mei 1933
  • voorzitter vaste commissie voor de Belastingen (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1935 tot augustus 1939
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1933 tot augustus 1939

opleiding

voortgezet onderwijs
  • Chr. "Marnix Gymnasium" te Rotterdam, tot 1885
  • Stedelijk Gymnasium te Arnhem, van 1885 tot 1889

academische studie
  • rechtswetenschap (gepromoveerd op dissertatie), Rijksuniversiteit Utrecht, van 1889 tot 9 april 1895 (cum laude)

activiteiten

als parlementariër
  • Voerde als Tweede Kamerlid vooral het woord over financiën, pensioenen, binnenlandse zaken (gemeentefinanciën, grondwetszaken), onderwijs en justitiële onderwerpen. Sprak na 1933 ook over onder meer buitenlandse zaken, het Defensiefonds, de Dienstplichtwet, de Winkelsluitingswet en de affaire-Oss.
  • Bracht in 1910 samen met Van der Molen (ARP) een initiatiefwetje tot stand tot herstel van een fout in de overgangsregeling m.b.t. de geldigheid van akten van bekwaamheid voor onderwijzers
  • Diende in 1920 met Van den Tempel (SDAP) en Treub (Vrijheidsbond) een initiatiefwetsvoorstel in inzake maatregelen tegen te zware gemeentelijke belastingdruk. Dit voorstel werd in 1921 ingetrokken.

opvallend stemgedrag
  • In 1907 stemden hij, Lohman en Van Bylandt als enigen van de rechterzijde vóór de (verworpen) begroting van Oorlog
  • Stemde in 1911 als enige van de rechterzijde vóór een motie-Goeman Borgesius waarin om grondwetsherziening werd gevraagd die invoering van algemeen kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging mogelijk moest maken
  • In 1917 stemden hij en Lohman als enigen van hun fractie tegen een motie-Marchant, waarin het besluit van minister Bosboom werd betreurd om de landstormjaarklasse 1908 op te roepen
  • Stemde in 1919 als enige van rechts vóór een (verworpen) motie-Dresselhuys waarin het beleid van minister Bijleveld rond de aanschaf van pantserplaten voor kruisers werd afgekeurd. Hij stemde daarna wel vóór de (verworpen) begroting.
  • Behoorde in 1933 tot de minderheid van zijn fractie die tegen een wetsvoorstel over korting op pensioenen van voormalige Indische ambtenaren stemde

als minister-president
  • Tijdens zijn tweede kabinet werd op 24 augustus 1939 de voormobilisatie en vier dagen later de algehele mobilisatie afgekondigd en op 1 november van dat jaar de staat van beleg
  • Zijn tweede kabinet nam op 13 mei 1940 het besluit om, in navolging van de koningin, uit te wijken naar Zeeland (later werd dit Groot-Brittannië). Van het vertrek van de koningin was het kabinet overigens niet op de hoogte gesteld.

als bewindspersoon (beleidsmatig)
  • In 1928 verwierp de Tweede Kamer een door hem verdedigd wetsvoorstel om de invoerrechten te verhogen op aardewerk, ter bescherming van de keramische industrie
  • Voerde in 1932 samen minister Ruijs de Beerenbrouck bezuinigingen door bij de gemeenten (3% verlaging salarissen gemeentepersoneel)

als bewindspersoon (wetgeving)
  • Bracht in 1922 de Pensioenwet tot stand. Deze regelde de pensioenvoorziening voor ambtenaren van Rijk, gemeente, provincie, waterschappen, Raden van Arbeid, de Rijksverzekeringsbank en Kamers van Koophandel. Ook onderwijspersoneel en beambten van aan de overheid gelieerde bedrijven vielen onder de wet. Pensioen werd uitgekeerd aan ambtenaren vanaf hun 65ste en bij invaliditeit, en aan weduwen en wezen van ambtenaren. De pensioenvoorziening werd ondergebracht in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Dit fonds werd bestuurd door de Pensioenraad.
  • Bracht in 1926 de Bioscoopwet tot stand. Deze wet maakte gemeentelijke voorschriften voor filmvoorstellingen aan personen onder de 18 jaar mogelijk en voerde de mogelijkheid van gemeentelijke nakeuring (naast de verplichte rijkskeuring) van films voor volwassenen in. Verdedigde het wetsvoorstel ook in de Eerste Kamer hoewel hij geen minister van Binnenlandse Zaken meer was.
  • Bracht in 1926 de Motorrijtuigenbelastingwet tot stand, waarbij de wegenbelasting werd ingevoerd waarvan de opbrengsten ten goede kwamen aan het wegenfonds. De belasting werd geheven van motorrijtuigen op grond van het gewicht van de voertuigen. De in 1924 tijdelijk ingestelde rijwielbelasting werd een blijvende retributie.
  • Bracht in 1927 de Comptabiliteitswet tot stand. Hiermee werd uitvoering gegeven aan een grondwettelijke bepaling die al in 1848 was opgenomen. De wet legde het reeds gehanteerde repressieve stelsel vast: de uitgaven werden gecontroleerd, nadat ze waren gedaan. Twistpunten tussen de Rekenkamer en de regering over een uitgave werden aan de Staten-Generaal voorgelegd. Ook de door de Rekenkamer goedgekeurde rijksrekening moet aan de Staten-Generaal worden voorgelegd. Het ledental van de Algemene Rekenkamer werd teruggebracht van zeven naar vijf. De Rekenkamer mag zelf aanbevelingen doen bij vervulling van vacatures. De maximumleeftijd voor het lidmaatschap werd 70 jaar. De centrale rol van de minister van Financiën bij het opstellen van de begroting werd vastgelegd; hij krijgt de bevoegdheid om voorschriften te geven voor de inrichting van de begroting(en). Aan de miljoenennota werd een wettelijke basis gegeven.
  • Bracht in 1928 samen met minister Kan de Natuurschoonwet (Stb. 63) tot stand. Deze wet biedt eigenaren van landgoederen die onder de wet vallen, vermindering van belasting indien zij hun landgoed onderhouden. De wet heeft alleen betrekking op met bossen bezette landgoederen.
  • Bracht in 1929 samen met minister Kan de Financiële-Verhoudingswet tot stand, waarbij onder meer het Gemeentefonds werd ingesteld. De gemeentelijke inkomstenbelasting werd vervangen door een Gemeentefondsbelasting waaruit het Gemeentefonds werd gevoed. Daarnaast werden er 50 opcenten op de vermogensbelasting geheven. Ook de (gemeentelijke) forensenbelasting verdwijnt. De gelden uit het Gemeentefonds werden verdeeld op basis van vijfjaarlijks vast te stellen uitgaven voor onderwijs, politie en armenzorg en het gemiddelde inkomen per inwoner in een gemeente.
  • Bracht in 1931 de Wet op de benzine-accijns tot stand en wetten tot verhoging van het invoertarief tot stand voor thee, tabak en benzine

wetenswaardigheden

algemeen
  • Eén van de eerste rechtse politici die voor algemeen kiesrecht en vrouwenkiesrecht pleitte
  • Werd in september 1912 als tweede op de voordracht voor het Tweede Kamervoorzitterschap gezet. Zat regelmatig de avondvergaderingen voor, omdat Voorzitter Van Nispen zich vanwege zijn gezondheid moest beperken tot het leiden van de dagvergaderingen.
  • Werd in september 1918, 1919 en 1920 als derde op de voordracht voor het Tweede Kamervoorzitterschap gezet
  • Verklaarde in 1919 al in het C.H.-blad "De Nederlander" het wenselijk te vinden dat de SDAP regeringsverantwoordelijkheid zou gaan dragen
  • Bleef in 1920 op aandringen van zijn fractiegenoten na zijn benoeming tot burgemeester van Arnhem Tweede Kamerlid
  • Kwam kort voor het einde van de formatie in 1922 terug op zijn toezegging om wederom minister van Financiën te worden vanwege bezwaren tegen de financiering van de Vlootwet. Was alsnog bereid de post te aanvaarden na de toezegging dat een staatscommissie de financiering zou onderzoeken.
  • Trad in op 18 juli 1923 voor de buitenwereld onverwacht af als minister van Financiën vanwege bezwaren tegen de voorgestelde financiering van de vlootuitbreiding (Vlootwet). Nam dit besluit zonder overleg met zijn politieke geestverwanten.
  • Gaf een dag na zijn ontslagaanvrage in een interview met het Algemeen Handelsblad uitleg over zijn beweegredenen om ontslag te vragen, omdat hij er - met name in de AR-pers - van was beschuldigd weg te zijn gelopen voor de financiële problemen.
  • Ging op 14 augustus 1939, onmiddellijk na de vermoeiende formatieperiode en de beëdiging van zijn tweede kabinet, op vakantie in Duitsland om in het Schwarzwald zijn zwangere dochter op te zoeken. Daarover werden (pas) na de bevrijding kritische opmerkingen gemaakt.
  • Keerde op 22 augustus 1939 terug naar zijn buitenhuis bij Arnhem en reisde op 24 augustus naar Den Haag. Hij was afwezig bij het kabinetsbesluit tot voormobilisatie, maar stemde daarmee telefonisch in. Ten onrechte concludeerde de parlementaire enquêtecommissie - op basis van onjuiste informatie van Dijxhoorn - dat er op 24 augustus ook een middagvergadering van het kabinet was geweest (omdat De Geer zich 's ochtends zou hebben verzet tegen het besluit) en dat De Geer die middag afwezig was.
  • Bood in augustus 1939 en nogmaals in december van dat jaar Colijn aan de leiding van zijn kabinet over te nemen, vanwege diens grotere internationale prestige. In beide gevallen weigerde Colijn.
  • Hield in november 1939 een radiotoespraak waarin hij stelde dat er evenmin als bij de mobilisatie in september 1939 een direct gevaar bestond dat ons land bij de oorlog zou worden betrokken
  • Stelde op 10 mei 1940 de (koninklijke) proclamatie op, waarin de regering krachtig protesteerde tegen de Duitse aanval
  • Gaf op 10 mei 1940 geen gehoor aan een herhaald verzoek van de Kamervoorzitter om namens het kabinet aanwezig te zijn bij een vergadering van de Tweede Kamer, waarin de Duitse inval zou worden veroordeeld. Door het ontbreken van het quorum werd dit een bijeenkomst. Achteraf - meer dan op 10 mei zelf - werd hem dit kwalijk genomen.
  • Hield in mei 1940 een rede voor de BBC waarin hij Nederlandse burgers en ambtenaren opriep mee te werken met de Duitse bezettingsautoriteiten. Die rede was zonder overleg met zijn ambtgenoten tot stand gekomen.
  • Er was in Londen grote twijfel over zijn bereidheid om zich volledig achter het einddoel, het verslaan van Duitsland, te scharen. Deels lijkt er sprake te zijn geweest van het achteraf 'construeren' van dit beeld. Dit geldt met name voor de suggestie dat hij aanstuurde op vredesonderhandelingen met Duitsland.
  • Vroeg in augustus 1940 toestemming om in Zwitserland op vakantie te gaan, maar dit werd hem niet toegestaan
  • Zijn in september 1940 door koningin Wilhelmina geforceerde ontslag leidde tot verontwaardiging bij zijn collega-ministers (Gerbrandy uitgezonderd). De koningin weigerde in te gaan op zijn wens om aan te mogen blijven als minister van Financiën. Naar buiten werden gezondheidsproblemen als reden voor zijn vertrek genoemd. Eerder had de koningin pogingen ondernomen om hem met een aantal collega's naar Nederlands-Indië over te plaatsen.
  • Vertrok op 5 november 1940 met het oog op een mogelijk door hem te vervullen regeringsopdracht in Nederlands-Indië naar Portugal. Wist in Lissabon echter van de Duitsers toestemming te krijgen voor terugkeer naar bezet Nederland en tegen het advies van de regering ondernam hij in januari 1941 die reis. Hij rechtvaardigde dit door te stellen dat door zijn aftreden de reden om in het buitenland te verblijven was vervallen. Het kabinet noemde dit woordbreuk en premier Gerbrandy sprak (ook voor Radio Oranje) van een 'daad van desertie'.
  • Na zijn terugkeer publiceerde hij - met toestemming van de Bezetter - onder meer de brochure 'De synthese in den oorlog', waarin hij pleitte voor samenleving van landen in een soort verenigd Europa
  • Naar aanleiding van zijn houding en optreden in de oorlog veroordeelde de Bijzondere Raad van Cassatie hem op 29 oktober 1947 tot 1 jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tijdens het proces in eerste instantie was de niet onbevooroordeelde mr. J.A. van Hamel president.
  • Zowel de publieke opinie als gezagsdragers werden na de bevrijding in zijn oordeel over hem sterk beïnvloed door het bewust (met name door Gerbrandy) geschapen negatieve beeld over zijn houding tijdens de Bezetting. Het Memorandum dat Gerbrandy in 1945 uitbracht over de Londense periode bevatte aperte onjuistheden over hem. Naast terechte verwijten over zijn soms wankelmoedige en wereldvreemde houding en zijn vertrek naar bezet Nederland werden veel feiten in zijn nadeel uitgelegd. Zo werd de suggestie dat er vredesbesprekingen met Duitsland moesten komen aan hem toegeschreven, terwijl feitelijk minister Van Rhijn die mogelijkheid had geopperd.

uit de privésfeer
  • Was voogd over vijf kinderen
  • Zijn zwager Ernst Voorhoeve was oprichter van de Nederlandse tak van het extreemrechtse Verdinaso (Verbond van dietse nationaal-socialisten)
  • Zijn vader was predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk

anekdotes en citaten
  • Zijn werklust en behoefte om zaken zelf af te handelen, bleek uit zijn gewoonte om tot diep in de nacht door te werken, waarbij hij als laatste het departement afsloot.
  • Hij kwam - weer of geen weer - altijd op de fiets en droeg daarom geen geklede jas.
  • Had geen 'menselijk' contact met zijn ambtenaren. Het contact met hen verliep via een dubbelgevouwen foliovel, waarvan de rechterhelft beschreven werd.
  • Zijn onduidelijk, met kroontjespen geschreven aantekeningen werd door de ambtenaren het kladschrift van Jantje genoemd

verkiezingen
  • Versloeg in 1907 in het district Schiedam H.J. Versteeg (lib.) na herstemming
  • Versloeg in 1909 in het district Schiedam G. Nijpels (vdb)
  • Werd in 1909 in het kiesdistrict Rotterdam I na herstemming verslagen door H. Goeman Borgesius (ul)
  • Versloeg in 1913 in het district Schiedam J.H. Gunning Wz. (ul)
  • Versloeg in 1917 L.L.H. de Visser (sdp)

niet-aanvaarde politieke functies
  • minister van Onderwijs, 1918 (geweigerd)
  • minister van Financiën, 1918 (weigerde deze hem door Nolens aangeboden portefeuille)
  • minister van Marine, februari 1919 (weigerde; stelde zelf voor minister van Financiën te worden, waarna De Vries de post Marine op zich kon nemen)
  • lid Tweede Kamerlid, mei 1925 (benoemd in de vacature-B.J. Gerretson, maar vanwege het uiteengaan van de Kamer kon hij geen zitting nemen)
  • lid Tweede Kamer, augustus 1925 (i.v.m. benoeming tot minister)
  • vicepresident Raad van State, 1933 (geweigerd)

pseudoniemen, bij-, koos- en schuilnamen
"De rode jonkheer" (bijnaam vanwege zijn redevoeringen en publicaties)

woonplaats(en)/adres(sen)
  • Groningen, van 14 december 1870 tot 1876
  • Rotterdam< Schiedkade 64, van 1876 tot 1885
  • Velp (Gld.), villa Mariënhof, vanaf 1885
  • Rotterdam, Oostzeedijk 53, van 1901 tot 1904
  • Rotterdam, Spoorsingel, van 1904 tot 1908
  • 's-Gravenhage, Johan van Oldenbarneveltlaan 65, van 1908 tot 1915
  • 's-Gravenhage, Prins Mauritslaan 71, van 1915 tot 14 mei 1920
  • Arnhem, Sonsbeekweg 18, van 14 mei 1920 tot juli 1920
  • Arnhem, Velperweg 37, van juli 1920 tot september 1925
  • 's-Gravenhage, Prins Mauritslaan 61, van september 1925 tot november 1942
  • Soest, Kerkstraat 15, van november 1942 tot 27 november 1960 (mocht vanaf 1947 niet zonder toestemming de gemeente Soest verlaten)

ridderorden
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, van 28 augustus 1920 tot 10 mei 1950 (ontnomen bij K.B. op grond van de Wet Zuivering Nederlandse Ridderorden)
  • Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, van 29 augustus 1938 tot 11 september 1940 (in 1940 Grootkruis bij bevordering)
  • Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau, van 11 september 1940 tot 10 mei 1950 (ontnomen bij K.B. op grond van de Wet Zuivering Nederlandse Ridderorden)

publicaties/bronnen

publicaties
  • "De grenslijn tusschen opzet en schuld" (dissertatie, 1895)
  • "De beginselen der rechterzijde", in "Onze Eeuw" (1901)
  • "Hoe te stemmen?" (1918)
  • "De staatsfinanciën" (1924)
  • "Nieuwe stroomingen getoetst aan het oude beginsel" (1933)
  • "De toekomst van de Volkenbond" (1938)
  • "Religie en staatkunde" (1939)
  • "De synthese in den oorlog" (brochure, uitgegeven bij 'D. van Sijn en Zonen' te Rotterdam, maart 1942)
  • "Van lang vervlogen dagen" (1949)
  • "Collectieve veiligheid of collectieve zelfmoord" (brochure, 1950)
  • "Als de avondklok luidt" (1953)
  • "Hou en trouw tot het einde" (1953)
  • "Herinneringen" (1959)
  • "Evenwicht of rechtsherstel" (1960)

literatuur/documentatie
  • L. de Jong, "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog", deel I, 612-617
  • G. Puchinger, "Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw" (1984)
  • J. Bosmans, "Geer, jhr. Dirk Jan de (1870-1960)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel III, 181
  • H. van Osch, "Jonkheer D.J. de Geer. De teloorgang van een minister-president" (2007)
  • M. van der Kaaij, "Een eenzaam staatsman, een biografie van Dirk de Geer" (2012)
  • Onze Afgevaardigden, 1909 en 1913

Biografisch Woordenboek(en)
biografie opgenomen in het Biografisch Woordenboek van Nederland

archivalia via site Nationaal Archief
vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief

familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm
gehuwd te Rotterdam, 11 augustus 1904

echtgeno(o)t(e)/partner
M. Voorhoeve, Maria (Ria)

kinderen
2 zoon en 3 dochters

vader
Jhr.Dr. L. de Geer, Lodewijk

geboorteplaats en/of -datum
Utrecht, 28 december 1831

moeder
P.E. Beckeringh, Petronella Elisabeth

geboorteplaats en/of -datum
Amsterdam, 31 januari 1840

broers en zusters
2 broers en 4 zusters (oudste broer overleed in 1888, jongere broer verongelukte in 1918)

beroep grootvader (vaderskant)
houthandelaar

familierelaties

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan het biografisch archief van het Parlementair Documentatiecentrum (PDC) van de Universiteit Leiden en betreffen vooral de periode waarin iemand politiek en bestuurlijk actief is of was.
Aanvullingen en gemotiveerde correcties ontvangt PDC graag. U kunt hiervoor de "reageer-keuze" aan de rechterzijde van deze pagina gebruiken of uw aanvullingen per post sturen naar PDC, antwoordnummer 10801, 2501 BW Den Haag of per email aan info@biografieen.com.